55. Onder de dakpannen.
Wanneer ik in het voorjaar
Op zolder kom, dan hoor
Ik allerlei geritsel
Weerklinken in mijn oor.
Dan hoor ik telkens piepen,
En luister ik eens goed,
Dan hoor ik duid'lijk dat het
Een jonge vogel doet.
[p. 54]
Het zit daar vol met nesten,
De vogels zijn daar vrij;
Geen katuil kan daar komen;
Geen' kat kan daar ooit bij!
En plast de voorjaarsregen
Met sneeuw en hagel neer,
De kleinen zijn daar veilig
En lijden niet door 't weer.
'T is wel een heerlijk plaatsje,
Daar onder 't pannendak,
En alle vogels zijn er
Ook goed op hun gemak;
Maar daar te moeten wonen
Is toch mijn laatste wensch!
Nu ja, maar 'k ben geen vogel,
En 't vogeltje is geen mensch.