56. In den kelder.
In den kelder is het 's winters
Lekker warm en nimmer koud,
'T is er heerlijk voor een koudkleum,
Die niet van de koude houdt.
In den kelder is het 's zomers
Heerlijk koel en altijd frisch;
'T is er bovenst voor den bangerd,
Die wat bang voor smelten is.
[p. 55]
Maar ik wil geen bangerd wezen,
En ik wil geen koudkleum zijn,
Ik trotseer de winterkoude
En den zomer-zonneschijn.
In den kelder? Goed voor zuurkool,
Best voor al het inmaakgoed;
Maar ik meen zoo, dat een mensch daar
Zijn verblijf niet zoeken moet.