terug  begin  verder

60. Op-blijven.

 
De bed-klok slaat! Naar bed! Naar bed!
 
Hoe jammer toch! Want alle pret
 
Is nu ten einde weet-je!
 
Och, als ik nu mijn' zin eens had,
 
Wat ik dan doen zou? Raadt eens wat!
 
Wel, 'k speelde nog een beetje.
[p. 58]
 
Moe' had dat eens gehoord en zeî:
 
‘Welnu, blijft op dan, allebeî!
 
Gij moogt wat groot nu wezen!’
 
Wat vreugd! We grepen naar een boek
 
En gingen samen in een' hoek
 
Wat mooie versjes lezen!
 
 
 
Maar nauw'lijks zaten wij nog daar,
 
Of zie, we werden eensklaps raar;
 
En uit was heel het pretje!
 
Moe' zag ons knikkebollen aan,
 
En weet ge wat zij heeft gedaan?
 
Ze bracht ons gauw naar 't bedje.

terug  begin  verder