terug  begin  verder

[p. 65]

65. Op vaders schouders.

 
‘Vader ik wil ruiter worden,
 
Ruiter worden naar den aard,
 
Maar is dat geen' zonde en jammer?
 
Ik ben ruiter zonder paard!’
 
 
 
Als ik dat zoo zeg tot Vader,
 
Tilt hij mij terstond omhoog,
 
En ik zit dan op zijn' schouders,
 
Als een ruiter hoog en droog.
 
 
 
En dat gaat dan door de kamer,
 
Door den gang heen, op en neer!
 
Even maar? Keen, misgerekend!
 
Een kwartier, ja, soms nog meer!
 
 
 
En ik roep dan als een ruiter:
 
‘Toe maar, Bruintjen, in galop!’ -
 
‘Houd u vast, hoor!’ zegt mijn Vader,
 
‘Want nu gaat het: Hop-hop-hop!’
 
 
 
Maar al zijn mijn Vaders schouders
 
Nu ook sterk, eens wordt hij moê.
 
Ik stijg af en zeg dan: ‘Dank-je.’
 
Meestal met een zoentje toe.

terug  begin  verder