[p. 71]
71. Kermisgangers gevangen.
'S avonds als we aan tafel zitten,
Hooren we achter het behang:
Krabb'len, rits'len, knabb'len, piepen!
'T is een leven van belang.
‘Hoort die muizen eens te keer gaan,’
Zegt mijn' Moeder dan en slaat
Met een doek op het behangsel.
Maar wat denkt gij, dat het baat?
Ja, een' poos, een heel klein poosje
Houdt het muizenvolk nu op,
Maar het duurt niet lang of 't gaat weer
'T oude pad op in galop.
Pats! met doeken! Pats! met handen
Gaat nu weer maar keer op keer.
'T is nu stil! Ze zijn gevloden!
'T mocht wat! Het begint alweer.
‘'T is om tureluursch te worden,’
Roept thans Moeder nijdig uit.
‘Heel den avond dat geweld daar!
'T is vervelend dat geluid!’
En als Moe' zoo boos gaat worden
Zegt mijn Vader lachend: ‘Och,
‘'T muizenvolkje houdt daar kermis!
Wacht een ommezientje nog,
[p. 72]
‘En het leven zal bedaren.
Aanstonds is de pret gedaan
En vermoeid van al het dansen
Zullen zij ter ruste gaan.’ -
- Moeder zwijgt; maar zet de val op.
Zij heeft in die pret geen zin.
En wij vinden er des morgens
Meestal kermisgangers in.