74. Op zwart zaad.
Ik heb een vogeltje in de kooi;
Het is een aardig dier.
Het wipt en springt,
Het danst en zingt,
'T heeft heel den dag pleizier.
[p. 74]
En eten? Och, dat is niet veel:
'T is wit en wat zwart zaad.
En eet het beest
Van 't wit het meest,
'T weet met het zwart ook raad.
Maar enkel zwart, daar dankt het voor;
Zijn trek is dan niet groot.
En zeker ging
Het aardig ding
Met enkel zwart zaad dood.
En daarom maak ik 't lieve dier
Het leven ook niet kwaad,
Want ik zeg dit:
Mijn vriend, ik zit
Ook liefst niet op zwart zaad.