[p. 77]
77. Avondpret.
In een hansop of nacht-japon
Is 't nog eens heerlijk spelen:
Want mooie kiel of mooie jurk
Kan ons al gauw vervelen.
Nu is het: ‘Kreuk uw' jurk zoo niet;
Ze zit al vol met vouwen!’
En dan weer is 't: ‘Straks kijkt alweer
Uw elboog door de mouwen!’
Wij vinden dat zoo prettig niet,
En brommen wel eens even,
Hoewel wij in ons hartje toch
Gelijk aan Moeder geven.
Zij zorgt zoo trouw; zij doet zoo veel;
Zij moet zoo daag'lijks sjouwen
En zwoegen, om ons allemaal
Wat knap gekleed te houên.
En daarom is de lip gauw weg,
Al kwam die laag te hangen,
En wordt zij bij ons altemaal
Door eenen lach vervangen.
Wij halen onze schâ best in,
Als 't licht is aangestoken,
En 't uurtje van naar bed te gaan
Nog niet is aangebroken.
[p. 78]
Dan gaan de mooie kleertjes uit,
En spelen wij terdegen,
Wij rollebollen op den vloer;
Het nachtgoed kan er tegen.
Zoo gaat het soms een heel uur lang
Dat spel vol hartelusten;
Dan komt Klaas Vaak, en moê gespeeld,
Zegt ieder: ‘Wel te rusten!’