terug  begin  verder

79. Naar zee!

 
Mijn Grootva' heeft gevaren,
 
Gevaren voor matroos;
 
Hij kent de wilde baren,
 
De wilde baren boos.
 
 
 
Maar zijn gelaat is vriend'lijk,
 
Is vriend'lijk en vernoegd,
 
Al is met rimpels 't voorhoofd,
 
Het voorhoofd ook doorploegd.
 
 
 
En als hij gaat vertellen,
 
Vertellen van de zee,
 
Dan reis ik met dien grijsaard,
 
Dien grijsaard zelf ook mee.
 
 
 
‘Hoor knaap, gij moet gaan varen,
 
Gaan varen, net als ik,’
 
Zegt hij dan met een lachjen
 
Een lachjen in zijn' blik.
 
 
 
‘De zee is steeds Oud-Neerlands,
 
Oud-Neerlands rijkste mijn!
 
Wie niet durft, moet wel bloode,
 
Wel bloode of slaap'rig zijn.
[p. 80]
 
‘Ware ik zoo oud en stram niet,
 
Zoo stram niet! Wat ik deê?
 
'K ging aanstonds, zelfs als pluimgraaf,
 
Als pluimgraaf weer naar zee!’ -

terug  begin  verder