[p. 81]
81. Het portret.
Mijn Vader is zeeman;
Hij vaart als matroos;
Maar denkt uit de verte
Aan ons toch altoos.
Hij zond uit Oostinje,
- Dat gaf wat een' pret, -
Voor Moeders verjaardag
Zijn laatste portret.
Wij kochten een lijstje,
En 't ging achter 't glas,
En wij doen nu telkens,
Of Vader daar was.
Des morgens, als we opstaan,
En zeggen: ‘Dag, Moe!’
Dan knikken we ook even
Ons Vadertje toe.
En gaan wij weêr slapen
Dan fluist'ren wij zacht:
‘Dag, Vader! Dag, Moeder!
Rust wel, hoor! Goênacht!’