82. Mijn kanarie.
Wel, lieve gele vogel,
Wat hebt ge een' vollen toon!
Wat zijn uw' veertjes helder!
Wat is uw liedje schoon!
[p. 82]
En of het voor- of najaar,
Of koud of heet moog' zijn,
Gij zijt maar altijd vroolijk,
Mijn aardig vogelijn!
Als buiten alle vogels
Het zingen zijn verleerd,
Of uit het warme zuiden
Nog niet zijn weergekeerd,
Dan zingt gij nog uw' deuntjes,
In helder maatgeluid,
En komt uw vroolijk hartje
In keur van liedjes uit!
Maar lieve, gele vogel,
Gij hebt het hier ook goed!
Gij voelt geen' kou', die buiten
Een dier verkleumen doet!
Uw bakjen is vol eten
Uw water altijd frisch!
Vraag eens aan and're vogels,
Of 't buiten óók zoo is.
Wie heeft, wat hij moet hebben,
En dan nog kniezen kan,
Of niet van harte zingen,
Ik vraag: wat wil hij dan?
Neen, hoor eens, gele vogel,
Ik hoor wel graag uw lied,
Maar u daarvoor gaan prijzen,
Dat doe ik nu eens niet.
[p. 83]
Neen, zingen van den honger
En koude, mooi en zoet,
Dat is een heldenstukje,
Dat ieder prijzen moet.