83. Bevroren ruiten.
‘De ruiten zijn bevroren,
En bloemen van kristal
Staan onder en staan boven,
Ja, staan schier overal!
‘Wat zijn die bloemen prachtig!
Op die bebloemde ruit!
Daar kijkt men vol bewond'ring
Zijne oogen haast op uit.’
Zoo sprak ik op een' morgen.
En wat zeî Vader toen?
‘Gij prijst dat moois hier binnen!
Och, ga dat buiten doen!’
Ik kon maar niet begrijpen
Waarom dat werd gezegd,
Maar toen 'k op straat ging kijken,
Moest niets meer uitgelegd.
Wel keek ik daar de ruiten
Eens even, even aan;
Maar de al te felle koude
Drong mij in huis te gaan.
[p. 84]
Als met bevroren ruiten,
Zal 't ook in 't and're gaan.
Sneeuw, ijs en winterpretjes,
Er zijn twee kanten aan.
En wie de mooie kanten
Met vroolijk oog beziet,
En wie er huiv'rend zeggen:
‘Dat moois, ik zie het niet!’
Behoeft dat tekst en uitleg?
Ja? Kijkt dan maar op straat
De rijke en arme geven
U antwoord, jonge maat!