87. De nieuwe Jan Steen.
‘Zwarte prenten hier en daar,
'K heb er heel wat bij mekaêr.
En ik weet met goed fatsoen
Niet, wat ik er meê kan doen.
'K vind ze droog en naar en hard;
Want dat zwart blijft toch maar zwart.’
Zoo sprak ik eens op een' keer;
Maar nu spreek ik zoo niet meer.
'K heb een' verfdoos nu, en ziet
Zwarte prenten heb ik niet.
[p. 87]
Ik ging kleuren
Uit den treuren,
Dag aan dag,
Tot ik zag
Dat de laatste zwarte plaat
Was verdwenen, kameraad!
En nu zocht ik hier en daar
Nieuwe, zwarte bij mekaêr;
Maar het klonk toen op een' keer:
‘Zwarte prenten, jongeheer,
Vindt ge hier alvast niet meer!’
'T viel me tegen, hoor, want weet
'K had den slag van kleuren beet.
Maar mijn vragen
En mijn klagen,
Hielpen mij in dit geval
Niemendal.
'K sla een' and'ren weg nu in,
En 'k begin
U te vragen, frank en vrij,
Hebt ge soms een' zwarte plaat,
Kameraad,
Die ge toch maar liggen laat,
'K bid u, breng ze dan bij mij!
'K zal ze dan een kleurtje geven,
Mooier dan gij in uw leven
Kreegt te zien,
En misschien
Maakt gij mij dan ook meteen,
Tot een schilder als Jan Steen.