89. Wel arme Petit!
Wij hadden een hondje;
Het heette Petit;
Een aardiger beestje
Zaagt gij alvast niet.
Het hield van ons allen:
Maar och, wat verdriet!
'T werd ziek; wat het scheelde,
Wij wisten het niet.
[p. 90]
Hij keek ons zoo droevig
En akelig aan;
Maar niemand van ons kon
Het beestje verstaan.
'T werd zieker en zieker;
En eens op een' dag,
Dat het zoo door-ziekjes
In 't mandeken lag,
Zeî Vader op eenmaal:
‘Hij moet naar 't Asyl!’
Gij kunt niet begrijpen
Hoe droevig 't ons viel.
Het beestje werd daarop
Nu henen gebracht,
En daar is 't gestorven
Nog heel onverwacht'!
Maar stierf ook ons hondje,
Vergeten is 't niet!
Wij zeggen nog dikwijls:
‘Die arme Petit!’