91. Te koud.
'T was op een wintermorgen,
Zoo tegen vijven was 't,
'K werd wakker en zij sliepen
In huis nog allen vast.
‘Wacht,’ dacht ik, ‘'k zal ze eens foppen
‘En stil mijn bed uitgaan;
Mij wasschen en mij kleeden
Is stil en gauw gedaan.’
Ik ging toen zacht het bed uit;
Maar, brrr, wat was het koud!
Geen' kachel en geen licht aan!
En nergens turf of hout!
[p. 92]
Ik stak mijn' hand in 't water;
Maar 'k raakte van de wijs,
Ik voelde nergens water,
'T was alles klinkklaar ijs.
Zóó vroor het op de kamer.
Wat heb ik toen gedaan?
Mijn' kousen uit, en 'k ben toen
Weer stil in bed gegaan.