93. Eigen schat.
Honderd jongens, honderd meisjes
Wonen in één huis bijeen;
'T zijn geen' kind'ren van één' Vader
Of van ééne Moeder, neen!
Vóór zij hier te zamen kwamen
Kenden zij elkander niet.
Ieder had zijn eigen huisje.
Eigen blijdschap en verdriet!
Ieder had zijn' eigen Ouders....
Ach, dat alles zoo verdween!
Eigen huisje, vreugde en droefheid,
Eigen Ouders - - alles heen!
[p. 94]
'T weeshuis riep die arme kind'ren
Vriendelijk een ‘welkom!’ toe.
Één Man heet hun aller Vader,
Één' Vrouw heet hun aller Moe'!
Allen heeten Broêr en Zuster.
'T kruis van de een, is aller kruis.
Samen deelen ze in de vreugde,
Samen deelen ze één groot huis.
Of ik daar zou willen wonen?
Neen! Zoo ik te kiezen had,
Ik koos zeker eigen huisje,
Eigen Ouders, eigen schat.