175. Des avonds.
De dag is weer voorbij gegaan,
Het licht verdwijnt; de nacht breekt aan;
Men heeft gewerkt met moed en lust
En 't matte lichaam vraagt nu rust.
'T is of geheel Natuur dat wil;
Want alles zwijgt; 't werd alles stil.
[p. 170]
Maar boven 't zwijgend aardrijk praalt
Het sterrenneer, en 't maantjen straalt
Een schat van zilverglansen uit
Op veld en bosch, op bloem en kruid.
En hooger nog dan 't sterrenheer,
Daar woont een Wachter trouw en teer;
Zijn vriend'lijk oog sluit nooit zich toe;
Die Wachter wordt nooit wakensmoê;
Hij waakt bij nacht: Hij waakt bij dag,
En schoon mijn oog hem nimmer zag,
Toch weet ik dat die Wachter-goed
Mij altijd ziet en steeds behoedt.
'K leg daarom rustig 't hoofd terneer:
Ook 't kind is in Uw' hoede, o Heer!