176. Lente-leven.
De wind blies dagen lang uit 't noord;
'T was voor April zeer koud.
De madeliefjes doken weg;
Zwart werd het groen aan struik en heg;
Geen loover kwam aan 't hout.
Geen vocht was in den tuin te zien;
Het droogde steen en been;
Het stof vloog dwarlend in het rond;
Slechts nu en dan viel op den grond
Een koude hagelsteen.
Maar op een' Zondag-morgen keek
De torenhaan naar 't west;
[p. 171]
De regen daalde zachtkens neer,
En was 't nu ook geen uitgaans-weer,
'T was toch voor alles best.
Nu kijkt de blanke torenhaan
Den heelen dag naar 't zuid.
Het zonlicht werpt zijn stralen rond,
En uit den goed doorweekten grond
Spruit lente-leven uit.