177. April-sneeuw.
Aprilletje-zoet, Aprilletje-zoet,
Brengt gij ons nu een' witten hoed?
Maar, vriend, waar moet dat henen?
Ik dacht zoo dat de winterkoû,
Ons nu geheel vergeten zou,
En zie, ze is weer verschenen.
Aprilletje, zeg, Aprilletje, zeg,
De smid haalde al de kachels weg.
Waar moet nu 't vuurtje branden?
Ik bid je, vriend, bedenk dat toch,
Want heusch, 'k zat gistren-avond nog
Van koû te klappertanden.
Aprilletje-zuur, Aprilletje-zuur,
Ge brengt ons koude en geeft geen vuur,
En dat is valsch, mijn vrindje!
Och, laat het spoedig anders zijn,
En breng bij warmen zonneschijn
Weer 't heerlijk zuidenwindje.