[p. 172]
178. Wie het weet.
Daar zaten spreeuwen op het dak:
Zij zongen 't hoogste lied.
Maar wat? Och, waarom dat gevraagd?
'K versta de spreeuwen niet.
Daar zaten kikkers in de sloot:
Ze kwaakten altemaal.
Maar wàt ze kwaakten, 'k weet het niet:
Ik spreek geen' kikkertaal.
Daar zaten krekels tusschen 't gras;
Ze piepten schel en luid.
En wat? Ja, als ik dat maar kon,
Ik legde 't liedje u uit.
De rund'ren loeiden ook een lied;
Maar hoe of waar ik zoek,
Ik vind geen enkel koeienwoord
In heel mijn woordenboek.
Het bijtje gonsde en bromde wat;
De vlieg deed wakker meê;
Maar hoe ik nu ook luist'ren mocht;
'K verstond niets van die twee.
Zelfs 't windje ruischt een deuntje mee
Heel lief op eigen hand.
Maar van die luchttaal heb ik ook
Geheel maar geen verstand.
[p. 173]
Ik kan dat alles niet verstaan,
Dat spijt me, hoor, dat 's waar.
Daarom vraag ik aan iedereen:
Wie 't weet, die zegge 't maar.