begin  verderprepost
[p. 41]

In Oorlogsnood. Virginie Lovelings dagboek 1914-1918

[p. 43]

1914

[p. 45]

29 Juli 1914+

In 't Oosten woedt de oorlog.

België mobiliseert.

Gent 2 augustus. 's avonds 7 uur.

Langs de Leopoldlaan onder het gewelf der kastanjeboomen loopen groepen soldaten met de kwispelmuts of de muts met rooden rand op, in de twee richtingen voortschrijdend. Ze zijn niet gewapend.

Zware wagens met kanonnen, die den grond doen beven en de huizen trillen, komen aangerold. Op elk affuit ligt er een kanon horizontaal, doch met den versmalden vuurmond ietwat naar omlaag. Ze schijnen niet heel groot, maar het gewicht moet wel ontzaglijk wezen; want vijf paarden trekken elken wagen voort. Met ijzerrinkelingen komen legerkisten en kastwagens op een draafje aan.

In het Stadspark, waar bloemen bloeien; de zon op de effen, fluweelgroene zode schijnt, staan voor het Feestpaleis+ talrijke ambulance-wagens van het Roode Kruis op de te kwetsen jeugd te wachten; verhuizingwagens, staatsspoorwegwagens en vervoermiddelen van allen aard. Daarrond woelen vele menschen van alle klassen der samenleving. De afstand is te groot om de gesprekken te hooren.

Op het speelplein ginder, veel verder, loopen, springen, dansen, huppelen kinderen, geheel ingenomen door hun dartele vreugd; hier en daar grazen, uitgespannen of in te spannen paarden het korte gras af.

Zondag 2 Augustus.

Middernacht.

Ik schiet wakker.

Wat gebeurt er in mijn straat?

Het is een getrappel van voeten als dat van een groote kudde schapen. Nu zie ik het aan 't raam: het zijn menschen in dichten drom, die van den kant der Heuvelpoort komen afgedraafd om het vertrek der soldaten te zien.

Duisternis. Op den Steenweg links hoor ik eerst, dan bemerk ik in zwarte wemelbeweging vooruit hier en daar vonken van wapenblank.

De menigte juicht en roept ‘Hourra!’ Stemmen uit de legergroep heffen den Vlaamschen Leeuw aan:

[p. 46]
 
‘Zij zullen hem niet temmen,
 
Den fieren Vlaamschen Leeuw,
 
Al dreigen zij zijn vrijheid,
 
Met kluisters en geschreeuw!’

Het klinkt manhaftig, tergend, hartgrievend, als een terugwerking tegen wankelmoed in dien woeligen nacht.

‘Adieu, adieu à vous tous,’ roept er een stem aan den hoek mijner straat den menschendrang toe, de stem ondanks het onheilspellend vaarwel is opgewekt. ‘Vive la Belgique!’ roept ze nog.

Het is de stem van een kapitein-commandant, die hier in de buurt woont. Hij was jaren lang verloofd met een zeer beschaafd, deftig meisje, die geen geld bezat. Trouw wachtten de beiden tot hij in rang opklom, waar geen bruidschat bij officieren meer wordt vereischt. Sinds zes maanden zijn ze gehuwd.

Met trommelgeroffel en muziekgeschal trekken de landverdedigers naar den trein. Zwak en zwakker worden de geluiden; en veel stiller dan ze gekomen waren trekken ook de belanghebbenden en nieuwsgierigen heen, en worden éen voor éen de ramen der kijkenden dichtgedaan in de bijna volledige duisternis, want de gasbekken zijn neergedraaid.

Maandag, 3 Augustus.

Duitschland heeft gisteren den oorlog verklaard aan Frankrijk.

Zwart grijze wolken zeilen onweerdreigend aan het zwerk. De lucht is zwoel-benauwend.

Soldaten, twee, vier of meer tegelijk, trekken naar St-Pieters station.

Aan den boord van een trottoir op den Kortrijkschen Steenweg staat een jong en flink soldaat bij een jong en flink meisje.

Achteloos voor opspraak of benieuwdheid staan ze daar.

Zij draagt een klein hoedje, dat deels hare wangen bedekt; die wangen zijn rond en bleek. Haar licht kleed is van sierlijken snit met gele roosjes overbloesemd; ietwat boven het middel op den rug met een gesp toegesnoerd, doet het hare slanke vormen uitkomen.

Hij draagt de soldatenmuts met den rooden band, de driekleurige kokarde en het nummer van zijn regiment. Hij heeft een fijn gelaat, glad geschoren, sterk van blos. Zijn donkere oogen zijn met warme streeling op haar gericht. Hij zegt iets, wat als een bemoediging is vermeend en poogt te glimlachen. Een enkel woord, dof uitgesproken, antwoordt zij onverstaanbaar voor de voorbijgangers.

[p. 47]

Hun taal is Fransch.

Strak ziet zij naar hem+ op met onbewogen uitdrukking, als wijdde zij al hare aandacht om zijn beeld vast in haar geheugen te prenten.

Soldaten trekken voorbij. Ze spoeden zich naar den trein. Hij schiet als wakker: hij moet ook gaan.

En zij weet het.

De vier handen omstrengelen elkander, in zachten, sprakeloozen duw, de armen strekken zich horizontaal in hun volle lengte ver van 't lichaam uit, als in dubbel kruisgebed, en zinken moedeloos neder. Hij ijlt de straat over en met het hoofd naar den grond trekt zij stadwaarts verder. Waar en wanneer zullen zij elkander wederzien!...

nog 3 Augustus '14.

De burgerwacht is saamgeroepen. De bankhuizen worden bewaakt door gewapende mannen. Van 's morgens tot 's avonds moeten ze dienst doen. Ze krijgen voeding van hun huis. Bruggen en viadukten staan onder hun hoede tegen de gevaren voor misdadige aanslagen van wege spioenen, die in groot getal bestaan. Schuldigen en onschuldigen worden in hechtenis genomen of verontrust, zoodra er eenig vermoeden tegen hen bestaat. Koffiehuizen, door Duitschers bewoond zijn stukgeslagen. Dik liggen de glasscherven der groote ramen - die thans met ruwe planken gesloten zijn - tot over 't voetpad voor de gevels.

Al de hier wonende Duitschers moeten 't land verlaten. Een dezer, die zaken deed met mijn buurman, had hem verzocht een nacht in zijn huis te mogen slapen. Uit broedermin werd zulks roekeloos toegestaan.

De politie, daarvan verwittigd, kwam 's morgens reeds een huiszoeking doen ter plaats. Op de handelsboeken, de brieven, op al de papieren, tot het kleinste beschreven blad, werd beslag gelegd, en alles naar het politiebureel medegenomen in open rijtuig.

Ik zie ze nog staan, de jonge dame in de afwezigheid van haar echtgenoot, roodbekreten voor den drempel van haar huis met hare drie schreiende kinderen aan haar rok geklist, het jongste in haar armen, omringd door deelnemende buren, die woorden van moed en vertrouwen schenen toe te spreken.

Gelukkig was alles - wat later bleek - slechts een valsch alarm geweest.

nog 3 Augustus.

Links voorbij het klooster van den Schreiboom, aan den uitgang van het smalle steegje, dat steil afdaalt naar de Leie, waarvan het water diep beneden een glimpje schiet, staat eene groep menschen: oude vrouwen

[p. 48]

met verlepte aangezichten in vuile kleederdracht, grijsaards met stoppelbaarden, slordige werkeloozen, een vaal gezelschap.

Eene der vrouwen, jong van gestalte draagt een wichtje in den arm; het kan nog niet rechop zitten, zoo klein is het. Ze houdt de vrije hand voor haar neergeheld aangezicht, als verborg ze visioenen te akelig voor haar blik.

Een achtjarig meisje verschuilt schreiend het hoofdje in de plooien van haar rok. Een vierjarig jongetje, mooi en frisch, met licht kroeshaar, barvoets met bloote beentjes, in een armzalige plunje, bruin als de grond, waarop het staat, kijkt, half benieuwd, half beteuterd naar al dat ongewone gedoe. Uit het steegje klimt een stoere man op. De groep wijkt uiteen, plaats makend. Angstige oogen zijn op hem gericht.

Hij is nog niet in soldatenpak. Zijn werkkleeren zijn tamelijk rein doch reeds versteld: groote, vierkante, donkere lappen zijn over de knieën op het afgewasschen+ goed van zijn broek genaaid. Hij ziet rood, wat verwilderd. Een grijnschlach vertrekt zijn grooten mond met blanke tanden.

Hij stapt recht naar de vrouw met het wichtje toe en legt de hand op haar schouder:

‘Allo, wijf, bezie mij eens.’ Hij wil schertsen, maar 't gelukt hem niet een vroolijken toon aan te slaan.

Zij heft een betraand aangezicht op en steekt hem de hand toe.

‘En wat zegt ge tegen mij, we zijn toch getrouwde menschen,’ steeds opgewekt.

‘God beware u,’ antwoordt zij, barst in snikken uit en laat het hoofd vallen op den schouder van eene, die naast haar staat.

‘Adju dan,’ zegt hij voortgaande, en zich omkeerend, ‘adju nog ne keer.’

Het knaapje loopt hem achterna op zijn bloote voetjes. Begrijpt het iets van den toestand en het gebeurende? ‘Vader,’ schreeuwt het en klist zich aan zijne knieën.

Hij tilt het kind in de hoogte en omschrijft er een halven kring mede, zooals een priester met het Hoogweerdige doet:+ het is een offer, dat hij aan de omstaanders toont; dan zet hij het met een stoot op de aarde neder.

Die man heeft gedronken: zijn tong was wat belemmerd en onvast is zijn gang. Van tijd tot tijd, blijft hij staan, met zijn vuisten op de borst slaande: ‘Kanonvleesch!’ zegt hij.

Vroeger zal hij bij de troepen zijn geweest. Hij heeft er een beetje Fransch geleerd en brengt het te pas: ‘çair à canon, kanonvleesch, çair à canon!’ herhaalt hij roepend, bij afwisseling op zijn borst slaande, beangstigd door zijn geburen nagekeken.

Dinsdag 4 Augustus.

Duitschland heeft aan België den oorlog verklaard.

Op het voetpad aan de kruisstraat die den Steenweg doorsnijdt, waar

[p. 49]

een tramhalte is, zitten twee soldaten op het plaveisel. Zij leunen met den elleboog op een grooten, gevulden grauwen zak.

Met zulke zakken loopen er velen langs de straat, gekromd onder 't gewicht. Scherpe hoeken steken 't linnen omhoog. Het komt van hun uitrusting.

Een derde soldaat ligt op den grond, met het hoofd neerhangend naar den rechter schouder toe, een been geplooid onder het ander, steunend op zijn hand, waarvan de palm plat rust op den grond. Zijn houding is aangrijpend. Zij herinnert aan het beeld van den stervenden gladiator uit het museum van het Capitol te Rome.

Die man is de jongelingsjaren voorbij: zijn gelaat is beenderig gebronsd; zijn snorbaard krult slordig naar omlaag, zijn baard is sedert dagen niet geschoren, hij geeft een grauwe tint aan wangen en kin. De militaire uniform is hem te klein geworden: van boven is een enkele knoop toegetrokken, het overige blijft, verwijdend naar onderen, meer dan een handbreed open; daaruit hangt slap zijn hemd over den broeksband.

Zeker wachten deze drie op den tram...

Maar neen, de trams komen in de twee richtingen aan, staan en trekken voorbij zonder hen. De drie rijzen van den bodem op. De lompe zakken worden met rinkelingen van metaal, de eene helft naar voren, de andere helft over den schouder naar den rug geslingerd.

En de twee jongeren stappen voort. De jongste waagt zelfs een soort van danssprong, ondanks den ruwen last. De oudere soldaat heeft ook kreunend, zijn lading opgenomen: zwaar hangt ze op borst en rug, hij wankelt er onder, zijn knieën knikken. Hij bromt een weeklacht of een vermaledijding en volgt zijn makkers, met loome schreden, steeds verder en verder van hen achterblijvend.

Woensdag 5 Augustus.

Om half acht 's morgens kwam de meid mij wekken. Ik had gansch den nacht wakker gelegen en was met het krieken van den dag eindelijk ingesluimerd:

‘Heel de straat staat vol soldaten,’ zei ze.

‘Waarom hebt ge mij niet eerder opgeroepen?’

‘Ik heb eten gegeven aan vier. Ze krijgen eten overal.’

Toen ik aan den drempel ging, zag ik er aan alle deuren gretig bijtend in boterhammen en wat ze anders kregen. Een tweetal waren nog niet voorzien; ze stonden te wachten op het voetpad aan den overkant.

Ik wonk ze bij: ‘Vanwaar zijt gij?’ ‘Wallons,’ was het antwoord.

‘Hebt ge honger?’

‘Ja.’

‘Komt binnen.’

[p. 50]

Ze zaten in de gang op de bank; een groote, sterke kerel van een jaar of vijf en dertig oud, een veel jongere, fijn van aangezicht met schranderen blik.

En de groote berichtte: ‘Wij zijn met duizend aangekomen gisteren avond, allen vrijwilligers; vijftienhonderd uit onze streek hebben zich aangegeven; niemand verwachtte ons te Gent. Er was geen eten gereed. Wij hebben geslapen in 't Feestpaleis. Wij zijn van Lessines. Geen werk meer, in 't vervolg geen eten ginder meer.’

Die mannen klaagden niet. Geen enkele aanmerking op de ontbering hier.

‘Vleesch is er niet in huis, maar brood en eieren: hoe wilt ge ze: zacht of hard gezoden?’+

Een bleeke glimlach verscheen op hun aangezicht: ‘O, om 't even, geef ze maar ruw.’

In drie beten was elke boterham op; de eieren werden uitgezogen.

‘Zijt ge getrouwd?’

‘Ja.’

‘Kinderen?’

‘Twee,’ toonde de groote met zijn vingeren aan.

‘Drie,’ zei de kleine, fijne, jonge. Hij voegde er nog een heele uitlegging bij, maar zijn mengsel van waalsch en fransch verstond ik niet.

‘Wij lagen tusschen Leuven en Diest; op eens kwam het bevel, dat we weg moesten,’ zei de groote.

‘Wat komt ge hier doen?’

‘Wij weten 't niet.’

Ze waren opgestaan, ze dankten. Ik reikte hun de hand. Ze drukten die beurtelings; dien handdruk voel ik nog: de palm was hard als de kasseien, die ze uit de steengroeven van Lessen (Lessines) doen ontspringen en die voor onze bestratingen dienstdoen.

Het moest heel onlangs zijn, dat die mannen gewerkt hadden voor hun brood en het brood van hun huisgezin.

6 Augustus des avonds.

Voor invallende duisternis deed ik een wandeling. Met tweetallen, met drietallen of meer, soldaten overal: terdoodveroordeelden onder hen, die eerlang onder+ den grond liggen zouden, of verminkten in 't een of 't ander hospitaal: een paar vooral trof mij: een hoog opgeschotene, met een engelenaangezicht naast een korten, een soort van dwerg - was die groot genoeg voor de maat?

Hij droeg een bril en was voorzeker meer dan veertig jaar oud.

Och, al die ongelukkigen, waarom moet ik ze zien, indien ik ze niet helpen kan, terwijl mijn hart breekt!

En ik haast mij weg.

[p. 51]

zaterdag 8 Augustus '14

Er zijn nu altijd soldaten te zien: in lange reeksen, met honderden en honderden, het geweer op den schouder, den ransel op den rug, trekken ze op in de heete zon, naar 't exercitieplein toe. Ze moeten gedrild worden om de leemten voor de kanonnen te vullen. Ze kennen nog niet veel van den dienst. 's Avonds zitten ze op de banken langs de lanen of voor de koffiehuizen; ze koopen dagbladen aan de wachthokjes van de trams. Ze loopen al lezend+ daarin op de straat, rooken, praten ondereen.

Het zijn allemaal vrijwilligers.

Aan den afgeronden hoek van het café ‘De Karpel’ zitten twee heeren bij een tafeltje.

Een wandelaar, die een wijle aan 't winkelraam draalt daarnaast, op het voetpad, hoort wat de een aan den anderen mededeelt:

‘De jonge graaf Steenhert de Groebeke is als vrijwilliger opgetrokken met zooveel andere adellijken.’

‘Mijn zoon ook,’ is het antwoord.

‘Welhoe, die knappe jongen, die een week geleden bij 't afleggen van zijn eindexamen de hoogste onderscheiding kreeg!’

Sprakeloos bewogen knikt de vader den spreker herhaaldelijk toe.

‘Die jongen, waarop gij reden hadt zoo fier te wezen!’ klinkt het ontzet en medelijdend.

‘Nu ben ik dubbel fier op hem,’ antwoordt de vader. Zijn ontroering is overwonnen. Zich vermannend richt hij de borst op.

Ginder komt een deels ontladen bierwagen de steile Citadellaan afgehold. De paarden schijnen te vliegen over het plaveisel. Twee voerders zitten hoog op den bok. De lange zweep kletst snijdend door de lucht. Het lijkt op een triomftocht, zoudt ge zeggen...

Maar... aan den ommedraai springen drie gendarmen toe, vlak voor het gespan. De paarden verschrikken steigerend achteruit en zijds weg.

Met sterke vuisten worden ze bij den breidel vastgegrepen, losgehaakt van den wagen en met een wit lint elk over den nek geslingerd - het emblema van berechtigde inbezitneming - weggeleid.

Alles is het werk van enkele oogenblikken geweest.

Verslagen staan de van den bok gestegen biervoerders bij hun achtergelaten wagen, hoofdschuddend elkander en de verbaasde menschen om hen heen aan te staren. En hij, die 't heeft mede gehoord en gezien, zet zijn weg voort in de richting van de Kortrijksche straat.

[p. 52]

Dinsdag 11 Augustus '14.

In de Banque de Flandre staan lange reeksen lieden voor het winket, waar de uitbetaling geschiedt aan hen, die geld in bewaring hadden. Niet meer dan duizend frank in de maand is eischbaar.

De beweging is veel grooter dan in 't gewone zomertij als wanneer vele huizen gesloten en de bewoners naar hun buitens of badplaatsen zijn; gerij van karren en vervoerwagens, maar geen autos, tenzij de in volle vlucht voorbijzoevende van 't Rood Kruis of met militaire overheden in.

De burgerwacht is opgeroepen ter bescherming der orde.

Aan een tafeltje onder het gewelf van den viaduct over den Kortrijkschen Steenweg, zitten er vier leden van. Zij spelen met de kaart. Een bundel geweren met den loop omhoog, de kolf op den grond, staan saamgesnoerd binnen hun handenbereik: een, in 't midden kaarsrecht, de andere schuin er naartoe geheld.

Aan den uitgang en den ingang van 't gewelf staat ook een burgerwacht met de buks in de hand.

Aan het grootste deel der huizen van de stad wappert de nationale vlag: rood, geel en zwart; aanduidend, zegt men: ‘strijden voor de vrijheid of sterven.’+

Het zou een feest van kleuren wezen, indien het aan geen doodendans denken deed.

De terrassen der café's zitten vol; ge ziet er schier niets dan over dagbladen gebogen hoofden. Eindelooze gesprekken over den oorlog worden te allen kant gevoerd. Op ieder borst prijkt een strikje: de vaderlandsche vlag, ook de fransche: blauw wit en rood. Bij enkelen zijn de vlagstrikjes dooreengewerkt.

Geen rijtuig, geen groentekarretje of welkdanig vervoerwerk ook, dat aan de bevestiging van ons zelfbestaan te kort blijft. Ik zie een kindje van drie of vier weken oud, in den arm eener ellendiggekleede moeder, dat een driekleurig lintje op zijn mutsje heeft vastgespeld.

Op zes en dertig plaatsen zijn door het Stadsbestuur kook huizen ingericht: alle behoeftigen mogen er eten halen: ‘Stedelijke Voeding’ staat er op plakkaten aan den ingang.

In groepen, met een kruik wachten de rampzaligen er hun beurt van bediening af. Die uitgedeelde soep is zeer goed: vleeschstukken of gemalen vleesch, aardappelen of groenten maken er het bestanddeel van uit. Iedere vrouw, wier man in den strijd is, krijgt geldelijken onderstand: vijf en zeventig centimen voor haar, vijf en twintig centimen voor elk kind.

De burgers worden opgeroepen en bieden zich in groot getal aan om den nachtdienst waar te nemen; want vele wakers zijn soldaat.

Gedrieën gaan de nieuwaangeworvenen op de ronde van hun wijk van

[p. 53]

tien uur 's avonds tot vier uur.

Ze hebben geen ander wapen dan een knolligen stok, en een tromp om de politie ter hulp te roepen in geval van nood of aanranding.

Woensdag 12 Augustus '14.+

De gekwetsten komen toe. 's Avonds staat het stationsplein van Gent-Zuid+ en staan de omliggende straten vol volk. Men zou - zooals men zegt - op de hoofden kunnen gaan. Geschreeuw van dagbladverkoopers overheerscht het geronk der menigte. Het nieuws doet de ronde, het nieuws der heldhaftige verdediging van ons leger tegen de overweldigers. Er heerscht geen verdeeldheid van politieke partijen meer, geen klassenstrijd, geen wrok, niets anders dan verbroedering in hulpbetoon en liefde voor het vaderland.

Overal waar plaats was, zijn ambulances ingericht. Geen, die nog aan zichzelven denken mag. Bedden staan gereed in het ledig Palace Hotel, in 't Feestpaleis van 't Stadspark, in het College van St. Barbara, in het Gesticht der Weesjongens, in de kloosters en de kostscholen. Bijzonderen, welke een buiten hebben verlaten, maakten er een sanatorium gereed. Anderen richtten doelmatig daartoe hun stadshuizen in.

Van den eersten dag na de oorlogsverklaring van het machtig Duitschland aan het klein onzijdig België gingen leden van het Rood Kruis in alle woningen rond met de vraag wat er kon verkregen worden voor ziekenhulp: elk teekende het op een lijst: ledikanten, beddegoed, sponsen, linnen van allen aard. Ook inteekeningslijsten werden aangeboden: drie kreeg ik er op éenen dag, onder ander van 't Rood Kruis en van den pastoor van St. Pauls-parochie, waar mijn straat deel van uitmaakt.+

Ik geloof niet, dat iemand geweigerd heeft geldelijk daarop in te schrijven.

Het bedrag van al de lijsten is overigens voor het Comiteit van 't Rood Kruis bestemd. De dames van de burgerij, evenals degene van de hoogste standen, waaronder de gemalin van den Gouverneur zullen als verpleegsters optreden.

Dinsdag 18 Augustus. 's avonds omstreeks 8 uur.

Het nieuws loopt als een vuur over de menigte langs de lanen, op de pleinen en in de straten, dat meer dan duizend vluchtelingen van de kanten van Aerschot en Thienen aan het Zuidstation toegekomen zijn.

[p. 54]

19 Augustus.

Ze zijn hier! Jammerlijke benden, velen in hun werkkleederen, zooals ze op bevel van hooger hand weg liepen: vrouwen met gekleurde doeken op het hoofd; schuwe blikken, ingedrongen gestalten; handen, die pakjes dragen; valiezen bij hen, wier kledij wat welstand aanduidt. Een vrouw houdt een onderweg gestorven kindje in den arm...

Waarheen, waarheen die menschenstroom in al zijn ellende?

Deuren ontsluiten zich, kloosters stellen hun poorten open. Het Stedelijk Nachtverblijf, 's winters ingericht voor haveloozen, neemt er op. Een priester deelt sigaren aan de mannen uit; een bakker geeft, zonder vergelding, milde grepen in de gretig opgestoken handen: brood, koeken, lekkernij, alles wat zijn winkel bevat. Vele bijzonderen nemen vluchtelingen in hun woning.

Vrijdag 21 Augustus.

Twee begijntjes hebben bij mij aangebeld: de eene is mijn nicht: van Conventoverste is zij onlangs bevorderd tot den rang van Gezelnede: dat is raadgeefster van de Grootjuffrouw van 't Begijnhof. Er zijn slechts twee Gezelneden.

Zonder eerewacht - bestaande uit een begijntje - mogen de Gezelneden op de straat niet verschijnen.

Daarom is mijn nicht vergezeld door een mij onbekende. Zij leggen hun zwarte, bij middel van baleinen wijd openstaande faliën, op stoelen en zitten in hun krakende, witte sluiers van linnengoed, de eene zwartgerokt, de andere in donkerblauw, een feesttooi, dien ze voortaan steeds dragen moet uit hoofde harer waardigheid.

Het komt mij voor, dat geen menschenaangezicht zoo kalm, zoo vredelievend, zoo stil-gelukkig - en tevens zoo blij-opgewekt - kan wezen als dat van een begijntje.

Nu zijn de mondhoeken pijnlijk naar omlaag getrokken. De oogen staan verschrikt en de lippen hebben een siddering.

En zij vertellen van al den nood; want in de Conventen, en in de bijzondere huizen, door begijnen bewoond, zijn uitwijkelingen onder dak genomen.

Gisteren avond kwam in het Convent van Onze-lieve Vrouw ter Bloemen, waar de eene woont en waar de andere overste is geweest, de broeder van eene der zusters aan, gevlucht uit Diest. Hij had vijf kinderen mede. Het kleinste twee jaar oud droeg hij op den arm.

Hij bleef er vernachten: familieleden mogen dat doen in het Hof. Zij hadden enkel de kleederen, die ze aanhadden, zoo haastig waren ze door 't noodlot uit hun huis gejaagd. Zijn stallen, zijn schuur stonden in brand. Vervaarlijk hoorden ze 't geloei der ver-

[p. 55]

zengende koeien, terwijl ze over den boomgaard naar de straat liepen.

Die man is elders een onderkomen gaan zoeken.

De vijf kinderen blijven tot last van 't Convent, waarvan de bewoonsters een dertigtal uitmaken.

‘Het was zoo triestig om aan te zien,’ vertelde het vreemd begijntje, terwijl een traan in den hoek van haar ooglid blonk en haar stem stokte, ‘hoe het voorlaatste kind, een meisje, haar popje in den arm hield, het eenig geredde stuk van al wat ze bezaten.’

Gansche dagen trekken de begijnen pluk.+ Ieder uitgezocht of gekregen stuk laken, elke reep wollegoed wordt+ - zelfs uit meer brokken saamgeflanst+ - versneden en vernaaid tot sokken voor herstellende kranken.

‘Ge moest zien, hoe welkom die giften in de ambulances zijn!’ zei ze.

‘Wat zal er van ons zelven geworden?’ was ook de kommervolle vraag der andere. ‘Het meerendeel der onzen leven van handenarbeid: naaien, stoppen, borduren, kantmaken. Er is geen werk meer, ten minste geen betaald werk.’

‘Wie in beteren doen is,’ zegt de andere, ‘en een huur+ of land verhuurt, zal niet betaald worden! Zullen aandeelen en waarden nog wat opbrengen?... Wat zal er van onszelven geworden?’

En terwijl ik aldus luister naar al die bedenkelijke vooruitzichten met tusschenpoozen van algemeene, radelooze stilzwijgendheid, schalt met brio pianospel aan den anderen kant van den scheidsmuur onzer buurhuizen...

Zondag 23 Augustus.

Heden ging ik door de Tweebruggenstraat: nog meer vluchtelingen kwamen van de spoor. Ge kunt ze allen herkennen aan hun verslagen aangezichten, zelfs als ze geen gepak hebben. Sommigen dragen zakken op den rug, waaronder ze gebogen gaan.

Twee open rijtuigen, het een na 't ander, zitten vol van schijnbaar welstellende boeren. Valiezen of reiskoffers hebben die lieden zeker niet - op den bok bij den koetsier liggen pakken op pakken en tusschen de knieën der inzittenden ligt het hoogopgestapeld van toegebonden dingen.

Het is merkwaardig hoe in het eene rijtuig twee boerenknapen van tien of twaalf jaar, in dit heete weder heel zwaar in bruin laken gekleed, met frakken voor volwassenen aan, verbaasd en benieuwd rondkijken naar de gevels en de wemelende straatmenigte. Die jongens zijn misschien nog nooit in een groote stad geweest. Deze menschen hebben geld en zullen wel in 't een of ander goedkoop hotel een onderkomen vinden.

[p. 56]

Maandag 24 Augustus.

's Morgens om zeven uur.

Een ontzaglijk groote, daverende, verdoofde slag.

Wat mag dat wezen? Geen mensch die 't zeggen kan. Al de buren zijn buiten gekomen, staan aan hun deuren, gaan tot elkaar bespreken 't geval. Het is een wonder, dat niemand binnenblijft, het is zelfs niets nieuws. In mijn straat zijn er geen winkels, er is weinig verkeer en van 's ochtends+ tot 's avonds - met korte onderbrekingen - staan meest al de bewoners op de voetpaden en vertellen waarschijnlijk, evenals het thans in alle bijeenkomsten gaat, de een aan den ander, wat elk in het bijzonder in de kranten gelezen heeft. In gezelschap baat het niet te zeggen, als een verhaal over de gruwelen begint: ‘Ik weet het, ik heb het in dit of dat blad gelezen,’ genade is er niet, aanhooren moet ge het tot het einde.

Die groote slag, wat was 't? Kanonschot of ontploffing in de buurt? Het wordt weldra geweten: 't zijn de kolderschijven op de spoorlijn te Aelter, in de twintig kilometer van hier, die men doen springen heeft. De verbinding tusschen Oostende en Gent was aldus verbroken. Vier uren later was alles hersteld en reden de treinen opnieuw.

Heel het belgisch grondgebied ligt vol soldaten. Men beweert vijfhonderd duizend.

Alle wetten van krijgsrecht en menschenliefde worden overtreden, zoodra een onvoorzichtige of roekelooze weerstand biedt. Den 18 dezer zijn de legerbenden ten getalle van naar men berekent zeshonderd duizend man uren en uren lang, op breede rijen Brussel doorgetrokken.

De burgemeester Max was met het Schepencollege en raadsleden den staf te gemoet gegaan, bescherming voor de stad inroepend. Het antwoord - zegt men, luidde barsch met strenge strafbedreiging voor het minste vergrijp.

Het nieuws was verspreid, dat het ingevallen leger armoe leed. Ooggetuigen verzekeren, dat de troepen er goed toegerust en flink gezond uit zagen.

Hun houding in het algemeen moet aanmatigend-trotsch gebiedend zijn geweest. Sommigen zongen: ‘Heimat, heimat’, en van ‘Wiedersehn’, ook ‘Die wacht am Rhein’.+

Nog 24 Augustus, omtrent den avond.

Honderden en honderden fietsers komen de stad Gent ingevlucht uit de richting van Quatrecht, een dorp gelegen op de spoorlijn van hier naar Brussel. Ze melden, dat een groep Uhlanen, op verkenning uit, aldaar door belgische soldaten aangevallen zijn, sommigen zelfs neerge-

[p. 57]

schoten en dat zij de overblijvende dorpsbewoners als borstweer voor hun paarden hebben gesteld en hoeven in brand gestoken.

Zou zoo iets waar wezen, of heeft de angst hun geesten verbijsterd en hen als verschuwde hazen opgejaagd?...

Er zijn heel veel gendarmen uit alle gouwen hier aangekomen; want de politie zou machteloos zijn om de orde te handhaven, moest het gespuis opstand doen.

De burgerwacht is sinds eenige dagen ontwapend op hooger bevel - ook de wapens der burgers zijn ingediend en berusten in 't Gravenkasteel...

De gevluchten van Quatrecht en omstreken zijn heden door tal van beschermende gendarmen te paarde voorop naar hun haardsteden zacht teruggedrongen.

De schrik zal ongegrond of overdreven zijn geweest.

25 Augustus, 's avonds.

Het is niet ginder alleen, dat angst voor zelfbehoud de+ harten beneep. Op heel de lijn tusschen Kortrijk en Gent was het een ontredderde bende voortvluchtigen.

Langs de vaart van Deinze naar Schipdonck kwamen in wolken van stof wagens, karren, kruiwagens, chaisen aan; fietsen na fietsen en, trager volgend, jammerlijke hoopen te voet, sommigen zonder schoenen, of hun klompen in de hand dragend.

Een lange priester met iets in een rood zakdoek geknoopt, schrijdt, zichtbaar den stap vertragend, voort naast een korten, zwaarlijvigen heer, rood blakend in de heete zon, en die nauwelijks voortgeraakt. Ongetwijfeld zal dat de burgemeester zijner parochie zijn.

Anderen zijn blootshoofds, in hun hemdsmouwen, met een brood onder den arm of een stuk gerookt vleesch half in een papier gewikkeld. Vuil van zweet en zand draafden die rampzaligen aan; weinig vrouwen of kinderen onder hen.

En wie het geluk had er een voor een oogenblik in de vlucht te sluiten, vernam onsamenhangend het volgende: ‘Deynze en Petegem staan in brand! Brand overal!’ De Uhlanen waren daar of ginder te zien geweest. Ze roofden, wat ze konden, schoten de mannen omver, slachtten het vee. Aan vrouwen en kinders deden ze geen kwaad.

Ooggetuigen vertellen, dat ze te Schelderode meisjes over den stroom hebben zien zwemmen. En alzoo leert men, dat er onder onze boerinnetjes meisjes zijn, die zwemmen kunnen!...

[p. 58]

Met de ellebogen, met de vuisten worstelden kloeke mannen om de zwakkeren met geweld vooruit te streven. Sommigen strompelden, vielen, krauwden zich weder te been. Een drietal kinderen werden door fietsers overreden.

Te Aalter, te Waeregem, te Deinze, te Gothem, te Grammene, te Aalst, te Ninove, waren ook de geruchten verspreid, dat een kolossaal leger in aantocht was, dat alom de weerbare mannen van achttien tot zestig jaar werden opgeëischt en voorop moesten marcheeren om den vijand tot dekschild te dienen.

Zelfs daar, op plaatsen, welke dus niet op den weg lagen van dat doortrekkend heer, was de onberedeneerde schrik zoo groot, dat er zich in droge grachten verscholen, op den kerktoren vluchtten, in de widauw - teenbeplantingen - kropen en schuil zochten in de voren van het akkerland. Te Drongen joeg een pachter, zinsverbijsterd, al zijn koeien uit de stallen en de varkens uit hun kotten. En daar - te Drongen - sliepen dien nacht meer dan vierhonderd menschen onder den blooten hemel...

En dat was alles niets anders dan het afgrijzen der verstoorde verbeelding geweest. Geen hunner had Uhlanen gezien, of zelfs geen patrouilles op verkenning uit ontmoet. En nu zijn die beroerde horden in hun onbeschadigde haardsteden teruggekeerd.

Woensdag 26 Augustus.

Berichten van gesneuvelden komen officieël aan. Schaarsch zijn ze echter, vele namen - zegt men - worden verzwegen om het volk niet te verontrusten.

Onder degenen, die het eerst vielen, is de kapitein-commandant uit mijn straat, die bij het heengaan - was het een voorgevoel? - zoo luide riep: ‘Adieu, adieu à vous tous,’ en niet ‘au revoir!’

En dat doet levendiger denken aan hen van wie geen bericht komt.

Ik ga bij een vriendin, die een schoonzoon - luitenant bij 't vierde lansiers - in het leger heeft.

‘Nieuws?’ vraag ik aarzelend, bevreesd voor het antwoord.

‘Niets,’ zegt ze, ‘niets,’ hoofdschuddend, en een pooze stilte volgt.

Het is nu twee weken, dat haar dochter de laatste postkaart kreeg. Hij schreef haar anders alle dagen. ‘Zulk een gelukkig huwelijk!...’

‘Correspondences komen moeielijk en met vertraging toe,’ poog ik te bemoedigen.

‘Hij zal dood zijn... hij zal voorzeker dood zijn,’ murmelt ze. En toen:

[p. 59]

‘Ge moest mijn meisje zien: ze spreekt niet, ze klaagt niet; ze zit daar als wezenloos voor zich in de leemte te staren, een echt jammerbeeld.’

In fantazij ga ik drie jaar achteruit: wij waren op het buiten van mijn gastvrouw, hadden er gedineerd. Nu zaten we op het grasplein, een heel gezelschap, in kring geschaard.

Hij was er ook: een flinke luitenant, Waal van geboorte. Het meisje, weldra zijn verloofde, had bij het uittreden van het huis wat gedraald met hem.

De beiden wandelden langs de kromme parkpaden niet verre van ons. Ik zie ze nog: hij in het blauwachtig grijs, met de goud- en zilveren tresversiersels boven den diepblauwen omslag van zijn mouwen - de kleur van 't vierde regiment lansiers - met de rechte zwarte streep langs zijn broek, die broek berekend voor het paardrijden, nagenoeg de helft beslagen met zwart leder, dat bij elken stap in eigenaardige, stijve plooien optrok met kleine kraakjes, begeleid door een rinkeling van sporen en degen.

Zij rank, heel in 't rose, met zichtbare overgave van gansch haar wezen, glorievol van geluk, glimlachend naar hem opkijkend...

Plichtshalve moest hij vroeg afscheid nemen.

Weldra verscheen zijn ordonnans met een à la flèche bespannen rijtuig.+ De paarden blonken in de zon.

Hij kwam buigend ons aller handen drukken, wipte op den bok, en heenrijdend met de teugels vast, sloeg hij, omkijkend, nog eens aan met den ernst des soldaats en den diep-zelfbewusten, tragen zwier van den hoog-beschaafde.

In een oogwenk was heel dat tooneel voor mij opgestaan.

Een geweldige belklank die heel het huis dreunen en ons sidderen doet... en kort daarop stormt de dochter binnen, een jonge, slanke figuur. Ze is bloedrood, nat bekreten, de blonde haren kroesen verwilderd uit het klein hoedje en:

‘Mama, mama,’ krijt ze als waanzinnig, terwijl ze de armen om haar moeders hals slaat, ‘mama, gered, hij leeft!’

En wij verademen, en ietwat tot bedaren gekomen, vertelt ze, steeds zenuwachtig bevend, dat ze het nieuws heeft van een zijner kameraden, die naast hem stond in den strijd tusschen Diest en Jodoigne; dat zijn paard onder hem was doodgeschoten, dat hij, gevallen, licht bezeerd zich met de terugwijkenden niet redden kon en krijgsgevangen werd genomen. En de twee vrouwen lachen elkander verrukt aan bij de nochtans zoo zorgwekkende tijding, dat hun dierbare niet gesneuveld, dat hij enkel in 's+ vijands macht is!

[p. 60]

‘Weet gij wel, dames, wat het beteekent krijgsgevangene in Duitschland te zijn?’ Met gruwel dacht ik het, maar sprak geen woord.

 

In den zomer van het jaar 1888 verbleef ik eens te Lingen in het voormalig koninkrijk Hannover dat sinds 1866 op briefadressen en officieële papieren Provinz Hannover heeten moet: iets waarover de Duitschers zich niet beklagen en zelfs fier zijn: op ‘die Einheit und die Grösse Deutschlands.’

Tusschen de stad en de brug over de Ems, die daar reeds breed is, niet verre meer van hare monding in den Dollart loopt een soort van lange dijkweg met reeksen hooge boomen. Beneden dien weg liggen uigestrekte, malschgroene weiden.

Op een regenachtige dag, tegen den avond, wandelde ik eens met mijn gastvrouw, tevens mijn nicht, langs dien dijk. Boven een lage, gele streep van klaarte hingen in 't Westen zware, zwarte wolken en aan onze linkerhand dreef over de weide een wollig, grijsachtig nevelfloers. Er lag iets van weemoed zonder oorzaak over ons. - Wie kent niet die onbepaald-neerslachtige stemming, welk een sombere, windlooze avond teweegbrengen kan?

Achteloos waarden mijn blikken over die dieper liggende verten, waar lucht en grond, wazig en kleurloos ineen versmolten...

‘Zie,’ zei ik, ‘dat heeft reeds iets herfstachtigs, het doet aan den naderenden winter denken.’

‘Herfst en winter,’ die woorden, sprak mijn gezellin, als tot haar zelve, ‘wat wekken ze, telkens ik hier voorbijga, herinneringen in mij op: dàar was het,’ en zij wees met de hand naar beneden, ‘na den veldslag van Sedan,+ dat duizenden fransche krijgsgevangenen gekampeerd waren.’

‘In die lage gronden, in die vochtigheid?’ vroeg ik ongeloovig.

Maar ze scheen mij niet te hooren.

‘Daar,’ zei ze nog eens, ‘in die weiden waren legerhutten opgebouwd, achter beschotten rondom heel dat uitgestrekt vierkant; en dàar leefden die rampzaligen maanden en maanden lang in koude, regen, mist, sneeuw en vorst; bij plaatsen lagen ze op den soppigen grond, gebrek lij-

[p. 61]

dend van allen aard. Ze werden streng bewaakt, achter slot ingesperd. Ze mochten er niet uit komen; geen onzer heeft ooit, tijdens hun verblijf alhier, een fransch soldaat gezien.

Weldra werd het geweten, dat hevige typhus achter die beschotten woedde, geen mensch, die nog - tenzij door de omstandigheden gedwongen - deze baan durfde betreden.

En al kregen wij de gevangenen nooit te bezien, toch zagen wij iets onvergetelijks van hen; want elken dag bij schemeruur trokken de naar 't graf gedragen kisten in lange... O zoo lange reeksen onze villa voorbij...’ en haar gelaat, steeds zoo opgewekt, was verbleekt en in haar verbijsterde blikken scheen nog het visioen van die akeligheden bewaard te zijn gebleven.

Het was een duitsche vouw, die dit verhaalde. Ze leeft nog, nu heeft ze zelve drie zonen in den strijd...

 

Op het kerkhof van dat bewust stedeken heeft het fransch Staatsbestuur een groote zuil laten oprichten ten aandenken der aldaar overleden strijders, waarop het aan de ‘très nombreux braves de France, morts pour la patrie,’ hulde brengt.

Donderdag 27 Augustus '14.

Het nieuws - ditmaal waarheid - wordt verspreid, dat vijf duizend Mechelaren uit die stad en hare omstreken, hier zijn aangekomen. In het Feestpaleis van 't Stadspark was het stroo nog voorhanden, dat gediend heeft tot slaping voor de vrijwilligers. Daar zijn de verschuwde benden geherbergd door de zorgen van 't Schepencollege.

Om kwart na drie nam ik de tram no 4, die rijdt over het Maria-Hendrikaplein naar 't nieuw station van Gent St. Pieters.+ Dat plein is uitgestrekt. Nu scheen het een meer van menschen. En terwijl de tram een tijdlang stopte, ten gevolge van ergens een hapering, liet ik mijn blikken er over waren. Nooit zag ik grooter armoe. Vergis ik mij, maar het komt treffend mij voor, dat een ellende als deze in Vlaanderen onmogelijk ware. Gent is een fabriekstad en bij het uitstroomen der poorten zijn alle arbeiders toch betrekkelijk fatsoenlijk aangedaan.

Zou Brabant zoo doodarm wezen? Het zijn toch niet allen bedelaren, die duizenden hier op het plein, en de duizenden, die in breed-golvenden menschenstroom langs de bochtige Albertlaan aankomen? Deze zijn begeleid door gendarmen, politiedienaars en leden van het Rood Kruis.

[p. 62]

Ze worden rechtstreeks naar het station gebracht tot verder vervoer; want waar zouden ze ruimte vinden om te liggen of te staan op het reeds overvolle hier.

Zij hebben pakken op den rug, pakken aan de hand, kabasjes, korven, ten minste de beter begoeden, want menigeen heeft niets te dragen.

Een mank meisje, aan den arm eener kloeke vrouw, tracht den stap der voortschrijdenden bij te houden. Ze doet aan een sprinkhaan denken. Aangezichten met grijze stoppelbaarden, bleeke, gerimpelde, verslagen van uitdrukking. Schier niets dan de hoofden is te zien, zoo dicht dringen de drommen voorwaarts.

Op het plein zelf hokken of staan menschen, een grauwe, bonte verzameling; een vrouw blootshoofds, met bloote voeten heeft niets aan dan een vuil, grijs kleed; voor haar staan drie jongetjes van ongeveer vijf, zeven en negen jaar, ook in 't bloote hoofd en barvoets. Een man houdt bestoven schoenen in de hand. Tusschen zijn teenen is het uitsproetend wegestof met bloed vermengd. Een knaapje - deelt de trambediende mede, het aanwijzend - dat zijn ouders in 't gedrang verloren heeft, schreit voortdurend zijn wee uit. Vrouwen met zuigelingen, met kinderen, aan de hand en kinderen, die nog niet geboren zijn, staan daar zonder hoofddeksel, zonder een doek op den rug.

Een stokoud ventje, scheefgewerkt, verschrompeld, met een kort, doorrookt pijpken tusschen wat hem van tanden overblijft, steunt op een regenscherm, het eenig door hem geredde stuk. Een zestal landmannen - zeker in 't midden van den veldarbeid door schrik aangetast, staan daar in groep, zonder andere kleedij dan een stroohoed, een hemd en een linnen broek. Ze spreken niet. Hun baard is ongeschoren. De oogen staren verdwaasd voor zich uit.

Enkele mannen houden hun hond in een touw.

Die dieren zijn verschrikt en trekken er aan of springen terzijde bij de minste beweging om hen heen. Een jonge man - uitgemagerd, ontvleesd - voorzeker een teringlijder - ligt afgemat op den grond met het hoofd tegen de knieën eener rechtstaande vrouw. Haar aangezicht is verlept; uit hare oogen rollen trage tranen, die ze met haar voorschoot afveegt. Hare rechterhand glijdt zacht streelend over zijn lokken.

Een paar kinderen hebben koeken gekregen en bijten gretig daarin, terwijl andere knapen, magnetisch aangetrokken, met hunkerende blikken toezien. Meer dan een klein meisje houdt een pop, moederlijk beschermd, tegen haar borstje gedrukt; andere hebben een wagentje, een houten paardje; éen heeft er een miniatuur-

[p. 63]

schaapje van witgeweeste, bezoedelde wol, gered. Nog een aait een kattejong. Een zestienjarige knaap draagt op den schouder een mand met druiven, terwijl een net werkmeisje naarstig aan een bleekblauwe sjerp staat te breien.

En over al die uit hun haardsteden verjaagden, met of zonder schoeisel, of zonder deksel op het hoofd, giet de augustuszon haar vinnige heete stralen uit.

En achter deze kleine afzonderlijke tafereeltjes, staat op 't uitgestrekte plein de ontzaglijke menschenmassa, waarvan de hoofden zijn als de aren op een tarweveld bij windstilte. Hier heerscht niet, het dof geronk, dat over een gedrongen menigte zweeft, maar de doodsche stilte der verslagenheid.

De tram kan eindelijk vertrekken. Traag, voorzichtig rijdt hij door het jammerlijk gedrang tot in de Clementinelaan en verder door het Park, waar schier geen levend wezen meer te zien is... En zij, die in dien tram zaten, stijgen af aan het oord hunner bestemming met bevende beenen, met beklemd hart en een visioen van menschennood en wereldramp, dat nooit in hun herinnering verkleuren zal...

Vrijdag 28 Augustus '14. 's morgens.

Bombardement van Mechelen.

Nieuwe treinladingen van dakloozen komen in Gent aan; ze zijn ten getalle van ongeveer tweeduizend: van Contich, Duffel, Lier en andere dorpen uit de provincie Antwerpen, er zijn er zelfs bij van Luik en Verviers. Allen worden in het Feestpaleis geherbergd: er was plaats: twaalf honderd Mechelaren hadden het heden verlaten, om naar Eecloo, zes honderd naar Adegem en twee honderd naar Maldegem gestuurd te worden.

Dat Feestpaleis is een hectare groot.

Kwart voor acht uur 's avonds.

Mijn weg voert over het stationsplein van Gent-St.-Pieters. Uit het gebouw is het een nieuwe uitbrokkeling van hulpzoekenden, die in lange reeksen de Albertlaan optrekken naar hun nachtverblijf. Dezelfde moedelooze gestalten, met dezelfde schijnende zakken op den rug; mannen met pakken beladen; sommigen gekromd onder den last; vrouwen en kinderen in overwegende meerderheid.

Is het de halve duisternis, de lantaarnschijn, die dat alles zoo spookachtig voorstelt?+

[p. 64]

Dinsdag 1 September '14 's morgens.+

Het mooiste weder van de wereld, zooals het overigens sedert dagen en dagen was. De stad loopt vol werkeloozen en uitwijkelingen. Schrik heeft zich van de bevolking meester gemaakt.

De kranten kondigen aan, dat de koningskinderen met de Jan Breydel naar Engeland zijn vertrokken.

's Avonds 8 uur.

Een stilhoudend rijtuig, een belklank. Het zijn vluchtelingen, vrienden van Mechelen, een kunstschilder en zijn vrouw.+ Ze hebben niets bij zich dan een klein valiesje. Ze vragen om een nacht te slapen hier.

‘Zeker, zeker, zoovele nachten als ge wilt.’

Een tweede belklank: de dochter, de kleindochter, de zoon, en voordat deze neerzitten, de schoonzoon met twee vreemde dames, allen dakloos... maar er zijn hotels in Gent.

Het eerste paar blijft hier. Ze zijn doodmoede, eten kunnen ze niet, maar ze drinken thee. Laat blijven wij op en ze vertellen:

Vier dagen geleden zijn ze uit Mechelen ontvlucht:

‘Gaat, gaat’, kwam hun de schoonzoon, een geneesheer en Volksvertegenwoordiger, in allerijl verwittigen, ‘de gekwetsten worden naar Antwerpen vervoerd. Ik zal wel een plaats voor u kunnen vinden in den trein. Haast u, haast u, over een klein half uur vertrekt hij, anders geen redding meer.’

Dat gebeurde tijdens het bombardement van de stad. Ze verzamelden, wat hun als 't hoognoodige onder de hand viel en ijlden de straat op; een vreeselijk schouwspel: verwonden in hun hemd, bleek, steenend of als wezenloos uit het hospitaal gedragen door ambulansiers; nieuwgekwetsten met verminkingen, bloedend, in gescheurde kleedij en verslagen aangezichten. ‘Laat mij achter, laat mij hier sterven,’ smeekte er een...

Toen ze te Antwerpen aankwamen was het zwarte nacht. Geen enkel licht in heel de groote stad. Het was akelig om het geslier der voeten te hooren van onzichtbare gedaanten, welke zich aan de muren en de vensterbanken vasthielden, zoekend-voortschrijdend, met een stok den bodem betastend om niet van het trottoir te sukkelen.

Hun doel was ver. Mijn bezoekers kenden den weg. Na wat dompelen in de

[p. 65]

duisternis en een paarmaal aan verkeerde bellen te hebben getrokken, kwamen ze terecht.

Het vriendenhuis werd ontsloten, met een reet, waar ze nauwelijks door konden; want elke lichtstraal te laten schijnen was streng verboden sedert het bommenwerpen uit zeppelins.

Gulheid, toewijding, de hoogste uiting van gastvrijheid, alles vonden ze er.

Helaas, na vier dagen kwam bevel, dat alle vreemdelingen Antwerpen verlaten moesten vóór 1 Sept. te middernacht.

Weder op de vlucht, weder in het onwetende, onbeschermde voortgezweept...

Aldus kwamen ze hier aan. Wat hadden ze niet doorgemaakt en gezien: het geharrewar aan 't station, het gedrang; de vechtpartijen voor eigen veiligheid; het worstelen om plaatsen in den trein te bemachtigen; het geschrei van kinderen, die hun ouders verloren hadden; het vloeken van wie een pak of een overjas kwijt was; de zwakken achteruitgestooten onmeedoogend door de krachtigen.

Wat er in Mechelen gebeurd is kan, zeiden ze, niet beschreven worden; in een stad van vijf en zeventig duizend inwoners zijn er nog een honderdtal gebleven. Alle huizen toe, vele in puin, de Lievevrouwekerk met de prachtige glasramen erg gehavend. Toch schijnen schilderijen gered; maar de miraculeuse vischvangst van Rubens is als een zeef+ doorschoten, bommen vlogen sissend door de lucht en ontploften, aan een bovenraam staande zagen zij er eene voorbijvliegen; een groote slag, een stofwolk hoog in de lucht opdwarrelend en nadat ze weg was, een groot gat in St. Rombautstoren, waardoor de klaarte scheen...

2 Sept. '14.

In het bijgebouw van het Palace Hotel, waar bedden voor gekwetsten staan, worden vluchtelingen opgenomen, die eenige middelen van bestaan bezitten: ze betalen vijfentwintig centimen voor een nacht. De dagbladen deelen lijsten uit der vermisten uit de geteisterde streken, benevens vragen om inlichtingen over verdwenen huisgenoten en familieleden.

Mijn vriend, de schilder, die hier logeert, is dagbladen gaan koopen.

Wij wachten op hem aan het noenmaal. Hij blijft weg...

De schel gaat over eindelijk. Daar is hij: ‘Ik kom wat laat’, ontschuldigt hij zich. ‘Daar kwam een heel lange reeks carabinieren voorbij. Ik moest wachten om den Steenweg over te steken.’ Hij heeft moeite om het te zeggen: zijn stem is onzeker... ‘er zijn jongens bij me aangezichten als van kinderen, zoo rond...’ en eensklaps snikt hij, terwijl een schok zijn lange gestalte en zijn hooge schouders doorloopt en ingehouden,

[p. 66]

met geweld doorbrekende tranen in zijn snor en zijn witten baard loopen.

Donderdag 3 Sept. 14

Dendermonde is gebombardeerd.

Achtduizend vluchtelingen verblijven in het Feestpaleis van het Stadspark; het menschdom in zijn beklagenswaardige ellende: een meer van nood, waarover een rumoer heerscht als het gedruisch der baren na stormweer. Een sterke reuk van iodoform, een ademlucht van schijnbaren nevel, maar eigenlijk een nevel van opgeruid stof. Een dikke laag stroo overal op den zandgrond, want geplaveid is hij niet; mannen, vrouwen, kinderen, daarop neergehurkt of nederliggend. Stoelen zijn omgekeerd, de leuning dient voor hoofdpeluw. Koud is het er geenszins, waterbuizen verwarmen.

Dat paleis is in vakken verdeeld: daar staat het theater, waar verleden herfst de Koning en de Koningin zaten, omringd van de ministers, de gouverneurs, de goudschitterende generaals, en daar beneden de mooigetooide dames en heeren in gala, met den vreugdelach op het gelaat, luisterend naar de redevoeringen, vol geestdrift bij het sluiten der wereldtentoonstelling...+ Nu zitten op dat verhoog duizenden hongerigen, die nog moeten gespijsd worden.

Reeksen tafels zijn er geplaatst, ieder voor tien personen.

Een groote spoelkom staat er op met twee dikke sneden tarwebrood er naast. De ellendelingen komen aanzitten. Meisjes in het wit met den haardekkenden sluier op het hoofd en het Rood Kruis op den arm, naderen met blikken emmers. Daaruit scheppen ze twee lepels soep in elke kom; onder deze dienaressen bevindt zich eene gravin - een ranke, mooie figuur. Wie verzadigd is, moet plaats maken voor de hongerigen en in een afgemaakt perk van 't gebouw of buiten gaan.

Op een hoog emphitheater zitten duizenden hun beurt af te wachten, daarboven heerscht een nog verhoogd geronk als van een reuzenbijenkorf.

In een afdeeling staat de gemalin van den gouverneur van Oostvlaanderen voor een tafel met houten schotels en wascht zuigflesschen uit.

Een ander vertrek hangt vol kleederen, linnen- en wollegoed, giften door het Stadsbestuur aangekocht ter uitdeeling. En terwijl degene, die de schifting bestuurt, een paar uren was gaan rusten, zijn stadgenooten met bedrog daarbinnen weten te dringen en hebben, als vreemdelingen zich aanstellend, kleederen afgetroggeld.

Een andere zaal op de bovenverdieping is tot ziekenverblijf ingericht, daar staan een tiental bedden zonder lakens, zonder dekens. Dezen nacht heeft

[p. 67]

er een geboorte plaats gehad, de vrouw en het kind zijn naar het moederhuis vervoerd geworden.

In een der bedden ligt een samengerolde gestalte, heel gekleed, het hoofd is omwonden met een doek, waaronder er ijs uitsmelt. De oogen zelve zijn bedekt. Wat van 't gelaat te zien is, gloeit, dik, hoogrood. Geen enkele beweging, geen zichtbare adem duidt aan, dat hier nog leven is.

‘Wat heeft ze?’ gevraagd aan een oppasster, die even voorbijgaat.

‘Een zonneslag.’

En ge begrijpt niet, dat er slechts eene is, die lijdt aan een zonnesteek, als ge bedenkt hoevelen er liepen in het bloote hoofd.

In het bed daarnaast, ook een smal ijzeren, ligt een jonge vrouw.

Ze kwam hier gisteren aan met een kindje van twee dagen oud.

Ze schijnt te sluimeren.

Haar haren, pikzwart, kleven op haar voorhoofd. Ik bevoel hare hand, die heel klam is.

‘Laat ze gerust,’ zegt de oppasster van 't Rood Kruis.

Ze schiet wakker met groote oogen van verwondering rondkijkend... en ze glimlacht op eene der dames:

‘Indien ik maar het leven behouden kan,’ lispt ze.

‘Zeker, zeker.’

‘Nu ben ik gerust, het is gedoopt... het was nog niet gedoopt,’ herneemt ze, zich tot mij wendend, gissend dat ik onbekend ben met den toestand.

En een infirmière vertelt mij, dat ze bestendig bekommerd was met dat doopsel, totdat heden raad werd geschaft: er zou een pastoor gehaald worden, een dame - de vertelster zelve, zou meter wezen. En juist als een hulp van de Voorzienigheid trad een priester de zaal binnen. Hij was van Mechelen als zij. Hij kwam zijn parochianen bezoeken.

Onverwijld werd het kind bij haar ledikant gedoopt: ‘Mijn man heeft gezeid, dat, indien het een jongen was, hij Arthur moest heeten,’ bedong ze. ‘Goed zoo, vrouw’.

De meter voegde er de naam van Edmond bij, ter herinnering aan iemand, die haar dierbaar was. De eerste beste bijgeroepen vluchteling was peter.

‘De vader en het ander kind - een meisje - zijn spoorloos verdwenen,’ fluistert de meter, ‘die vrouw weet het niet, we hebben haar wijsgemaakt, dat ze in veiligheid zijn aan de zee. Wilt gij het kind eens zien?’

‘Ja, zeker.’

Wij doorkruisen een paar van de immense zalen en op het uiteinde van een breede gang, die dood uitloopt, voor tocht behoed, staat een oud, gekregen, vermolmd wiegje, en in dat wiegje ligt Arthur-Edmond. Het is een prachtig, gezond kind, dat goed verzorgd, warm en rein toegedekt, rozig met de vuistjes tegen het aangezichtje slaapt. ‘Dat is mijn jongen,’ zegt schertsend de verpleegster, die zelve geen kinderen heeft.

[p. 68]

Wij keeren terug naar de ziekenkamer: hier en daar in een bed ligt een krank kind. Een dezer ziet er zoo levenloos uit, dat ik vraag: ‘Is het dood?’ ‘Nog niet,’ luidt het antwoord.

Onder de vluchtelingen uit Mechelen kwam ook een vier en twintigjarig meisje aan, heel krank. Zij woonde in bij een getrouwde zuster. Deze verliet ijlings haar huis met heel de familie, want een bom had het dak ingeslagen. De zieke kon niet mede zoo vlug. Ze sukkelde tot bij een dokter in de buurt. Ze had een pakje bij zich. Daar viel ze op de bank in de voorzaal, wilde spreken, doch kon niet, steeds met de hand hare keel aanwijzend. De huisdame gaf haar wijn met een ei in geklutst, het hoofd der arme tegen hare borst houdend:

‘Hospitaal,’ murmelde de mond, zoodra hij een klank uitbrengen kon...

Daar kraakte de sleutel van den thuiskomenden dokter in het slot: ‘Hospitaal, hospitaal,’ ging het weder.

‘Ja, zeker, hospitaal,’ zei hij, zijn vrouw veelbeduidend aankijkend, ‘spoedig, spoedig, hospitaal.’

Hij schreef een briefje: ‘Laatste periode van tering’ fluisterde hij in 't Fransch aan het oor zijner vrouw.

En de ellendige, met haar briefje en het pakje onder den arm strompelde voort.

De beiden - dokter en vrouw - moesten ook korts daarop wegvluchten. In Gent vernamen zij bij toeval, dat de ongelukkige denzelfden dag nog uit het hospitaal van Mechelen met al de zieken was verbannen. Denzelfden nacht stierf ze hier in de Bijloke (Stadsgasthuis). Toen de non, die haar verzorgd had, het meegebracht pakje opende, vond ze daarin een splinternieuw kleed...

Er komt een moeder met haar dochter aan. Zij dragen een mand, elk aan een handvat. Het meisje kan niet verder, valt op den eersten stoel aan den ingang neer.

De moeder jammert en spreekt onverstaanbare woorden. Het meisje krijgt een zenuwcrisis, slaat het hoofd heen en weer; sidderingen doorloopen hare schouders, tevens schreit ze luid.

Liefderijke dameshanden dragen haar boven de breede trap in de infirmerie. Ze wordt ontkleed en met half ontbloote borst en bloote armen leggen ze haar op een ledikant. Steeds huilt ze voort. Proppen hofman,+ onder den neus gehouden, brengen kalmeering.

‘Wij hadden een eigen huisje,’ weeklaagt de moeder, ‘lang er voor gespaard; want wij zijn geen arme menschen. Wij kwamen heel goed aan ons brood. Alles kwijt, alles verbeurd...’ en dan bekommert ze zich met

[p. 69]

den korf van het geredde.

‘Wees maar gerust, de boy scouts waken er over. Vrees niet, ge zult alles later door de Duitschers betaald worden, en in afwachting+ zorgen wij goed voor u,’ aldus worden de beiden door de omstaande getroost.

Koffie wordt beneden aan sommige tafels uitgeschonken en ik vraag aan enkelen: ‘Vanwaar zijt ge?’

Van Aalst - van Mechelen, allemaal van ginder. En een verhaalt: ‘Ik kwam uit de kerk, toen de eerste bom viel.

Ze sloeg een gat in den grond, waarin een man hadde kunnen recht staan.’ Hier een vrouw met een opdrachtig+, zacht aangezicht en roode oogen - ze heeft twee dochters met zich, sierlijk als juffertjes aangekleed; de eene verroert geen lid; de andere, de jongste, zit bij een groen kinderwagentje, dat ze onophoudelijk met geweld heen en weer schommelt, ofschoon het kindje slaapt, dat er in ligt. Ze bemerkt het niet en uit haar strakke blikken spreekt weder de als versteende schrik van het onvergeetbare, onlangs daarin opgenomene.

Hier en daar zit een dame, die voorzeker niet tot de volksklas behoort met deze drie tusschen de onbemiddelden.

‘Ik ben dezen morgen gevlucht,’ zegt er eene, sterk, mooi, zwartharig, een echt beeldhouwersmodel om te poseeren als symbool van de kracht in nood, ‘gevlucht met mijn twee jongens’ - ze zitten daar ook en wachten tot de koffie wordt gebracht om gulzig in hun brood te bijten. ‘Heel den nacht bleven we verstopt in den kelder, mijn man is in 't leger, ik krijg geen nieuws van hem. Tegen onzent lagen dooden, hier drie, ginder twee. De eene had een groot hol in den buik, waaruit de ingewanden gerold waren. De andere had voor aangezicht niets anders meer dan een klomp vleesch, twee vuisten groot.’

Een jong meisje zit aan een tafel, achterover leunend tegen een kussen, door liefderijke moederhand voor haar in den warboel van 't ontvluchten toch nog medegenomen. Zij houdt de hand van 't meisje vast op haar knieën. Dit kind is uitgemergeld, bleek, met glansrijke+ oogen. De dood zal zich weldra+ over haar ontfermen.

Een stokoud vrouwtje, als een klein gekleed geraamte, wordt binnengevoerd op een miniatuurkruiwagentje, ‘karleveitje’ genoemd, van zulke soort die vroeger dienst deden tot het uitvoeren van zand of slijk bij het delven van+ putten of het uitdiepen van een vaart.

In de zaal der bejaarde vrouwen zitten er voor nette ijzeren bedden, heel wit gedekt. Een kaartje hangt boven elk: ‘Blind, 79 jaar oud, Mechelen,’ met een naam er bij, ‘92 jaar oud, lam, Aalst.’

In een hoekje ontwaar ik er eene gansch afgezonderd. Wij moeten ze toch ook een woord van troost toespreken; ze doet geen enkele beweging. Hare zeer klare blauwe oogen als van gekleurd glas, zijn op mij gevestigd zonder verpinken van het lid.

‘Aveugle,’ zegt een in 't wit gekleede infirmière, ‘44 jaar oud,’ staat er op 't houten bordje:

‘Ik

[p. 70]

zie u niet, maar ik hoor u toch,’ spreekt ze.

‘Hoe zijt gij hier geraakt?’

‘Al mijn eigen volk (huisgenooten) is verloren geloopen. Een gebuur heeft mij een eind ver uit den brand van ons huis gedragen. De gensters vielen op mijn handen’ - en ze steekt die uit met roode vlekjes er op - ‘toen hebben twee anderen mij uren lang tot hier geleid. Ik ben zoo moe,’ zucht ze.

Een daarnaast bij een bed zittende zwaarlijvige, snokt en schreit luidkeels - 't Is de eerste maal, dat ik in al die rampen schreien zie: ‘Ik heb op stroo geslapen, ik ben heel stijf, een geschot - het spit in den rug - aie, aie, aie,’ jammert ze, bij iedere zenuwachtige beweging harer ronde schouders.

Deze is de beste er aan toe, zij bezit den troost dien luidverkondigd deerniswaardig lijden met zich voert.

‘Gemeene droefheid kermt, maar al te diepe zeer
En vindt geen open mond, geen klacht geen tranen meer,’
zegt Cats.+

Terwijl ik mij in de groote zaal gelijkvloers een poos terugtrek uit het hartsbeklemmend gewoel, tusschen de tafels en mijn blik laat waren over dat tafereel van menschelijken rampspoed tot den+ hoogsten graad gedreven, dringt een zeer jonge, lieve ziekendienster, heel in 't wit, met den linnen hoofdsluier over den rug, zich naar mij toe. Zij steekt familiaar-minzaam haar arm onder den mijnen en troont mij mede door 't gedrang: ‘Kom, kom, ginder in dien verren hoek zijn nog goede plaatsjes te verkrijgen, ik ken ze. Een warme kom koffie zal u verkwikken, en vannacht,’ belooft ze, ‘een dikken bundel versch stroo met een warme deken.’

Op dit oogenblik nadert de bloesemige, glimlachende, nog jeugdige vrouw van senator de L. en spreekt mij aan. Zij ook is dienstmaagd der armen en houdt een koffiekan in de hand: ‘Zoo bevriend?’ vraagt ze, wat verwonderd, het hulpvaardige meisje met den blik aanduidend.

‘Toch niet’, moet ik wel antwoorden, ‘onbekend zijn we aan elkander, maar mejuffrouw is heel lief met mij geweest.’

‘Mejuffrouw B., dochter van den majoor, - hij ook is in den krijg - stelt de blozende, vroolijke haar voor.

‘Pardon,’ zegt het meisje, heel beteuterd, met een beschaamden, bijna schuwen+, berouwvollen blik op mij. Ik doe als niets van de vergissing begrepen hebbend en druk de beiden hartelijk de hand:

‘Ge zijt allen zoo bewonderenswaardig, dames,’ kan ik niet nalaten te zeggen.

De dakloozen vertellen, dat te Rotselaar bij Leuven de bevolking saam-

[p. 71]

getrommeld was. De mannen werden op de dorpplaats aan den eenen, de vrouwen aan den anderen kant geplaatst: ‘Vlucht, vlucht!’ klonk het bevel tot deze, wat ze deden onverwijld. Ze hoorden wat verder een vervaarlijk schot... Gold het hun echtgenooten, hun zonen, hun broeders? - Mysterie.

Menschen stierven op den trein; lammen en kranken waren achtergelaten, in het veld gevlucht en niet meer teruggekomen.

In Leuven stonden de belgische soldaten tegen de muren achteruitgedrongen. De vijand gaf zich de moeite niet meer ze omver te schieten. Ze werden met geweerkolven afgemaakt, ook degenen, die de armen omhoogstekend zich overgaven, werden onbarmhartig gedood.

4 Sept.

Dendermonde wordt gebombardeerd.

Maandag 7 sept. '14.

De schilder, die te mijnent is ingevlucht, maakt mijn portret in olieverf.+ Kalm zat hij als immer aan het werk. Op een gegeven oogenblik, kijkt hij op: ‘Hoort ge dat? Kanongeweld, niet heel verre, waar mag het wezen?...’

Gissen kunnen wij het niet en, zonder verpoozen, arbeidt hij voort - heel aan zijn taak en ik evenzoo - want poseeren is ook een arbeid en geen kleine nog.

Vervaarlijk woedde nu het wild rumoer...

‘Als het portret heelemaal klaar is,’ zei zijn vrouw, die binnengekomen was, ‘moet ge er op zetten: “Gemaakt onder begeleiding van krijgsgedonder.”’

Dat zal gedaan worden.

's Nachts hooren wij wel eens een Taube,+ ook een zeppelin. Wij kennen reeds goed het verschillend gerucht k r r r en het hoe, hoe, hoe, trager en zwaarder. Een vroege bom viel op twee honderd meter van mijn huis.

Dinsdag, 8 September.

Groot alarm. Er was bericht gekomen van Generaal von Boehn+, die met zijn leger te Oordegem - eenige uren van hier - campeert, comman-

[p. 72]

dant der troepen voor Gent tevens, dat de minste daad tegen de Duitschers bij hun intrede gepleegd, zou bestraft worden met het bombardement en het razeeren der stad. De Burgemeester werd naar Oordegem ontboden en het gevolg van 't onderhoud was, dat mits het requeereeren van: Benzine, watte: 10 rollen van 40 meter, haver, 100 velos, 10 motors, sigaren, enz. geen aanval geschieden zou. Van lieverlede aangenomen. Bijna terzelfder tijd was een auto door Gent gereden en een belgisch officier van adel had er op geschoten en een inzittenden officier gekwetst.

Nieuwe opschudding.

De Burgemeester moet weder naar Oordegem en door zijn wijs beleid wordt de stad nogmaals gered.

Het gevaar bestaat hier meest voor de houding der bevolking. De geesten zijn vinnig opgewonden. De werklieden - een dertigtal - stonden gisteren gereed aan den dok met revolvers in de hand om den vijand aan te randen, uit wraakzucht omdat Duitschers hen eens tijdens een werkstaking als nieuwaangeworvenen hadden vervangen.

Het is te Quatrecht en te Melle, dat er gisteren gevochten werd: huizen en hofsteden zijn in brand gestoken. Vele dooden. Och, het waren allen vrijwilligers van den belgischen kant.

Woensdag, 9 Sept.

Om acht uur des morgen nemen mijn logee en ik den tram, die ons naar 't Arsenaal brengt, vanwaar wij naar Melle zullen rijden. Op heel den doortocht der stad staan achter de ramen gele plakkaten met: ‘Leve onze burgemeester’!

Een stroom van menschen trekt in onze richting, te voet, per fiets, enkelen in voertuigen.

Aan het Arsenaal krioelt een ontelbare menigte. De stoomtram van Melle komt ledig aan en wordt letterlijk bestormd. Wij worstelen ons naar binnen en zien de bedrukte aangezichten van de achterblijvenden, die op een nieuwen tram - een half uur later - wachten moeten.

Langs weerskanten van den breeden heerweg serren, niets dan zilver blinkend glas: die streek is meest door bloemenkweekers bewoond. Deze serren zijn afgewisseld door velden van begonia 's, minder uitgestrekt dan de hyacinthen en tulpen-velden tusschen Leiden en Haarlem, maar rijker, schitterender van kleur.

En denken, dat het van een gril van generaal von Boehn+ afgehangen heeft om hier alles aan stuk te doen slaan en te vertrappen!...

[p. 73]

Op het eigenlijk dorp van Melle is geen verwoesting gepleegd. Een vernield portiershuisje aan den zij-ingang van het vermaard jongenspensionaat is het eerste van dien aard: het dak ligt heel in kleine stukjes+ pannengruis; de nog rechtstaande gevelmuur is zwartberookt. Het gesticht zelf heeft geen schade geleden.

Ietwat verder begint het deerniswaardig tooneel: twaalf werkmanshuizen, ten gronde verdelgd; geen spoor van schrijnwerk, geen splinter van ramen of deuren meer te vinden; gruis daarbinnen op wat de vloeren zijn geweest; berookte muren en het zonderlingste van al: de twaalf gevels ongeschonden met de twaalf schoorsteenen er op.

Verscheidene straatboomen dragen sporen van kogels. Een is zoo doorschoten, dat ge door den stam het omliggende als in een kijkkast ziet.

Vrouwen, mannen en kinderen staan op den steenweg met schaaltjes en blikjes, die voor ingelegde groenten hebben gediend. Luide schudden zij het gekregen geld op. Het regent centen en nikkelstukjes daarin.

Wij volgen den menschendrang in de richting van Quatrecht: vier vernielde woningen: van de berookte gevels af waaien ranken, waarop dezen zelfden morgen fluweelkleurige convolvuluskelken moedig zijn opengegaan.

Opnieuw dertien ingestorte huizen, en hier ook al de gevels rechtgebleven, uitgebrokkeld deels. En in het midden van nog andere platgeschoten gebouwen een onbeschadigd huis met het opschrift ‘Pianos’, ook een herberg, geëerbiedigd.

Daaruit schoten de Duitschers op het volk. En als een gruwzame schimp van het toeval een herberg waar, boven een gat, dat de ingang was, nog te lezen staat à... a... elle... ue. Deze Belle Vue staat naast een boerderij ten gronde afgebrand; de ruime stallen zijn niets anders meer dan telkens vier naakte muren. Aan een dezer, elk op een gemetseld hok, zitten twee heel groote honden aan ketens vast. Maar ze hebben niets meer te bewaken. Ze kijken naar de bezoekers zonder blaffen met openhangende kinnebak, verbijsterd en verbaasd door al het vreemdsoortige om hen heen.

Een reuk van verzenging heerscht over heel de streek. Puinen rooken nog. Buiten den afgebranden boomgaard hebben hooi- en korenschelven gestaan: stroo slingert overal en de naarstige bewoners werken vlijtig om het nog te redden en in een tas saam te rakelen.

Het regent een beetje. Hier is een gewezen klaverveld. De grond is nat en glad van de afgevreten stengels, want paarden hebben alleen de bloemen en de bladeren gegeten.

Ginder, nogal verre over een platgetrappelde weide, dicht bij den hoogen weg, waarover de treinen rijden, staat een groep menschen en gaan vele menschen heen. Twee duitsche officieren liggen er begraven.

[p. 74]

De een was colonel: zij kwamen te paard van onder het viaduct, toen een kogel hen neervelde. Ze liggen onder dezelfde terp, waarop de soldaten van hun troep plaggen gras hebben aangebracht. Een houten kruis, uit twee ongeschaafde plankjes saamgesteld, staat er op; ook een kleiner kruis, met den achterkant naar 't eerste toegewend. In de nabijheid van die grafstede is een boerderij met een tuin en daaruit hebben vrome krijgershanden hortensias met langse stengels afgesneden en op het graf van hun gebieders neergelegd. Een zestal staken met ijzerdraad omwonden, en een tweede borstwering van prikdraad beschermen het tegen vertrappeling.

 

Ik wil weten, wat er geworden is van twee mijner vriendinnen, welke Melle bewonen. Ik bel aan de groote poort der eene. Ze gaat niet over. Een dame in rouwgewaad komt voorbij: ‘De juffrouw zal bang wezen en verboden hebben open te doen. De bus is toegenageld. Indien ge haar schrijven wilt, zal ik haar de boodschap eigenhandig bestellen.’ Ze geeft een potlood en haar kaartje, met een hoog adellijken naam en wacht, en op den vensterrand+, als lessenaar gebruikt, schrijf ik een paar regels.

‘En Mevrouw X,’, vraag ik, ‘leeft die nog?’

‘Ja zeker, dezen morgen heb ik ze gezien in den lijkdienst van twee doodgeschoten kinderen.’

En zoo ben ik gerust. Ze woont te ver en wij zijn te moe om ze op te zoeken.

Groote woeling aan den tram. Dappere strijd om er op te geraken.

Ik zie niets er binnen dan vluchtelingen. En... de oogen van die menschen! Tevergeefs zoek ik woorden om ze te beschrijven: de kleur telt niet meer mede, de uitdrukking zegt alles. Er ligt iets in van de vrome onderwerping der martelaren. De blik is tevens weifelend en star: het oog ziet niet meer het stoffelijk-zichtbare; maar 't verschrikkend geziene blijft er onverdrijfbaar ingeprent.

Rechtover mij zit een werkvrouw met een energiek voorkomen, bruingebrand van de zon, in het bloote hoofd, dat begint te grijzen en bloote bruine voorarmen; een pak ligt achter haar; een mand staat hinderend tusschen ons en op die mand - heel vol - ligt een hondejong.

Het trekt de aandacht en ze vertelt - een man aanwijzend die op de voorplaat in den dichten drom staat met een langharigen hond in den arm - dat ze van Leuven zijn, reeds drie weken op den dompel.+ Vóor het bombardement vertrokken lieden - menschen bij wie ze werkvrouw was - en ze besteedden dien hond te hunnent. Mevrouw

[p. 75]

bracht hem: ‘Ja, mevrouw, ik zal er voor zorgen als voor een eigen kind. En ik houd woord’ zegt ze vastberaden. Hij heeft sedert jongskens gehad. Wij hebben er hem éen gelaten voor zijn eigen wel.’

‘En de meesters?’

‘Die zijn nergens te vinden. Nu vertrekken wij daarmee naar Engeland.’

Een boerenjuffer zit naast mij: ‘Ook vluchtelinge?’

‘Ja, maar hier van Melle, 't is te zeggen van tusschen Melle en Gentrode. Daar is het erg toegegaan. Het huis naast onze hofstede is beschoten en afgebrand.’

‘En gij zelve zijt er ongedeerd uitgekomen? Kunt ge zoo uw hofstede en uw beesten verlaten?’

‘Het mannevolk blijft thuis, die hebben een velo om te vluchten als 't nood doet.’

‘Ge hebt zeker een goed gebed gelezen (gebeden), toen dat schieten zoo aan den gang ging?’ vraag ik, getroffen door de welmeenend-godvreezende uitdrukking van haar reeds ietwat verouderd gelaat.

Zij schudt het hoofd nadenkend en traag:

‘Wij hebben niet gelezen, niemand zou dat kunnen in zulk geval; ne mensch en peinst alstoen op niets anders dan om zijn leven te redden. Wie het niet heeft bijgewoond en kan het zich niet voorstellen... Naast onzent woont Blundaert, de slachter, - ge kent hem misschien?’ vraagt ze naiëvelijk, met hare zonderlinge oogen mij aankijkend.

Ik schud van neen.

‘Toch wel van hooren spreken?’

‘Zeker, zeker,’ antwoord ik om ze niet te storen in haar verhaal, en ze vervolgt: ‘Een van zijn zoons - Staaf - zat in den kelder gevlucht. Hij stak het hoofd boven de trappen en hij viel dood van een geweerschot; de tweede, Jan, die achter hem stond, wilde vluchten over den bogaard, maar in één, twee, drie lag hij ook neergeveld, zijn voet was af; maar hij was niet dood. Een van de Uhlanen doorstak hem met zijn lans. Ik zag het van uit ons ovenbuur. Ze zat zoo diep, die lanse, door en door zijn lijf; de kerel had moeite om ze er wêer uit te krijgen.’

‘Ze zijn zeker alle twee hier op 't kerkhof begraven?’

‘Neen, daar loopen ze niet achter. Daar stond een spaa, ze maakten een put onder 'nen appelaar en smeten er hen nog warm in. Hij die de spaa had, vulde dun put; ze schopten er nog wat aarde bij en ze legden den afgeschoten voet met den schoen aan er bovenop.

[p. 76]

Donderdag, 10 September.

Het is stikkend heet. Felle zonneschijn. In het Stadspark, dat ik doorkruis, zitten op alle banken voortgevluchten, vrouwen met zuigelingen op den schoot; elders een man met het hoofd gebogen en de handen op de knieën gekruist, omringd van vijf kinderen, waarvan het kleinste nauwelijks alleen loopen kan. Een jonge werkvrouw breit+ aan een nieuwopgezette kous.

Het klinkt zoo ongewoon, de vreemde, vlaamsche streekspraken hier zoo verschillend en algemeen door al die menschen te hooren gebruiken.

Dicht bij den vijver ligt een groote waterplas in 't midden van een breede laan. Hoe die daar komt is onbegrijpelijk in deze kraakdroge atmosfeer. Maar de kinderen hebben zich daar niet over bekommerd en hem benuttigd dadelijk tot hun vermaak. Het is een doodarm hoopje, barvoets, blootshoofds; met volle handen grijpen ze zand en kiezel en ploffen ze het neder in het nat, zoodat dit in stralen opschiet; ze hebben veel pret, als er druppels op hun kameraadjes terecht komen. Luidruchtig is 't gejubel van die onzaligen, welke heden misschien nog over den grooten plas naar Engeland zullen moeten.

‘Waarheen?’ vraagt een politiedienaar aan een vrouw met een boersch voorkomen, die den weg schijnt te zoeken.

‘Naar Engeland, meneer.’

Wij zijn er niet aan gewend buitenlieden van een reis naar Engeland te hooren spreeken.

 

Verleden nacht om twee uur: ‘hoe, hoe, hoe!’ snorde het boven mijn huis. Ik stond op. Er was zilverwitte maneschijn. Niets was te zien, ondanks mijn leunen door het raam... en het hoe, hoe hoe verzwakte reeds en hield weldra op in de verte. Dat gerucht bleef onverdrijfbaar in mijn oor... het snorde halsstarrig voort.

Om vijf uur scheen het waarlijk werkelijkheid. Ja, aan alle deuren stonden menschen in de lucht te kijken. Het was dan toch geen zinsbedrog geweest. Een plof weerknalt en nog een... Waren het bommen of was het afweergeschut naar den zeppelin?

Ja, bommen zijn op de stad geworpen: een te St. Amandsberg, een andere op een paar honderd meters van mijn straat op een cementfabriek. Wonder, dat de knallen zoo licht waren!

De verkoop van sterke dranken is wettelijk verboden.

Het volk is woedend op de Duitschers, ondanks al de waarschuwingen van den Burgemeester kalm te blijven, geen gewelddaden tegen den indringer te wagen: ‘Laat ze maar komen,’ zeggen velen, de vuisten ballend, ‘wij zullen toonen, wie we zijn.’

Daardoor groote, misschien ongegronde vrees bij de stadgenooten.

[p. 77]

Een wisselaar zei mij: ‘Laat niets in uw brandkast op de Bank. Een bom kan een gebouw doen springen en gebeurt het niet, waarschijnlijk ontstaat er opstand na den oorlog, het eerste wat gebeurt, is het plunderen van de banken door het gepeupel.’

Anderen zeiden mij: ‘Draag en laat alles van waarde op de Bank. Het is veiliger dan thuis.’

Driemaal nam ik alles weg, driemaal droeg ik alles weder. Nu blijft het er voorgoed, wat er ook mede gebeuren moge. Sedert veertien dagen stond een groote valies gereed voor een mogelijke vlucht. Mijn logee zag ze bij toeval: ‘Niet practisch,’ zei ze, die ondervinding van ontvlieden heeft.

‘Met iets van dien omvang zoudt ge nooit geraken door ontstuimige scharen, die hun leven te redden zoeken.’

En nu staat een klein handzakje met niets dan het hoogstnoodige te wachten op een steeds te vreezen, gedwongen uitwijking.

Maandag 14 September.

Dezen avond wachtte ik aan een standplaats van den tram. De een na den ander is overbeladen, ik raak er niet op. Een armschijnende vrouw met een dertienjarig meisje staat schijnbaar ook te wachten naast mij:

‘Moet ge er ook op?’ vraag ik.

‘Neen, we staan hier om iets te doen,’ zegt ze.

Haar tongval klinkt vreemd.

‘Vluchtelingen?’

‘Ja, van Rotselaer bij Leuven. Ik ben hier in het klooster van den Nieuwenbosch met zeven kinderen, deze is de oudste, het kleinste is een jaar oud. Ik was bezig met de koeien drinken te geven en ik moest weg; zie zooals ge mij hier ziet in mijn werkkleeren. Leeft mijn man nog? Bestaat ons huis nog, waar is ons paard, wat is er gebeurd met onze zwijnen? Ik begin het zoo koud te krijgen,’ en ze doet mij voelen aan haar dunne mouw. Ik geef haar het adres op van 't Feestpaleis, waar ze misschien iets van kleedij zal kunnen krijgen, ook een zilverstukje aan het kind om iets in den naasten lekkernijwinkel te koopen; maar wat baat dat bij zulke ellende!

‘Zijt ge goed in 't klooster?’

‘O ja, wij slapen op stroo, wij krijgen koffie, brood en soep, wij krijgen troost en liefderijke hulp. Nooit, nooit, zullen wij vermogen de nonnekes te vergelden, wat ze voor ons doen. We kunnen niet anders dan bidden voor hen... Ik zal voor u ook bidden,’ belooft ze.

‘Ja, doe dat,’ zeg ik.

De tram komt aan. Ik kan er ditmaal op en, heenrijdend, zie ik de bedrukte staan in het lantaarnlicht aan den hoek der Violetten- en Tweebruggenstraat.

17 Sept. 14.

Heden om 6 uur 's morgens is de losbranding van verscheidene geweren bijna gelijktijdig te hooren... Een waalsch spioen, uit een der voorsteden van Luik:

[p. 78]

Honoré Doyon, door een peloton van zijner compagnie op hooger bevel doodgeschoten hier in het Park, juist achter de lage schans, een honderd meter van mijn woonst. Hij had teekens van verstandhouding aan een vijandelijke legerafdeeling gedaan. En dat werd verteld aan de deur onder het koopen van groenten aan mijn meid, en mij voortverteld, terwijl ik de bloemen begiet in de gang...

Wat voor menschen zijn wij geworden, dat zulks het dagelijksch brood onzer belangstellingen uitmaakt...

Voorzeker is ons gevoel verstompt en zullen de indrukken later schrijnend invreten gelijk het bijtend vocht in de groeven van een met was overdekte koperplaat...

Enkele gevluchten keeren zoogezegd terug naar hun haardsteden met het pak op den rug of den korf aan de hand. Er is geen plaats meer om ze te herbergen in het Feestpaleis noch elders. Ze worden met den trein vervoerd en ergens onderweg op Gods genade afgezet, tot wanneer ze hun doel zullen bereiken kunnen...

Dinsdag 22 sept. '14. Tegen de avond.

Ik kom+ terug uit de stad. Een luchtvlieger snort heel hoog in de wolken.

Menschen staan aan de deuren, geen die er acht op geeft: allen kijken in dezelfde richting.

Ha! Nu is het te zien, wat het is: twee soldaten naderen; de een hinkt. Zijn elleboog leunt op den schouder van zijn kameraad. Het aangezicht vertrekt pijnlijk bij elken stap.

Vanwaar komen ze, waar gaan ze naartoe?

Een jonge dame treedt te mijnent binnen met een vierjarig kind. Zij is bleek en ontdaan. Ze vraagt een glas water.

‘Ongesteld?’

‘Neen.’

Nadat ze wat bekomen is, vertelt ze dat zij drie soldaten ontmoet heeft, belgische: hun uniform hing in reten; hun baard was lang; de teenen staken door hun schoenen; de grond was modderig. Het had heel den dag geregend.

Die aanblik, hoe nietig ook tegenover het akelige, dat de kranten vermelden, had ze diep geschokt: ‘Wacht,’ had ze hen gezegd, hare portemonnaie uitgehaald en hun elk vijf frank gegeven. In zeer beschaafde taal had er een bedankt, haar adres gevraagd en gezeid: ‘Indien wij gespaard blijven, zenden wij u alles terug.’

‘Neen, neen, heeren, geen adres, geeft het aan de rampzaligen uwer omgeving.’

Ze waren niet gekwetst, wat mocht hun zijn overkomen: met zulk een gehavende broek, met de knoopen van hun kleeren af, met zulk een vuil aangezicht?...

Aan het Zuidstation stonden zoo even, als naar gewoonte onder de bonte menigte, tal van jonge mannen op nieuwstijdingen en de aan-

[p. 79]

komst van gekwetsten wachtend.

Geestdriftig riepen er eenigen: ‘Vive la France! Vivent les Français!’ ter eere van een voorbijgaand marine-officier. Hij bleef staan, wierp hun een stouten blik toe en sprak: ‘Vous feriez mieux de défendre votre partie.’

Zaterdag 26 Sept. 14.

Heel den Steenweg en de Kortrijksche straat loopen vol menschen, van St. Pietersstation af. Ditmaal schijnen het geen behoeftigen, maar landlieden, meest mannen in hoopen van vijf, zes of meer, net gekleed als op zondagen bij 't naar de kerk gaan.

Wat verder zie ik alleen een mij bekende dame, weduwe van een generaal die Melle is blijven bewonen. Ze bemerkt mij en komt van recht over de straat op mij af.

‘Zoo vroeg in de stad?’

Ze antwoordt met een ontzet gelaat: ‘Gevlucht op bevel van den Burgemeester, alle bewoners van den steenweg tusschen Quatrecht en Gent moesten ijlings heen...’

‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik weet het niet. Melle loopt vol belgische soldaten. Mijn knecht en meid waren ginder nog, toen ik ontvlood, wat er van hen geworden is, weet ik evenmin.’

27 sept.

Het gerucht loopt, dat er te Melle opnieuw hard gevochten is. Tallooze wielrijders-soldaten, met het geweer op den schouder rijden er in volle vlucht naartoe.

Onze Burgemeester heeft bevel doen aanplakken, dat om 22.50 uur alle lantaarnen zullen worden uitgedoofd, behalve éen half neergedraaid op kruisstraten of openbare plaatsen. Vermaan, met het gevaar voor bommen, in bijzondere huizen geen zichtbaar licht te laten branden.

Een zeppelin werd gisteren nacht gehoord en gezien te Oostende. Drie bommen zijn op verschillende punten der stad geworpen, zonder merkelijke schade aan te richten. De hotels zijn er gesloten; vreemdelingen vertoeven er nog bij bijzonderen; allen liepen verschrikt langs de straten in nachtgewaad meest, schoolden angstig samen in de donkere stad, die na deze ontploffingen van alle verlichting was beroofd geworden.

De nacht is heerlijk, klaar en koel. Het sterrenbeeld van de Geit staat schitterend aan den trans+ rechtover mijn slaapkamervensters. De Poolstar pinkt onze wereld toe; de Groote Beerwagen heeft zijn dissel achter de daken der buurhuizen naar omlaag geheld. Alles is zoo rustig, zoo stil, en doet denken aan de vrome spreuk nu droef-ironisch:

[p. 80]

‘Zalig zijn de vreedzamen, want het rijk der hemelen behoort hun toe.’+

Er komt van lieverlede toch iets van dien hemelschen natuurvrede over het gemoed.

En ik sta aan een straatvenster in dien starrennacht; het bevel van den Burgemeester is niet uitgevoerd, ginder aan den kant der Leopoldlaan brandt er licht, hoewel wat ingedraaid, en uit meer dan een dakvenster glimt er nog een schijn van klaarte.

‘Hoe, hoe, hoe,’ begint het eensklaps van verre te komen, het nadert meer en meer. Ik open het raam en speur in de lucht... het ‘hoe, hoe, hoe,’ houdt aan... het verwijdert zich, het vervaagt, het verdwijnt allengskens geheel in de solemnele stilte van den nacht...

3 uur.

Wagens, wagens, de een na den anderen langs de heerbaan en daarop getrappel van paarden, van vele, vele paarden in gelijke kadans henentrekkend.

Zondag 27 Sept. '14

Vluchtelingen van Angleur logeeren in mijn straat. Echtelingen met twee kinderen.

Ze kregen een kamer zonder te moeten betalen. Heel de buurt, op de hoogte gebracht, schoot hulprijk toe; iemand gaf hun een petroolstel; een ander zorgde voor een lampje; een hierwonende kleermaakster richtte zich tot hare klanten en bezorgde kleederen, die ze zelve 's nachts tot doelmatig verbruik vernaaide; ze kregen enkele keukenbenoodigdheden, om de beurt wordt voor hen in sommige huizen der gebuurte 's middags gekookt... maar een gegeven brok is gauw op, zegt de volkswijsheid, indien de menschlievendheid verzwakt, op den duur, indien de giften - al was het enkel een dag - ophielden, wat dan met hen?

28 sept.

Aalst en Mechelen zijn gebombardeerd. Nieuwe vluchtelingen bij duizendtallen komen aan.

Maandag nog 28 Sept '14

Bomben zijn geworpen op Deynze, Nevele, Vosselaere, Meygem en Grammene. Mechelen is gisteren opnieuw gebombardeerd. Men spreekt van talrijke dooden; burgers, vrouwen en kinderen, uit de mis komend, werden doodgeschoten.

De hoefslagen, die hier eenige nachten geleden te hooren waren, bestonden uit een patrouille paardevolk, Gent doortrekkend. Onder dezen was de broeder mijner meid; hij woont in deze stad en had verlof gedurende een paar uur naar zijn huis te gaan. Vreeselijke dingen heeft hij aldaar verteld: de Duitschers begraven hun dooden zeer ondiep: een enkele voet aarde ligt

[p. 81]

er op. De legerkorpsen, die er over moeten marcheeren, voelen de lichamen kwakken onder hun voeten. Een onuitstaanbare stank rijst uit die geïmproviseerde kerkhoven op.

Gedurende zijn afwezigheid is hem een dochterje geboren. Tot dusverre had hij het enkel in portret gezien.

Dinsdag 29 Sept.

Mijn logé is vijf dagen te bed geweest, maagontsteking.

Nu is hij beter, hoewel niet genezen. Hij blijft nog koortsig, siddert van de koü met een verwarmingstoestel onder de zolen, in een temperatuur van 22 graad celsius.

En ondanks dat alles wil hij nog absoluut voortschilderen aan mijn portret en daar de verlichting slechts goed gevonden wordt in een bovenkamer, die op 't noorden geeft, zitten wij daar, waar geen vuur kan worden gemaakt, alle twee te bibberen.

Dat poseeren was van in 't begin van zijn verblijf een echte kwelling voor mij. Elken dag aan 't ontbijt, was het eerste dat hij vroeg: ‘Wanneer beginnen wij?’

‘Ik heb nog 't een en 't ander te doen.’

‘Over een half uur?’

‘Och neen, ik moet al mijn planten begieten.’

‘Laat mij het verrichten,’ zegt zijn teedere echtgenoote, steeds vaardig om hem in alles zijn zin te geven. Maar 't is nog zoo vroeg en dat zitten uren lang is zoo lastig toch! ‘Vous êtes le modèle des modèles,’ heeft hij in den aanvang gezegd. Helaas, dien lof moet ik duur bekoopen. Ik kan toch nu mijn onbeweeglijke houding niet opgeven en beginnen woelen... ik tracht wat tijd te winnen: ‘Om half elf zal ik klaar zijn,’ zeg ik schuchter.

‘Om tien uur,’ dingt hij af. Hij is zoo goed, zoo inschikkelijk voor al het overige... ik kan niet weigeren en om tien uur zitten wij er tot éen uur, om des namiddags, na 't eten, heraan te vangen. Het begint er heel, heel koud te worden; maar gansch ingenomen door zijn werk voelt hij - die zoo kouwelijk is - het hier niet. Hoe groot zijn kunstenaarsdrang was, ging het heden niet vlot. Overigens: ‘Ik ben niet in het bezit van mijn geestvermogens en mijn vaardigheid,’ klaagt hij dikwijls.

‘Ik ook niet,’ durf ik niet zeggen. Maar het is zoo; dat poseeren is een martelie, gepaard aan gewetensbezwaren, omdat ik het voorrecht niet naar waarde te schatten weet, door een schilder van onbetwist talent mijn conterfeitsel gemaakt te zien...

En in het midden van al het onge-+ van+ dezen neteligen, om niet te zeggen, noodlottigen toestand, gaat het gewone leven zijn gang; mondbehoeften worden gehaald, maar thans betaald met strookjes coupons - munt is zeldzaam en zit grootendeels verstopt in de aarde of in veiligge-

[p. 82]

waande bergplaatsen; bankbriefjes zijn moeielijk gewisseld te krijgen.

Een man plukt peren in een buurmanstuin; een metser spijst een scheidsmuur verderop+; tapijten worden uitgeklopt; de groentevrouw belt aan de deur; de juffrouw van den hoek om leidt haar glimmend wit + poedelhondje met een blauw strikje in zijn krullen, aan een touwtje te wandelen bij invallende avondschemering.

Omtrent den middag, in den zonneschijn, duwen gezellig pratende kindermeiden gezonde, rechtopzittende of rustig sluimerende kleinen langs de voetpaden van de straten en de lanen voort...

Woensdag 30 September.

Mijn logés willen volstrekt heen, ze wenschen samen in familie te zijn, nu leven ze hier en daar in vier huisgezinnen verspreid. Ze hebben een villa te Blankenberghe gehuurd.

1 Oct. Donderdag.

De valiezen, doozen, regenschermen en stokken, deze laatsten in een bundel gesnoerd, staan gereed in de gang.

Wij zitten aan het ontbijt, mijn vriendin met den hoed reeds op het hoofd en de mantel aan. Wij zijn treurig, gedrukt. Wat kunnen wij aan elkander zeggen, hoe kan ik voor de derde maal vluchtenden bemoedigen? Wij spreken niet, totdat mijn vriend eindelijk zegt: ‘Nu begint onze ballingschap voorgoed.’

Het uur voor 't vertrek bestemd is reeds voorbij. Het rijtuig doet zich wachten.

Ik kijk op de pendule, waarvan de wijzer nu te rap voortschuift. Och gaat het in 't geheel niet komen, moeten al die bedankingen en ontboezemingen nu nogmaals voor een lateren trein worden vernieuwd? In gewone omstandigheden is een afscheid reeds zoo treurig! Ik zou het steeds liefst onopgemerkt laten voorbijgaan, wegzijn zonder vaarwel, als ik ergens te gast ben geweest...

Daar nadert een rijtuig... Het staat niet stil... het ratelt voorbij. Mijn vrienden ook raadplegen het uur; ze houden zich kloekmoedig, laten geen onrust merken...

Ha! Nu is het eindelijk daar, dat langgehoopte. Een belklank; de zoon treedt binnen, hij komt zijn ouders halen.

Het reisgoed is opgeladen, kus en handdruk worden sprakeloos gewisseld. En mijn oude vriend zit in het open rijtuig met zijn spitsen witten baard en zijn opgestoken schouders heel ineengezakt, met een nooit te vergeten, tragische uitdrukking in zijn starende oogen.

Zijn vrouw

[p. 83]

wuift nog eens met de hand en de zoon groet een laatste maal, den hoed afnemend.

Hun verblijf behoort tot het verledene...

De straat staat vol menschen: er is een Taube te zien. Alle blikken zijn naar omhoog gericht.

De deur wordt dichtgedaan.

Het huis is ledig.

Woensdag 7 October, '14+

Bezoek in de kostschool van Doorele; zij is tot lazaret ingericht, een kolossaal gebouw, op de Albertlaan waar thans geen pensionnairen zijn. Het vendel van 't Rood Kruis waait boven den deuringang. Gelijktijdig met mij en mijn gezellen belt een jong soldaat aan, met het hoofd in een wit verband omsloten. Een zeer magere non, bijna met een doodshoofd, donkere brilglazen en een pijpmuts, heel rond tot onder de kin, opent. Ze glimlacht allervriendelijkst met bruine tanden en leidt ons binnen. De medegekomen soldaat verdwijnt in eene gang. Ik wil mijn kleinneef opzoeken, die hier verblijft en gaf haar den naam op. In het portaal zitten drie vrouwen, arme menschen. De eene houdt een zuigflesch aan het mondje van een kindje in den bussel, dat voorzeker geen drie weken telt; de non wijst mij die aan: ‘Wij herbergen honderd en vijf vluchtelingen en acht en twintig gekwetsten,’ deelt ze mede. In een zeer ruime zaal zitten er van deze, twaalf of dertien, in nogal gehavende soldatenkleeren, de een met een arm in een slinger, de ander met een doek, dat de rechterwang heel bedekt; Er springt er een op een kruk. De andere kwetsuren zijn van geen gevaarlijken aard, zoo 't schijnt. Mijn neef, een Waal, is een groote, kloeke kerel, met fijne gelaatstrekken, een beeld van bloei en levensmoed. Hij is niet verwond, maar kan ter nauwernood een stap doen: de planken zijner voeten zijn niets meer dan rauw vleesch en verzworen eelten. Onder die arme jongens zien er sommigen zoo bloedloos zwak en klein uit, dat hun lichaampje als verdwijnt onder de uniform. Ze lijken meer op kinderen, die soldaatje spelen dan verdedigers van 't vaderland. En toch zijn het stoutmoedigen: mijn neef vertelt, dat hij en de

[p. 84]

kameraad, welke naast hem zit met een shrapnelwonde aan 't genezen,+ - die deze hoofdbuigend onder zijn haar aanwijst - sedert twee maanden op geen bed meer geslapen hebben. In de loopgraven stonden ze uren lang tot aan de knieën in 't slijk. Het is hun gebeurd op dooden te schieten, die de Duitschers den eenen tegen de anderen geleund, met de hoofden boven de borstwering hadden gesteld en waarachter ze zich veilig hielden. Deze ontvingen ongedeerd de salvos... Zij - de Belgen - vuurden op den vijand met de geweren boven de verschansingen; wie de onvoorzichtigheid beging er eens te willen overkijken, was dadelijk neergeveld. ‘Een soldaat weet nooit waar hij wordt heengezonden; maar als hij voorraad krijgt voor twee of meer dagen, vermoedt hij met reden, dat hij ten strijde gaat,’ zegt er een.

‘En welk is uw indruk, als ge moet optrekken?’

‘Volstrekt geen nieuwe. We weten van het begin af, dat we naar den dood gaan. De mitrailleuzen met hun tikketikketik maaien de gezellen naast ons neder. We kijken zelfs niet meer; met de kracht der wanhoop verdedigen wij ons eigen leven. De Duitschers begraven hun dooden en... soms hun zieltogenden onmiddellijk, opdat de tegenstrevers niet weten zouden tot hoe hoog hun verliezen beloopen. De burgerlijke brankardiers - velen tenminste - zijn bloohartig, ze durven de lijken niet weghalen, de soldaten moeten dat doen onder het nog aanhoudend vuur. De Duitschers zijn meerendeel laf. Bij een onmiddellijk gevaar steken ze de armen omhoog. Als de Belgen naderen om ze te pakken, krijgen ze wel eens een schot van een kerel, die zich achter den schijnbaar overgevende verschuilt. Ook geen kwartier meer voor dezen, ofschoon ze altijd smeeken: ‘Eine Frau und vier Kinder’, toch worden ze onmeedoogend neergeveld. ‘Als ge in klein getal op patrouille uitgaat, trekt ge bij voorbeeld over een akkerstuk: ge ziet gevulde zakken met aardappelen staan. Argeloos treedt ge er voorbij. De zakken komen in beweging en - opgepast!