terug  begin  verderprepost
[p. 129]

1915

[p. 131]

1 Januari '15.

Aldus is het uitgevoerd. Het was een oorverdoovend gerucht. Zieken en kleine kinderen zullen het te verduren hebben gehad. De trams reden tot half éen uur.

1 januari vrijdag '15.

De barometer daalt naar storm toe. 's Morgens is het weder betrekkelijk goed. Gezellige bijeenkomst en diner bij mijn nicht.+ Ze woont in een drukke straat. Ik kijk eens door het raam. Vele Duitschers tusschen de wandelaren. Ze beginnen er vuil uit te zien. Het grijs hunner tunieken heeft een modder-grondkleur gekregen. Wat zijn er talrijke kleine en plompe, oudachtig-verschrompelde bij! Zijn schier al de flinke mannen naar het front? Ik bemerk ook een paar reuzen, zoo groot en statig, dat de hen begeleidenden van middelbare lengte met den top van 't hoofd slechts tot aan hun schouders reiken.

Mijn nicht heeft allerlei lekkers gereed; ze wil naar het Burgerlijk hospitaal gaan, nu dat de heeren heen zijn, die met ons aanzaten.

En wij dalen de trappen af. Buiten: kletsregen en wind. Het rijtuig ratelt over pletsende plassen, de lichten weerkaatsen er in uitgewijd, bloedig. Ze zijn niet bij machte om de duisternis heel te bestrijden.

Wij doorkruisen eenzame kaden, donkere, openbare plaatsen: stadssquares, dat weten wij en zien op den uitkant van een dezer, door het grauw van den mist, de bloote, erbarmelijke slingertakken van een grooten treurwilg neerhangen.

Wat wekt Nieuwjaarsdag toch steeds sombere gedachten: overgang tusschen het veel verkeerde van 't verloopen jaar en het ongewenschte van het beginnende!

‘Het is wel een beetje laat,’ zegt de portier, ‘om nog binnengelaten te worden.’

Doch... oorlof wordt aan het bureel gevraagd en wij trekken door een der lange gaanderijen naar zaal 18, waar zieke vrouwen liggen, die uit Mechelen naar Gent werden overgebracht.

Er staan een twintigtal bedden van witgeverfd ijzer. Niet alle zijn bezet. Mijn geleidster is er geen onbekende: overal waar wij voorbijkomen, knikt en glimlacht de neerliggende of aan de sponde zittende haar toe.

[p. 132]

Onder deze is er een magere, zwartharige, rechtop tegen de kussens aanleunend.

Zij is zoo blij de bezoekster te zien. Ze krijgt allerlei versnaperingen: een oud-bekende uit het Feestpaleis.

‘Hoelang zijt ge nu te Gent?’

‘Op de vierde maand.’

‘Ge hebt toch plan om naar Mechelen terug te keeren, ziek als ge zijt nochtans, en niet kunnen loopen!’

‘Och ja; ze zullen mij in den wagen dragen. Morgen om zes uur moet ik klaar zijn... Wat verlang ik naar ons huisje, al is het half stuk geslagen! O thuis zijn, thuis zijn!’ En in een soort van aanbidding zien de donkere oogen glanzend ten hemel op.

Een andere nadert schuchter, schoorvoetend.

‘Madame,’ tot mijn nicht, ‘ze zeggen dat gij helpt, waar ge kunt. Zoudt ge mij ook willen helpen?’ met neergeslagen blik en glimlachenden mond.

Zij is klein, mooi bruinharig, van een buitengewone frischheid, zacht, beschaafd.

‘Ja, kind, wat schort er?’

‘Ik weet niets van mijn ouders en zou zoo gaarne nieuws van hen hebben.’

‘Hoelang zijt ge van huis weg?’

‘Drie maanden.’

‘Hoe oud zijt ge? Ge ziet er niet ziek uit.’

‘Twintig jaar. Nu ben ik goed, maar ik was zoo zwak, toen ik uit het lighuis (moederhuis) naar hier werd gebracht.’

‘Hebt ge een kind. Zijt ge getrouwd?’

‘Ik heb een kind van een maand oud. Getrouwd ben ik niet.’

Voorzeker is dat meisje geen verlatene: er straalt vertrouwen uit die blikken; er schuilt geluk in den grond van dat tijdelijk beroerd hartje.

‘En uw verloofde?’ Ik ben overtuigd, dat de vader van het kind haar verloofde is.

‘In 't leger; ik heb gisteren een brief van hem gekregen.’ En ze drukt de hand op hare borst, waar die brief ongetwijfeld zit.

‘Hoe heet hij?’ vraag ik. Namen wekken altijd mijn belangstelling op.

‘Charles,’

‘En uw kindje?’

‘Charlotte,’ met een engelenglimlach van moedermin. Ze geeft een adres in Antwerpen.

[p. 133]

‘Schrijf dat het mij goed gaat.’

‘Mag ik spreken van Charlotte?’

‘Ja, zeker moogt ge dat.’

Aan een ander bed zitten twee vrouwen. De oudste bloost zeer erg en haar oogjes van kwik tintelen rusteloos rond.

‘Ge ziet er beter uit, vrouw,’ zegt mijn nicht, haar een pak chocolade gevend, dat ze op haar knieën laat liggen zonder het aan te zien en zonder dank.

‘Waaraan lijdt uw moeder?’ vraag ik aan de jonge.

Deze kijkt mij star aan en antwoordt niet. Heeft ze 't niet gehoord of ben ik te stompzinnig om den toestand te gissen? Ik doe dezelfde vraag aan mijn nicht.

‘Wat heeft ze?’

‘Dérangement cérébral,’ wordt mij in het oor gefluisterd.

Die menschen zijn uit Mechelen gevlucht tijdens het bombardement. Zij hadden een kruidenierswinkeltje, kwamen goed aan hun brood. Ze zijn alles kwijt en zij, de moeder, heeft half het verstand verloren. Toch bestaat er hoop op herstel, na langdurige, volledige rust.

Wij spreken nog tegen de eene en de andere, en met handdruk aan sommigen en hoofdknik naar andere bedden nemen wij afscheid; de rampzaligen in de goed verwarmde, dof verlichte ziekenzaal aan hun lot overlatend.

maandag 4 januari '15

's Avonds kwart over tien. In de volkomen stilte dreunende knallen.

Wat mag dat wezen? Klippelslagen op de poort hier rechtover? Drie andere volgen. O, het is schieten, nu hoor ik het duidelijk. Kort daarop nog een groote slag.

Vensters worden geopend. Stille stemmen spreken elkaar vragend toe. En nu, heel verre reeds, bomt verdoofd het laatste schot. Mijn meid verkeert in doodsangst, roept van uit haar bed, dat ze ligt te beven. Die geruchten ontstellen mij zelfs niet. Aangezien ik mij nu heb voorgesteld, dat wij allen moeten doodgeschoten of doodgebombardeerd worden, schijnt al het minderwaardige, voorafgaande, van geen gewicht.

Soldaten stappen op vliegpas door de straat, verwarde klanken uitend. Daarop wordt alles rustig.

's Morgens staan de buren aan hun deuren. Ik zie hoofden schudden. Niemand schijnt te weten, wat er is gebeurd. Later verneem ik, dat op de

[p. 134]

uiteinden mijner straat heel den nacht schildwachten hebben gestaan, dat wie op den boulevard voorbijkwam, afgetast, losgelaten, doch ruw voortgedreven werd. Er liep een bende van meer dan honderd civielen. Officieren kwamen uit de huizen men den revolver in de hand. Op dehoogte van het Park, rechtover mijn straat, zijn de ruiten uit het melkhuis stuk geslagen. De dagbladen maken geen melding van het opstootje.

Dinsdag 5 januari '15

Bezoek aan een jongen verwante, te Lier het dijbeen doorschoten op 26 augustus '14, eerst verblijvend in een ambulans te Tienen en dan te Luik bij zijn oom, geneesheer-hoogleeraar en nu thuis. Onuitstaanbaar lijdend, vol wilskracht en met heet verlangen naar genezing om tot het front terug te keeren... wie weet, en wanneer zal dat zijn!

‘Als de koning en de koningin eenmaal terugkomen in Gent, dan zal de beiaard spelen,’ zegt men hier; de geestdrift zal alles te buiten gaan en er wordt verzekerd, dat de socialisten van Brussel luid verkondigen, dat zij de eer eischen om de paarden van hun koets uit te spannen en ondereen zullen vechten om ze voort te trekken.

‘Zou een troon in Europa wel vaster staan dan de hunne?’ vroeg iemand.

‘Neen,’ was het antwoord, ‘want hij rust op grondvesten van wederzijdsche liefde en solidariteit.’

Dinsdag 5 januari '15.

Te New York bracht een geldomhaling 3 500 000 franken op ten behoeve van Belgies armen. Het kerstgeschenk van Queensland en Nieuw Zeeland bedroeg 125.000 frank. De belgische legatie in Den Haag heeft eene gift ontvangen van 42.000, opbrengst eener geldzameling te Milaan gedaan. De plaatselijke bladen geven deze cijfers op. Op bijzonder bevel van den Etappen Kommandant zijn alle vergaderingen van welken aard in den vrijen hemel en zelfs in gesloten plaatsen zonder bijzondere toelating verboden op straffe van gevang of duizend mark boet aan de overtreders.

 

De negen provintieale raden van België hebben de maandelijksche belasting van 40 millioen aan de bezetter+ gedurende den krijg te betalen gestemd.

[p. 135]

6 januari woensdag,

Allerlei bemoedigende geruchten deden hier de ronde. Metz was gevallen, Oostende en Brugge waren door de Bondgenooten ingenomen. Alles valsch.

Hollandsche illustraties zijn hier verboden. In den Bien public komt de lijst voor der gedoode geestelijken uit het bisdom van Mechelen.

Het regent, het waait in elements-ontketening.

nog Woensdag 6 januari '15.

De straf aan de gemeente Ledeberg opgelegd, waarbij elk op zekere uren binnenblijven moest, is geheven. De bewoners mogen wederom vrij uitgaan.

Het gerucht liep, dat von Mackensem in Gent was. Het moet een verdichtsel wezen. De kranten melden, dat hij op 't oostelijk gevechtsterrein is.

Een kaart ontvangen uit het kamp van Göttingen. Zes mannen daarop in soldatenpij. Wat ziet mijn mooie neef er mager uit. Een Franschman, kleiner dan hij, staat naast hem, met een wakker voorkomen, en een nog kleinere met een zonderling petje op, dan twee, die neerzitten, één zeer ontmoedigde. Hij draagt een trouwring. Naast hem een nauwelijks volwassene, Rus of Servier, hij heeft een haren muts op en waarom het nummer 65 op de borst? Links van de photo staat een zeer groote kerel, breedgeschouderd, met een dikke, achterovergeslagen sjerp om den hals. Zou dat ook een krijgsgevangene zijn met zulk een ruw, uitdagend voorkomen of is het een gevangenbewaker? De Russen krijgen geen kantinen van hun land, maar er bestaat in 't kamp een liefderijke overeenkomst, waarbij een viertal soldaten er gewoonlijk een vijfde van dezen aannemen met wien ze broederlijk deelen+, wat ze ontvangen. De kaart is elf dagen op weg geweest.

Er is niets van waar, dat de 4de armee Gent verlaten heeft.

Vrijdag 8 januari.

Twaalf graad Celsius! Het voorjaarsweder. Wij hebben hier geene winters meer. De Duitschers klagen er over, dat ze in een ontzenuwend klimaat leven en hun opwekkende, continentale koude missen, hun sneeuw, hun snijdenden noord- en oostenwind, hun klare vrieslucht.

Ontmoeting van een gereformeerde, die erbarmelijk hinkt. Het is een bekende van mij: ‘Arme jongen,’ zeg ik.

‘Ja’ zegt hij ‘ja, diep te beklagen, omdat ik niet terug naar het front kan gaan.’

[p. 136]

Het doet goed aan 't hart zulk een persoonlijkheid te ontmoeten tegenover de laffe papierhelden, die in den vreemde, in veiligheid gevlucht, uitschreeuwen, dat ze hun leven veil hebben voor 't vaderland.

zaterdag 9 januari 15.

Tot in melkerijen worden koeien in beslag genomen. Een melkvrouw kwam verleden+ in het Klein Begijnhof met een hond aan de kar: ‘Waar is uw paard dan?’ vroeg het eerste begijntje, bij wie ze aanbelde.

‘Van de Duitschen opgeëischt.’

Een tweede melkboer reed het Hof binnen met een oud paard, dat schier niet kon voortgeraken, de ruige huid jammerlijk over de schonken gespannen:

‘Kijk, kijk wat een mager beest, en uw ander paard, waar is dat, verkocht?’ vroeg de portierster.

‘Van de Duitschen gepakt,’ met een zucht.

‘Zonder betalen?’

‘Ik moet het afwachten, ik kreeg een schuldbekentenis, dat is al.’

Van de gehoorde schoten tusschen 2 en 3 dezer is nog niets bekend. Er wordt beweerd, dat ze op deserteurs zijn afgevuurd. 42 burgers zijn dien avond in de nabijheid der bewuste plaats door Duitschers aangehouden, afgetast en, met de kolf van 't geweer op den rug, van de Citadellaan verdreven. Een stadsbeambte had met zijn familie den avond doorgebracht bij vrienden op de Leopoldlaan, als hij buiten kwam sprongen soldaten op hem toe: ‘Binnen blijven,’ ruw hen terugduwend. Een kwartier later nieuwe poging van buitenkomen, nieuw terugdringen, totdat het hun gelukte, geen soldaten meer te ontwaren de vierde maal.

De algemeene Gouverneur van België laat weten, dat van af 15 januari '15 geene opeischingen meer zullen gedaan worden zonder gereede betaling van wege de duitsche bezetting.

Duitsche soldaten, babbelzuchtigen, verzekeren, dat er zeventien van hun mariniers doodgeschoten zijn, omdat ze weigerden naar 't front aan den IJzer te gaan: ‘Wij behooren tot de zeemacht, niet tot de landmacht’, was hun leus van opstand geweest. Het regent bij stroomen. In de Leie is 't water hoog, blond van aardetoevoer, en het stroomt met geweld. Langs de kaaien gaande, worstelend met den wind, herinner ik mij, hoe het in 1870, tijdens de veldslagen van Gravelotte en Sedan ook zoo hevig regende, en dat personen, die den slag van Waterloo beleefd hadden, verhaalden, dat het van den zestienden tot den achttienden juni

[p. 137]

1815, gedurende de gevechten een ware zondvloed was. Het volksgeloof wil, dat de kanonschoten de wolken aanlokken.

Ik bezoek mijn neef, omstreeks Lier gekwetst, den 28 augustus ll. Hij ligt nog steeds te bed. Bij mooi weder brengt men hem beneden, en in een handwagentje, doet hij een klein toertje in het nabije stadssquare. Vandaag zal hij niet kunnen ‘wandelen’, zegt hij, melancholisch door de bestendig van druppelen aangesproete vensterglazen in de lucht blikkend.

Hij heeft nieuws van zijn twee broeders gekregen door de zorgen eener geïmproviseerde postbedienster, die op levensgevaar brieven uit het Fransche front in België binnensmokkelt. De een, de jongste, de vrijwilliger, is aan den IJzer de hand doorschoten, in Engeland verpleegd en nu, na onvolledig herstel, terug in Den Haver. De andere (klas van 14) heeft nog niet gevochten. Hij benijdt zijn twee broeders, die voor het vaderland hun bloed vergoten hebben en wacht met ongeduld weder zijn beurt van optrekken af.

De moeder, flink, betrekkelijk jong, zit bij het bed van haar verwonden oudste, even moedig, even stoïsch onderworpen aan het onvermijdelijke als hare drie zonen:

‘La mère des Gracques,’ zei iemand onlangs van haar.+ Ik las in de lijst der bij den consul van Nederland aangekomen correspondentiën, dat er een brief ligt voor mij nummer 8393. Van wie, van waar?

Een brief, dat is een zeldzaamheid, een witte meerle, een wonder nu! Zou ik hem zenden halen? Zou ik zelve gaan? Weet ge wat het beduidt? - Met drie trams naar St. Amandsberg, buiten in de kou ter plaats uw beurt afwachten, schoorvoetend, traag vooruitgeraken naar het doel: 't gebenedijd winket, waar eindelijk de omslag u zal afgegeven worden... Neen, neen, ik doe het niet.

Ik heb mijn brief, mijn nu verwenschten brief, niets dan een prul. De persoon, die hem afhaalde, moest gedurende drie uren er op staan wachten. Van nu voortaan zullen geene correspondentiën door bemiddeling van het Nederlandsch Consulat meer besteld worden.

Gisteren kwam een soldaat langs den boulevard in zichzelf brommend. Hij verkeerde in staat van uiterste dronkenschap en zwenkte van den eenen boom naar den anderen.

Dat zag een officier. Hij schoot er op toe, en gaf hem een kaakslag, die hem deed neertuimelen. De dronkaard klauterde recht, probeerde om aan te slaan. De officier greep hem bij den arm, stampte hem vooruit: ‘Naar de kazerne,’ beval hij.

[p. 138]

Tuchtloozen van 't leger ondergaan strenge straffen en worden wreed geslagen voor het kleinste vergrijp. Al wie meer dan honderd flesschen wijn bezit, moet er inken+ van doen aan de overheid. Veel rijkvoorziene kelders bestaan er hier ter stede. Doch hoevelen zullen zich onderwerpen aan dat voorschrift? Wijn wordt in den grond gedolven, in korven weggedaan en bij buren, die er geen bezitten en bij werklieden in zekerheid gezonden.

Zekerheid? Waar bestaat er hier nog zekerheid? Er wordt beweerd, dat de Duitschers met pijken+ in+ den grond borend, de tuinen onderzoeken naar 't verheimelijkte...

Zou het wel waar wezen? Er wordt zooveel overdreven. De verbeelding is steeds werkzaam. Aldus werd gisteren ook verzekerd, dat Holland aan Duitschland en Amerika aan Italië den oorlog hadden verklaard, dat het nieuws officiëel aangekondigd, en de nederlandsche consul reeds uit Gent was vertrokken. Er wordt ook verteld, maar niet geloofd, dat al het koper zal worden opgeëischt tot het vervaardigen van shrapnells.

Er gebeurt zooveel ongewoons, dat zelfs zulke monsterachtige rooverijen niet meer zouden verwonderen. In den twijfel is hier het kopergoed, dat ik wilde behouden, naar den zolder gedaan, verstopt achter blokjes hout, achter ledige flesschen en emballage-hooi.

Daaronder is een roodkoperen voetstoofje, misschien van een mijner overgrootmoeders, met een eikenhouten overdeksel vol gaten, waaruit de warmte opstijgt.

Wat zou het mij spijten moest dat ook naar den smeltoven als mitrailleuze grondstof!

13 januari, woensdag.

Nu verluidt dit aangaande den wijn. Streng verbod heerscht aan den IJzer, bij het duitsch leger water te drinken uit vrees voor typhus en cholera. Vervoer van bier in de loopgraven is heel moeielijk (om welke reden?) het kan ook in flesschen verzonden worden. Elke soldaat krijgt bij gevolg een flesch wijn daags zegt men, die hij naar goeddunken verorbert.

De opzoekingen te Gent en in 't omliggende geschieden door twee experten wijnkeurders: een belgischen en een duitschen. Elk hunner teekent volgens zijn schatting de prijzen der soorten op. De begrooting

[p. 139]

wordt vergeleken. Gewoonlijk is het verschil klein en de overeenkomst levert, door wederzijdsche inschikkelijkheid geen stof tot vitterij. Schuldbewijzen worden ter hand gesteld.

Dit geschiedt voor de kelders der handelaren in wijn. Daarentegen is bij de burgerij voor elke flesch, 't zij dure of goedkoope wijn een vaste prijs van fr. 1,50 aangegeven.

Geen lichtstraal mag uitschijnen in de badsteden aan den kant der zee, te Knocke had de bewoner eener villa, waar hij ook des winters verblijft ten behoeve van een ziek kind, eenige oogenblikken een paarmalen in een nacht het electrisch licht opgedraaid. Voordat de dag aanbrak, ging het rinkelinklink aan de voordeur.

Twee duitsche officieren tegen den huisheer-eigenaar: ‘Ge wordt beschuldigd van spioneering, ge hebt seinen gedaan naar de engelsche vloot tot driemaal toe.’

‘Ik, kom, ik heb enkel licht aangestoken voor mijn ziek kind.’

‘Ge zijt in arrest, verbod uw woning te verlaten.’

's Anderdaags een nieuw enkwest, en eindelijk verklaring, dat de spioneerdienst niet behoorlijk bewezen was om de zaak te vervolgen.

De vrees voor vergiftiging moet ook bestaan onder de ingekwartierden. Ik ken een huis, waar generaal v.B. logeerde. Zijn ordonnans wilde geen koffie drinken, voordat de meiden er eerst van hadden geproefd. Zoo ook een colonel, verneem ik, die in het huis, waar hij verbleef, medegebracht vleesch in de keuken liet bereiden en, met de huisgenooten aanzittend, die hun eigen kost aten, er op aandrong, dat ze ook van 't zijne eten zouden, waarvoor ze dankten, totdat ze eindelijk zijn doel begrepen, bij het zien, dat hij draalde, en voldeden aan zijn wensch.

In diezelfde woning schelde de colonel eens - op een bijzondere overeengekomen wijze met de bedienden - zijn ordonnans. De kamermeid merkend, dat deze het niet had gehoord, riep tot hem.

‘Uw meester belt.’

Deze trad recht op haar toe, dicht onder haar aangezicht:

‘Wat durft gij zeggen!’

‘Dat hij belt voor u.’

‘Mijn colonel is geen hond,’ en met een grimmig gebaar stak hij de vuist naar haar uit.

Verschrikt deinzde ze van hem weg, totdat de huisheer aankwam, die zijn lachen niet bedwingen kon, en den verdediger van de eers zijns colonels deed verstaan dat bellen in het vlaamsch niet blaffen, maar schellen beduidt.

[p. 140]

vrijdag 15 Januari '15.

Mondeling nieuws uit Roeselare.

Omstreeks 18 october vielen de Duitschers in die stad. Het was laat in den avond. Ze schelden aan de huizen. Klopten en schopten en waar niet spoedig genoeg werd opengedaan, stampten ze de deuren in. Sommige deuren en poorten dragen nog sporen van hun geweerkolven.

Ook bij een mijner oudste, nog levende vriendinnen aldaar traden ze onversaagd binnen ten getalle van veertig:

‘Zitten hier belgische, engelsche of fransche soldaten verborgen?’ aldus de overheid tot haar, terwijl hij een revolver op hare kin hield gemikt.

Die dame is een moedige: ‘Neen,’ antwoordde ze, zonder groote ontsteltenis, zich aan alles verwachtend.

‘Ga voorop, toon het huis.’

De meid opende een benedenkamer, evenals hare meesteres onder onafgewende bedreiging van een schot. Vandaar ging het naar 't salon: ‘Alle meubels weg, hier zullen de manschaften slapen.’

Toen moest de huisdame voor den gebieder de trappen op, steeds met den loop van 't geducht wapen niet verre van den nek. Hij vond een paar kamers naar zijn zin. Deze moesten dadelijk voor hem en een officier in gereedheid worden gebracht.

Toen ze beneden kwamen, stond de dienstmeid te beven van schrik:

‘Madame, ik ben hen voor moeten gaan in den kelder om al het proviand aan te duiden; een van de twee, die mij voortstuurden met den loop van hun geweer, ontstak daar een fakkel, die hij tegen den grond hield om alle hoeken na te zien en achter de tonnen te snuffelen.’

Ze bleven er dagen op dagen, deden geen kwaad, maar 's avonds ontstaken ze gaslicht in alle plaatsen waar bekken waren.

Die dame is weduwe en bestiert de weverijfabriek van wijlen haar man. Daar was van den eersten dag alles doorzocht en 's avonds moest heel het gebouw verlicht wezen als ten tijde dat er werd gewerkt.

Nog vrijdag 15 januari '15.

De burgemeesters moeten op bevel der duitsche overheid de gemeenten waarschuwen, dat alle meldingen over de bewegingen van de duitsche operatiën, waar of onwaar, volgens krijgswet zullen gestraft worden.

Alle jonge, ongehuwde mannen tusschen 18 en 30 jaar worden opgeroepen ten behoeve van te bewijzen diensten aan het vaderland, 't zij

[p. 141]

onder de wapens of voor nuttige werken. Besluit der belgische Regeering van den Haver.) Dit beduidt natuurlijk degenen aan wie het mogelijk is zich daar toe aan te bieden.

Zaterdag 16 januari '15.

Nieuwjaarsbezoeken worden hier niet of slechts bij uitzondering gedaan, kaartjes niet of zelden afgegeven.

Steeds wordt het vee in menigte opgeëischt. Personen, welke wonen in de nabijheid van een der vervoerstations naar Duitschland, hooren den nacht door paarden henniken, koeien burrelen, schapen blaten en het schril noodgeschrei van zwijnen.

Petroleum is er niet meer te krijgen, gas is heel duur. In mijn keuken mankeert er voor 't oogenblik iets aan de leiding en de meid heeft niets anders dan een nachtlichtje, dat nauwelijks de volkomen duisternis in een schemering verandert. Van breien of verstellen kan er geen quaestie wezen. Mijn laatste bougies durf ik niet aantasten. Ze zit als in een grafkelder, zegt ze, doch mort geenszins.

Hoevelen zijn er niet in haar geval!

Spoedig zorgen, dat ze gaslicht krijgt.

Voordat ze slapen gaat, komt ze boven in de bibliotheek, mijn zitkamer, zich verwarmen... Hoe het verschil der standen en der opvoeding gewijzigd wordt in oorlogsnood!

Maandag 18 Januari, '15.

In de onmiddellijke nabijheid van Gent en toch heelemaal te velde, van alle woonsteden en dagelijksch menschenverkeer afgezonderd, staat er een oud kasteel. Het is zeer schilderachtig met zijn hoekige en kantige gebouwen en zijn twee gelijke hooge torentjes, waarrond bij schemeruur vledermuizen vliegen. Half verborgen staat het achter en tusschen slaghout en stammen van reuzenboomen, in welker kruinen het mutserdnest van de eksters als een zwarte bol in de nog naekte twijgen het oog aantrekt, voordat in vol ontloken lentegroen de meerlen en de nachtegaal zingen en de zevenzanger - het laatst aankomend zangvogeltje (vóor half mei.) zijn levensheil uitjubelt.

Naast de stallingen, met den gevel naar den aardeweg, staat een laag huisje, ook dagteekenend uit vroeger tijd, met kleine vensterruitjes op het geveltje zonder deur. Een groote poort verleent ingang op het klein binnenhof, langs waar men in het woninkje treedt.

[p. 142]

Bijna telkens als ik het luchtig landweegje, met dicht bijeenstaande+ knotwilgen volgend, in het open groene veld voorbijkwam, zag ik er een jonge vrouw door de openstaande poort aan de waschtob, of eenig naaiwerk doende, op een stoel zitten, stil zingend, met den voet een wieg schommelend. Het is de echtgenoote van den hovenier. Ze was een mooie vrouw, een beeld van gezondheid en prille jeugd. Haar oogen blonken van levenslust en op haar mond scheen geen ander uitdrukking te kunnen verschijnen dan die van tevredenheid.

Ook haar man, dien ik soms op het binnenhof zag, was een kloeke, krachtige kerel, dertigjarig: ‘een vent als een boom,’ zei eens een andere arbeider van hem.

Wat later speelde er een kindje aan den ingang der poort en zat er een kleiner op den arm der moeder en nog wat later liepen de twee oudsten elkander na en zat het derde in een stoeltje, onbewust nog van het leven, het gestoei aan te kijken.

En telkens ik voorbijkwam, was het mij als een weldoende veropenbaring der mogelijkheid van onverdeeld menschenheil.

Als ik Zulma, de jonge vrouw, zag aan den drempel, kon ik niet nalaten het woord tot haar te richten, al ware het maar geweest om den zweem van glimlach op dat mooi mondje, in dat blij gelaat te zien. Ook de twee oudsten - twee knapen - kenden mij en gaven mij ‘een plaksken,’ 't is te zeggen de hand.

De krijg brak uit. De man, gewezen kanonnier, nog niet vrij van den dienst, moest naar de grens als landverdediger...

Maanden zijn sedertdien verloopen; dezen namiddag voerde mijn weg mij daarheen. Ik zag het oud kasteel tusschen de stammen der hooge kruinen staan, met alle luiken dicht, in de drukkende, sprekende verlatenheid der niet meer bewoonde gebouwen.

Van in augustus zijn de eigenaars naar den vreemde gevlucht.

Ik ging voorbij.

De poort van 't hoveniershuisje was ook gesloten.

Laat ik toch eens weten of de vrouw nog hier is en hoe ze 't stelt. Ik keerde eenige stappen terug. De gordijntjes hangen nog even keurig geplooid achter de groenachtige ruitjes, maar de appel van de ingangsklink is niet, als vroeger, blinkend opgewreven...

Ja, ze was er, ik hoorde een lichten klompstap over de steenen van het hofje komen. En nu schrok ik letterlijk. Was zij dat: die miezere, gekrompen figuur, met het bleek gezicht en de doffe oogen? Zij, dat beeld van

[p. 143]

jonkheidsbloei eertijds?

En zij glimlachte mij als eertijds toe, haar gave tanden in de verdunde lippen sterker ontblootend.

Die glimlach sneed mij door het hart. Hij trof pijnlijker dan een bittere klacht zou hebben gedaan.

Hoe ze het stelde, of ze nieuws had van haar man?

En ze snikte eens zonder tranen, sprakeloos het hoofd schuddend, dra met de verfijnde handen haar wangen bedekkend; toen zei ze: ‘Neen,niets, geen brief, geen boodschap.’

En ik moest binnengaan. In het keukentje was het warm; de dekschijf van het kacheltje gloeide zelfs. Een ijzeren bed stond aan den wand onder den tikkenden horologeslinger, en in dat bed zaten de twee oudste kinderen rechtop. Ze speelden met houtblokjes en houten sparretjes, aan de toppen groen geverfd, en ander breekbaar tuig, op Klaasdag gekregen zeker.

Die twee waren reeds drie weken ziek, nu aan de beterhand. Ze moesten warm gehouden worden. Het kon aanstekelijk zijn, wat ze hadden, daarom was het kleinste weggedaan op haar geboortedorp bij een getrouwde zuster. De dokter wist niet goed waaraan ze leden; misschien kwam het van het gruisbrood, dat vele kinderen niet verteren konden.

En zij vertelde mij, wat haar leven nu was: altijd thuis, altijd alleen. Ze zag schier niemand dan den geneesheer, die om de twee dagen verscheen.

Geburen bezoek?

O, daar was ze bang voor. Ze verlangde er in 't eerst naar, nu niet meer. Ze moest al den kommer van zich werpen uit liefde voor haar kinderen, voor wie ze zoo noodig was, en kon het toch niet. En ze schudde als in wanhoop het hoofd.

Dat ze niet kon, was haar aan te zien.

Ze volgde den loop van haar eigen gedachten, als in vergetelheid van mijn bijzijn:

‘De kinderen mogen niets drinken dan melk. Ik, wat mij betreft eet schier niet. Petrool kan ik niet vinden; van zoodra het avond wordt, moet ik mijn huiswerk tastend doen. Ik spaar zelfs mijn nachtlichtje.’ En met den blik wees ze een half leeggebrand pitje aan in een glaasje vet, dat op de tafel stond.

Ze poogde te glimlachen om het rampzalig-comische van zooveel nood.

In eens zei ze, zich vermannend,

‘Ik dank u, dat ge gekomen zijt.’

[p. 144]

Doch hoe hier troost aan te brengen, te bemoedigen? Ik trachtte dat te doen, maar denk niet, dat ze luisterde...

En dan, na lang zwijgen, begon ze:

‘De dokter heeft mij voorspeld, dat ik geen drie maanden meer te leven heb, indien het zoo voortgaat. Slapen kan ik niet of weinig. Wij hebben immers voortdurend slecht weer gehad, altijd regen en stormen. Heel den nacht hoorde ik den wind zoeven door de hooge boomen, soms ook een slag; het was zeker een schalie of een steen, die van de torentjes afgerukt werd. Maar ik schrok toch telkens als ware het een schot geweest. Dat hield mij wakker... och, en bij windstilte is het even slecht. Wie zou er kunnen slapen als ge in 't donker uren op uren het kanon hoort, dat misschien uw man doodschiet!...’

Ik keerde terug langs het bochtig weegje met de knotwilgen omzoomd in sombere stemming van machteloos wereldwee, dat mij als een tweede figuurlijk floers van rouw omhulde in het werkelijk grijze floers van den winterdag.

Woensdag 20 Januari '15.

Aan den ingang van het Posthotel staat langs elken kant een schildwachthuisje met de duitsche kleuren: zwart, wit en rood, in tergende schittering. Een zeppelin overvloog dezen nacht de stad.

Het is morgen. Om elf uur staat een auto gesloten voor de deur; bezoek van een duitschen neef, Regierungsrat en Oberleutnant. Een kolos, het rechter oog onder een zwartsatijnen mom verborgen, het glas van een neusnijper over 't linker. Op de breede gestalte draagt hij een grijzen mantel, die tot aan de laarzen reikt en toen hij dien heeft afgenomen, zie ik het gebloemd gouden officiers bandje, op de schouders, het zwart en wit IJzeren Kruis 1 klas laag op de borst en dat hij gewapend is met degen en patronentasch.

Hij is de vijand, en toch ontvang ik hem: als kind heb ik hem in 't vaderhuis (1888) op den schoot gehad en vertelseltjes verteld. Hij was destijds vijf of zes jaar oud.

Hij verblijft+ te Rijsel en ambtshalve rijdt hij van de eene bezette plaats naar de andere. Aldus kwam hij hier met een boodschap voor den Kommandant. Vechten doet hij niet. De wond aan 't oog is een accident. Hij is ingekwartierd bij een fabrikant, wiens vrouw een belgische is. Hij wordt goed onthaald en zij verzorgt liefderijk zijn gekwetst oog. Het is onzeker of hij het niet verliezen zal. In dat geval verlaat hij het leger.

[p. 145]

Ondanks die kommerrijke mededeeling is hij zeer vroolijk en opgewekt:

‘Der Krieg! O, ja, es ist nun einmal so! maar wij hebben er toch allen genoeg van.’

‘Hoelang zal het nog duren?’

‘Dat weet niemand. Wij hebben geen wrok tegen België, maar het ware beter er voor geweest een andere politiek te volgen. Frankrijk en België zijn de gefopten van Engeland, dat slechts zijn eigen belang zoekt. De Keizer was en is nog vredelievend. Hij heeft het geduld tot het uiterste gedreven; maar hij moest oorlog voeren, Rusland dwong er hem toe, heimelijk ondersteund door Albion. België had een verdrag gesloten met Engeland, het hield zich niet neutral.’

‘Dit wordt van hooger hand geloochend,’ werp ik op.

Maar hij is smijdig+ en hoffelijk, hij glimlacht eens:

‘Nun ja, het zal later te onderzoeken zijn.’

‘Wanneer het einde van al die ellenden?’ laat ik niet af te willen weten.

‘Rusland wordt verslagen, het is van nu af aan zoo goed als verloren; wij hebben zes honderdduizend russische krijgsgevangenen. Sobald wir mit Rusland fertig sind, wird es flink von der hand gehen... Al het overige zal gauw volgen.’

‘Gij meent Frankrijk en Engeland?’

‘Ja, ja zeker. Engeland bezit geen officieren meer, Frankrijk doet colossale verliezen, aan de Aisne is het honderd vijftig duizend man kwijt.’

‘En Duitschland?’

‘Ook ontzaglijk veel. Maar onze zaken staan voortreffelijk. In Duitschland merkt ge zelfs niet, dat er krijg wordt gevoerd. De schouwburgen zijn open, concerten worden gegeven, de koffiehuizen zitten stampvol.’

‘Nochtans zijn bijna alle weerbare mannen weg.’

‘Op verre na niet, Duitschland heeft reserves voor twee jaar en langer nog. Ik heb vier broeders, zooals gij weet, wel is waar de eene pastoor, maar ik alleen ben in dienst.’

‘Indien Duitschland zegepraalt, zal het ons inlijven?’

‘In 't begin van den strijd scheen wel het plan daartoe te bestaan, nu niet meer. Wij willen België niet. Wat zouden wij er mede doen? Een

[p. 146]

andere taal, andere zeden en gebruiken, het ware een last voor ons.’

‘Gij vergeet de Schelde, die ge noodig hebt.’

‘België zal onder voogdijschap staan van Duitschland. Van nu af aan zijn de forten van Luik en Namen doelmatig ingericht voor een blijvende bezetting.

‘Een vrij land dus als de provincies Elsas en Lotharingen,’ ‘kan ik niet laten grijnend te zeggen.

‘Iets dergelijks, ja so ungefähr.

‘Duitschland was hier vroeger bewonderd maar nooit sympathiek, het zal hier nooit bemind, maar nu verfoeid worden.’ Ik heb te veel gezegd. Het onderhoud wordt hem zichtbaar onaangenaam: ‘Dat weet ik...’

‘Wij zijn goed ingelicht,’ antwoordt hij wel ietwat scherp.

Mijn inzicht was niet hem persoonlijk te kwetsen. Wij spreken van wat anders, van familieaangelegenheden, van vroeger tijd, van zijn kort bezoek aan de gentsche tentoonstelling verleden jaar.+

Maar... net als uitgegoten water onvermijdelijk naar de diepte stroomt, zoo keert toch telkens en telkens de krijgsquaestie weder in 't onderhoud.

En eindelijk - zijn uurwerk uithalend - moet hij heen. Een paar officieren verbeiden hem in het Posthotel aan 't middagmaal. Samen vertrekken ze daarna. De tocht neemt 1½ van hier naar Rijsel. Een halsbrekerij aldus te rijden!

Ik ga met hem beneden.

De auto snort zijn ongeduld uit. De ordonnans springt er aanslaande van af; de chauffeur zit onbeweeglijk aan het stuur en nogmaals met vernieuwden handdruk en een laatsten groet door 't raam vertrekt de vijand, dien ik helaas! door den trok van 't bloed toch nog lief heb.

Donderdag 21 Januari '15.

Dezer dagen heeft Mgr. Mercier, aartsbisschop van Mechelen een herderlijken omzendbrief laten drukken. Deze moest in al de kerken van het land op een bepaalden zondag van de kansel afgelezen worden. Dit is slechts het geval kunnen zijn voor een drie- of viertal plaatsen.

Onmiddellijk legde de duitsche overheid beslag er op. Toen bestond er plan om het stuk als vlugschrift in de dorpen en steden uit te deelen.

Verbod daartoe kwam. De dagbladen meldden zelfs, dat de aartsbisschop was aangehouden. Dat was niet waar. Welke opschudding zou het

[p. 147]

inhechtenis nemen van den belgischen primaat in heel de catholieke wereld hebben gemaakt! De censuur zag er dan ook van af en beperkte de straf door den uitgever verantwoordelijk te stellen voor 't gerecht.

Heden kreeg ik het verboden stuk te lezen. Het is merkwaardig, ofschoon vermoeiend lang als alle godsdienstige omzendbrieven zijn. Toch kunt ge het niet uit de hand leggen; daarin staat melding van al de door 't leger gepleegde euveldaden, de verwoestingen, het overtreden der conventies van den Haag en van Geneve, het brandstichten, het dooden van geestelijken, met opgave van eigen namen en plaatsen waar ieder feit gebeurde. Het is een moedige aanklacht tegen het barbaarsch+ miskennen van menschenrecht. Het is een heldendaad dat te durven in deze beroerde periode, waar de wedervergelding zoo streng wordt toegepast.

Ge krijgt een koude huivering bij 't lezen dezer beschuldigingen, zoo stout aangevoerd van priestersmartelaarschap en zijt er niet verre van af te denken, dat de aartsbisschop zelf liever de kroon der martelaren zou veroverd hebben uit liefde tot zijn vaderland dan de kwijtschelding, om door het zelfverloochenend voorbeeld meer klank en gewicht aan zijn pleitrede tegen 't onrecht bij te zetten.

In de dagbladen werd - naar men beweert op bevel der overheden - gemeld, dat tusschen hen en den primaat een vriendelijk verdrag was gesloten, waarbij hij gewillig afzag van 't verspreiden van 't mandement, omdat het dingen inhield, kwetsend voor Duitschland.

Zaterdag 23 januari '15.

In een heimelijken brief, door een kerkvoogd geschreven, wordt plechtig verklaard, dat Mgr. Mercier niets ingetrokken heeft van zijn pleidooi tegen 't bewind noch met niemand van vijandlijke zijde daarover onderhandeld.

Van dien brief van protestatie, in 't geniep van hand tot hand overgeleverd, wordt in de dagbladen geen woord gerept.

Dezen morgen wees de barometer nog enkel twee streepjes boven tempeest aan. Na al het slecht weder gaan wij het dus nog erger krijgen.

Slecht weder vrees ik niet. Ik ging uit om elf uur. Mijn doel leidde door 't Stadspark. De breede wegen waren droog en hard, behalve nog modder hier en daar in de wagensporen. Het gras lag groen als in het najaar. De lucht was zoo ijl, zoo doorzichtig; elke stam, ieder sprietje en twijgje zoo zuiverduidelijk als met inkt afgeteekend. De meezen prazelden in het donker dennengewas; geelachtige botten stonden dik gezwollen op de

[p. 148]

siergeneverstruiken, die altijd eerst ontloken willen zijn. En daarboven de hemel, o de hemel, de groote, hooge, ronde koepel, gelijkvormig overal van het zachtste turkoozenblauw!...

Er was eerst geen mensch te zien. Er lag een heilige vrede om mij heen; een algeheele verzoening van strijdige natuurelementen, weldadig, na zooveel onrustwekkends en bedroevends onder ons. Het zweefde voelbaar en onzichtbaar boven, en tusschen de boomen; het lag in den geur der aarde en over den vijverspiegel; het oefende zijn macht, omvattend, op alles uit; het behelsde een zegenende belofte van wereldheil...

Ik schoot als uit een droom... was het dat ver gedonder van het thans nooit meer zwijgend kanongeknal, waarop ik eerst geen acht had gegeven? Ik weet het niet, maar de werkelijkheid greep mij plots in hare klauwen vast.

Een groote, grauwe wagen rolde zwaar aan op den voor rijtuigen verboden weg door het Park.

Hij was overdekt met een grauw zeil en in zijn voorbijhollen, las ik ‘Kaiserlich’ en ‘Bataillon’ en een nummer. Het was een wagen in alles gelijk aan dengene, waaruit de lijkreuk op genen bewusten avond mij vluchtig den adem afgesneden had...

Een groep soldaten kwam ginder aan. Hun uniform was ook van grijs grauw geworden, enkel het roode bandje rond de muts stak als kleur op hen af. Door de beweging hunner stappen zag ik nu de scheede van hun dolken vonken schieten in de zon en de bruine patroontasschen aan lederen riemen hangen van hun gordelband...

Helaas van morgen wees de barometer nakend stormweêr aan!...

Ik had een boodschap in een tot nog toe nooit betreden huis, een villa buiten de stad te doen. De heer was er niet. De dame stond mij te woord: een zachte stem treurige oogen, stille gebaren. En als overal elders werd er dra gesproken van den benarden tijd. Het stemorgaan beheerscht meestal mijn sympathie. Het hare was zoo melodieus en klankenrijk, dat het mij heelemaal boeide en het gevoel van wederzijdsche aantrekkelijkheid moest wel bestaan tusschen ons, aangezien ze, in stede van een bode te schellen, een sjaal omsloeg en zelve mij bij 't henengaan door de slingerpaden van den vrij grooten tuin, uitgeleide deed. Die sjaal was zwart, haar eenvoudig kleed was zwart, haar grijzend haar was nog wat zwart, hare kleur en hare oogen waren donker: een echte rouwfiguur.

Dat was zij ook: haar oudste zoon sneuvelde te Diksmuide. Ik had het aandoenlijk bericht van zijn vroegen dood weken geleden in de dagbla-

[p. 149]

den gevonden en het had mij meewarig ontroerd.

En nu sprak ze van hem; haren Jérôme, die aan zijn laatste doktersexamen was. Korts voor zijn dood, had hij hen - bij het doortrekken van zijn regiment - nog bezocht. Drie kwartieren had hij in de ouderlijke woonst mogen blijven. Vol moed en jeugdig vertrouwen was hij heengegaan. Slechts veertien dagen na het bericht van zijn overlijden had zijn vader het haar durven mededeelen:

‘En thans,’ zei ze, ‘heb ik een triestig voorgevoel: er hangt opnieuw iets in de lucht; mij wordt iets verborgen, ik weet niet wat, maar ik heb er zekerheid van. Ik heb nog een zoon en een schoonzoon aan het front...’

Ze zei dat alles zoo kalm onderworpen en toch zoo tragisch-indrukmakend, dat ik niet nalaten kon te zeggen:

‘Ik bewonder u, ik bewonder al de moeders hier, zoo gelaten onder de slagen van het noodlot.’

‘Ze sterven voor het vaderland, onze zonen; ik zeg en ik herhaal het mij altoos; maar dat kan in mij niet troostend doordringen, het is toch mijn kind, dat ginder verre van mij hulpeloos stierf en begraven ligt...’

Wij drukten elkander de hand als oud-bekenden en zonder vaarwel zeggen, met tranen in het oog, keerde ik terug door het eenzaam Park.

Verstrooid wilde ik den weg volgen, die aan het Feestpaleis voorbijloopt. Een bij de trap staande schildwacht wees mij - met een breeden armzwaai - van op afstand nog, een andere richting aan.

Achter het naakte, dichtgetakte slaghout, op de groote baan, hoorde ik talrijk spijkerstappen gedruisch, fluittonen en gedempt zingen:

‘Lieb Vaterland, magst ruhig sein,...

Het klonk berustigend als een wiegelied in de stilte van den heerlijk mooien morgenstond...

En toch: de barometer wijst nakend tempeest aan. In het zoogenaamd Kuldershuis - het jongens-weeshuis, zijn zeshonderd soldaten ingekwartierd. De knapen bevinden er zich ook nog, geherbergd zoo goed en zoo slecht als het kan en vinden 't heel pleizierig. Ze krijgen ieder slechts 250 grammen brood per dag. Dat is niet genoeg voor de grootsten, die er achthonderd aten eertijds. De bestuurder doet het onmogelijke om het ontbrekende te kunnen aanvullen door aardappelen, boonen, mossels, enz.

Maandag 25 januari '15.

Dezen morgen nam ik den tram aan den hoek mijner straat met

[p. 150]

bestemming naar het Gemeentekerkhof. Het platform stond als altijd vol Duitschers. Het kostte moeite om er door te dringen. Binnen was er geen plaats. Dadelijk bood een officier mij de zijne aan. Ze zijn over 't algemeen heel hoffelijk, de officieren. Het grootste gedeelte stapte af aan het lazaret, dicht bij het Gerechtshof.

Een jonge, slanke, zeer schoone dame, met een ottervellen baret op het hoofd en een ottervellen jas aan, sierlijk van snit en aristocratisch fijnmatharig, hield een wicht van een maand of acht op den schoot, heelemaal warm in wit bont gehuld. De meid, rosharig, klein onooglijk, hield nog een extra, wit kinderbont op de knieën.

De kleine verwende, die blijkbaar nog geen studies ondernomen had over een welvoegelijke houding in 't openbaar, wipte herhaaldelijk op en wierp telkens een schreeuw uit als een jong haantje, dat kraaien leert. De moeder glimlachte om die levensuiting van vreugd. Rechtover haar zat een officier. Hij sloeg zijn blikken niet van het kind en om zijn mond speelde een droeve glimlach van vaderlijke belangstelling.

Wie weet had hij geen zoontje van dien leeftijd thuis! Aan een halte kwam een jonge mansgestalte, haastig binnen. Het geleek op het hoppen van een sprinkhaan; ruw plofte hij op de bank neder.

Nu zag ik, dat hij slechts een been had en twee krukken in de hand hield: twintig jaar, frisch, gezond, bloeiend en nog niet neergedrukt door zijn verminking! Fier keek zijn wakkere blik om zich heen: tot nu toe putte hij vergoeding voor de ramp in 't zelfbewustzijn van volbrachten vaderlandschen plicht. Wat zal het later wezen na den eersten geestdriftroes?...

De lucht was grijs, de grond vochtig. Regende het of was het nevelnat dat alles omhulde?

Het soldaten kerkhof, ligt heel op het uiteinde der begraafplaatsen, in een nieuw, aan 't oud kerkhof toegevoegd gedeelte.

En ik lees op de kruiskens namen, datums en cijfers: Soldat de la marine francaise, Russische vrijwilliger, achter een onmogelijk te onthouden naam, die met of eindigt. Op twee kruiskens naast elkander: ‘Engelsche soldaat??’ wat verder: ‘Soldat 2me des Grenadiers 506.’

De Duitschers liggen allen in een gelijk langwerpig graf, gescheiden door een smalle strook gronds, deze zijn omzet met grauwe tegels. Op ieder - zonder terpje - staan planten met altijd blijvend groen: yuccas, thyas, aucubas, maar die er tot dusverre niet toe besloten hebben te willenv groeien in de kille winterlucht. Overal liggen kronen van gevlochten dennetakken, van kerslaurier en hulst, met zijn glimmende, grilliggekrul-

[p. 151]

de en stekelige bladeren en zijn bessentrosjes, als bloeddruppels rood.

Maar het wordt tijd om heen te gaan.

Juist binnen den uitgang blijf ik staan kijken, geboeid door den aanblik van drie opgetimmerde stellen, waarop bergen van verzilverde kunstbloemen, witte strikken en witte palmen liggen, als met stofsneeuw overschitterd; overtollig met verspillende hand is het huldeblijk opgestapeld.

De klok luidt het middaguur.

‘Het hek wordt gesloten,’ bericht mij een man, die met een spade op den schouder naar die richting toetreedt, ‘maar maak geen haast, ik zal u wel buiten laten.’

‘Wat beduidt dit hier?’ vraag ik hem, terwijl ik lees op het plankje aan een bloemhoop hangend: ‘De Weerdt.’

Op den anderen: ‘De Mulder.’

Op den derde: ‘Blomme.’

‘Drie kameraden, gentsche jongens,’ deelt hij mede, ‘en zonderling genoeg, drie eenige zonen. Ze zijn hier enkele dagen geleden aangebracht en liggen voorloopig hier in den kerkhofkelder, totdat hun vaste rustplaatsen klaar zijn. De twee eersten sneuvelden te Oplinter bij Thienen. Ze zijn ginder ontgraven. Deze hier - Blomme - viel voor Antwerpen en lag op 't Kielkerkhof. Ach, het is zoo jammer, hij heeft hier verleden jaar den eersten prijs van beeldhouwkunst behaald in de Academie,’ vertelde hij nog, terwijl hij mij naar het straathek geleidde, reeds gesloten, en dat hij met groote inspanning opende.

‘Gisteren heeft het kanon van heel den dag niet gezwegen, het galmt zoo hol en luid, hier op het kerkhof... ik verneem, dat de bondgenooten vijftien kilometer achteruitgeslagen zijn, 't is jammer, 't is God te klagen,’ voleindigde hij, mij beleefd groetend voor de dankbetuiging in den vorm van een muntstukje.

In het terugkeeren moet ik voorbij een vriendenhuis. Ik schel eens aan. Daar woont een majoor met zijn twee zusters. Hij is aan 't front: laat ik even aanvragen, of er nieuws van hem is.

De oudste alleen is aanwezig. Haar hoofd wordt geschud. Het antwoord is dus ‘neen’.

Sedert weken geen bericht, geen brief. Ze verkeert in de grootste onzekerheid, of hij nog leeft, gekwetst of dood is. En na een poos van stilzwijgendheid, herneemt ze: ‘Ik heb toch een brief, vandaag gekregen, dezen morgen vroeg, door bemiddeling van den consul van Holland bereidwillig toegezonden,’ en ze blikt mij zoo raadselachtig, zoo veelbeduidend aan.

[p. 152]

‘Toch nieuws dus?’

‘Ja, ja, maar van mijn buren, iets dat hen aangaat,’ en door het raam wijst ze rechtover naar een woning met koetspoort en vele gesloten vensterluiken: ‘Ze zijn al lang gevlucht naar Engeland met hun twee aankomende zonen. Ze stellen het daar goed, naar ik verneem, te Exeter. Bij een hun onbekende familie geherbergd, zonder een enkele uitgave te moeten doen... het zijn schatrijke menschen, mijn geburen.’

‘Zoo,’ antwoord ik, niet begrijpend, waarheen ze wil met dien scherpen toon.

‘Ze schrijven, dat hun leven daar gezellig is. Ze gaan naar schouwburgen, concerten en cinemas, o cinemas, daar zijn de jongens op verzot!... Op het einde van elke vertooning wordt als sympathie voor België de Brabançonne gespeeld. Al de aanwezigen staan op. Zij ook. Alle vier hebben ze een vaantje met onze drie kleuren. Dat zwaaien ze boven hun hoofden en krijgen ovaties zonder einde. Het gaat van “hip, hip, hourra!” te hunner eere,’ voleindigt ze met een schimplach van bitterheid.

De jongste der zusters, die ook niet zeer jong meer is, komt binnen met mof en pels. Haar neusje is rood van de kou. Ik druk haar de hand, waarvan ze den handschoen uitgetrokken heeft. Ik heb voorzeker te hard geduwd; want: ‘oei, oei, oei!’ klaagt ze, die terugtrekkend, waarna ze dadelijk glimlacht, ziende dat ik schrik.

‘Het is niets, maar zie,’ en ze toont mij den palm, waar kloven, rauw, rood in gapen: ‘'t Komt van het koud water,’ zegt ze met eenvoud.

‘Alle morgens gaat ze om acht uur naar het vroeger lokaal van “Vooruit”,’ bericht de oudste, ‘om aardappels te schillen en groenten schoon te maken voor de soep der werkeloozen.’

Ja, er is hier veel toewijding. Het zijn allemaal dames van den gegoeden stand, die dat werk op zich nemen.

Woensdag 27 Januari '15.

Het is de 56ste geboortedag van den duitschen keizer.

De klok luidt op St. Pieters toren, iets wat nooit meer gebeurt, daar alle klokken stil moeten liggen op hooger bevel.

Donderdag 28 januari.

Er werd gisteren Te Deum gezongen, in de open lucht, er was wapenschouwing, er werd door een overste een geestdriftige rede gericht tot de omstanders - waarom waren er gentsche omstanders? - Alles op St. Pieters

[p. 153]

plein. ‘De vijand,’ zei de spreker, ‘moet niet alleen overwonnen, hij moet verpletterd worden.’

In de Albertlaan staken op de talrijke roodbaksteenen geveltjes der bijgebouwen van het Palace hotel, thans lazaret, duitsche vlaggen uit. Vendels met hier onbekende kleuren wapperden op de Clementinelaan aan een paar groote woningen. Consulaten, zeker? Ik zag korven met champagne binnensleuren in een monumentale woning op den Steenweg, met opschrift: ‘2de Bataillon.’

Anders was er weinig te merken van het feest. Als altijd veel soldaten beweging op de straat, geen zang te hooren, geen vreugde vertoon, geen dronkenschap te zien.

Een bende trok op zuidwaarts, heel in blinkend zwart doek gekleed. Het onwetend volksgeloof beweert, dat het ondoordringbaar geweefsel is,om den IJzer te doorwaden.

Vrijdag 29 januari:

De ‘Kölnische Zeitung’ van 27sten dezer maakt van de gelegenheid gebruik om uitbundigen lof toe te zwaaien aan den vredelievenden keizer, het symbolum van 't duitsche vaderland. Onze plaatselijke bladen reppen geen woord van dien geboortedag.

Vriendinnebezoek. Ze vertelt van haren neef, zestien jaar oud, de jongste van vier kinderen, meisjes alle drie. De vader is magistraat. Als eenige zoon was hij de lieveling van 't gezin: braaf, leerzaam, zulk een kranig kereltje!

De spreekster heeft tranen in de stem.

Het was in de eerste dagen na de oorlogsverklaring van Duitschland aan België. De opgewondenheid was immers groot onder de jeugd!... Op een voormiddag kwam hij thuis van 't college met den lederen riem over den schouder en de zwarte, blinkende boekentasch op zij, in korte broek en bloote kuiten. Met geestdrift in den blik ging hij voor zijnen vader staan - de wijze van verhalen herinnert aan onze oude vlaamsche liederen - ‘Vader,’ sprak hij, ‘ik ga op als vrijwilliger.’

‘En ge zegt dat zoo maar eenvoudig weg, ge vraagt zelfs geene toestemming.’

‘Vader, laat mij gaan,’ smeekend thans.

De vader aarzelde misschien: ‘Ik zal er met uw moeder eens over spreken.’

Hij wachtte niet, de kleine. Hij ging bij zijne moeder, weder in dappere stemming en meldde 't haar:

[p. 154]

‘Anderen, kameraden van mij, wagen hun leven. Ten achteren blijf ik niet. Moeder, ik ook wil gaan.’

Maar zij hief groot misbaar aan: ‘Ge zijt te jong, ge weet nog niet, wat ge wilt. Later zult ge een ambtskeuze kunnen en mogen doen. Ge zult mij dankbaar wezen, dat ik u die daad van onbezonnenheid, van dwaze roekeloosheid verboden heb.’

‘Indien ge 't mij belet, zal ik het u nooit vergeven.’ Hij sprak stout tegen haar als tegen zijns gelijke in leeftijd en verstand.

De vader trad binnen en kwam er tusschen:

‘Dat, kan niet, jongen, heel het leven en het geluk liggen open voor u, wees dan wijs, denk aan de toekomst.’

‘Aan de toekomst heb ik gedacht. In elk geval zijt ge beiden mij kwijt. Lang zal ik hier niet blijven; mijn besluit staat vast van nu af aan:’

‘Ik word missionnaris,’ en hij richtte zijn korte gestalte in de hoogte.

Het viel op hen als een hamerslag. Maar na de eerste verrassing, ontwaakten zij als uit een roes: het was alsof een aureool van onschendbaarheid dat fiere, jonge kopje omglansde en, fier hij zelf, zei de vader:

‘Ga, mijn jongen, en dat God u beware!’

De moeder schreide hartbrekend. Hij poogde niet haar te troosten: ‘Stem toe,’ zei hij enkel, ‘laat hem doen, wat hij voor zijn plicht acht.’ Maar de stem klonk beslist en als een ontegensprekelijk bevel en zij snikte: ‘Ja.’

Het kind vertrok vol jeugdig vuur...

Wat of zijn lot nu wezen zal?...

maandag 1 Februari '15.

Ik was vroeg opgestaan. Ik hoorde paardengetrappel. Voor den oorlog gebeurde dat bij tijden dagelijks in mijn straat: lanciers, die in groot getal naar het oefeningplein van St. Denijs trokken of er van terugkeerden, zelfs zwaar gerij van kanonnen, wat het huis daveren deed.

Ik keek niet eenmaal op meerendeels, zoo gewoon waren mij die aanblik en dat gerucht.

Nu schoof ik het gordijntje ter zijde: daar trekt een ruiter voorbij, heel in 't grijs, omhuld door grijze morgenschemering. Hij leidt een paard aan den toom, dat gewillig, onderworpen, met gebogen nek voortstapt. Dat waarop hij zit steekt den kop op. De ruiter ook zit zelfbewust en kranig recht.

[p. 155]

Een korte leemte.

Nu volgt een tweede ruiter, die ook een paard leidt en zoo voort, totdat er vier en zestig geteld zijn. De reeks wordt gesloten door een officier met goud op de schouders.

Dit is een onbeduidend iets en een onbeduidend paardengetal bij de vele, die in den strijd zijn, ik weet het wel, en toch treft het zicht er van pijnlijk. Die paarden zijn kloek, krachtig, 't een grooter, dikker dan 't ander, van alle kleur: bruine, zwarte, appelgrauwe, witte, rosse, heelemaal verschillend van onze legerpaarden, die alle nagenoeg gelijk hoog en donkerachtig zijn.

Dus boerenpaarden, langs alle kanten, in alle gouwen van ons Vlaanderen opgeëischt, aan den veldarbeid onttrokken. De dagbladen hebben vermeld, dat er in 't omliggende van Eecloo, op eenige kilometers ruimte, niet minder dan negentig ploegpaarden aangeslagen en heengevoerd zijn.

In de landbouwschool van Ruiselede, een weldadigheids gesticht, waar honderden en honderden jongens verblijven, werden onder meer veulens van een jaar oud medegenomen, niettegenstaande het heftig protest van den bestuurder, die onbeschroomd aan de overwinnaars het hoofd bieden dorst; en, ofschoon er officieren van heel hoogen rang te zijnen gelogeerd waren, die wel konden zien en voelen het onmenschelijke van een handelwijze, die ten langen laatste tot hongersnood voor al die behoeftige kostgangers en heel de bevolking leiden moest.

Dinsdag 2 februari 15.

Tot hiertoe zijn te Gent voor ongeveer vijftien millioen gesponnen vlasgarens opgeëischt.

Al de huiden van koeien, vaarzen, ossen en stieren zijn te leveren aan de Kriegsleder Aktien Gesellschaft te Brussel.

Vrijdag, 5 februari 1 uur

Troepen soldaten komen door mijn straat. In 't grijs, meest allen met een groenen pinhelm op. Ze zijn zwaar geladen met wapens, ransels, opgerolde pakken, met keteltjes of metalen kokers op den rug. Hun houding is gebogen, bij meest allen zinkt het hoofd naar den grond. De straat klimt nog al op, daardoor kan het komen; of is het vermoeienis? Een sleept zijn been, hij kan den vluggen pas der overigen bezwaarlijk bijhouden; een drietal hinken, strompelen, dreigen te vallen.

[p. 156]

Ik tel en tel, misschien met een lichte vergissing, maar kom tot achthonderd. Ze zijn verdeeld in scharen van een vijftigtal: in 't eerste gelid gaan er vijf, dan telkens vier. Tusschen elk peloton, van de andere hoopen heel afgescheiden, stapt manhaftig een officier.

Ze trekken op in de richting der Leopoldkazerne, in Wilhelmskazerne herdoopt+.

Later verneem ik, dat ze, van 't front komend, hier een rustpoos zullen doen.

Om drie uur ga ik in het Stadspark. Langs de lanen, met kastanjeboomen beplant, die er heen leiden, staan ijzeren palen, met aanduidingsplaten der Gentsche politie: ‘Verboden voor ruiters, auto's, rijtuigen en moto's.’ De bestrate weg - heel breed - ligt op heel de lengte berijdbaar open.

Het verbod verachtend, komen, als immer, Duitschers te paard, een, twee of drie tegelijk op die aardewegen aangedraafd of in galop, zoodat groote brokken van den grond achter hun hoeven wegvliegen, en de grond zelf hobbelig doorploegd liggen blijft.

Het weder is heerlijk, de hemel wolkeloos blauw; de meezen zingen; alles schijnt te jubelen, omdat de lente in aantocht is. Er hangt een ragfijn floers van pareltint en maluwmauve tussen de heesters, waarachter de donkerheden der dennen te sterker uitkomen. Geen adem van den wind rimpelt het effen vlak van de vijvers, waarop blanke zwanen, als pleisteren kunstwerken, onbeweeglijk liggen in den reeds warmen zonneschijn.

Enkele wandelaars; hier en daar een jeugdige, sierlijke dame met een meid, die een kinderwagentje voortstuwt; schildwachten patrouilleerend voor het Feestpaleis, voor den ingang van den Plantentuin,+ voor het museum van schilderijen. Maar vooral Feldgrauen, overal Feldgrauen slenterend, den dolk - versierd met gekleurde kwispels op zijde, den revolver in de scheede op de linkerflank, of het geweer op den schouder,en de bajonnet daarboven uitstekend, emblema van een bestendig dreigement.

Beneden een kleine helling staat een groep menschen, burgers en soldaten. Daar is iets te zien en ik blijf ook kijken: een jongetje, een arm kind van een jaar of twee oud, staat te schreien bij een modderigen

[p. 157]

plas, dien het goed weder den tijd nog niet gehad heeft om op te drogen.

‘Allo toe, zeg waarom da ge schreemt,’ vraagt iemand aan den kleine, hem bij het schoudertje schuddend; doch hij jammert voort als een stil, traag, slepend gezang.

‘Hij is al te klein, hij kan dat nog niet uiteendoen,’ zegt een andere toeschouwer.

‘Zijt ge iets kwijt? Hebt ge wat verloren?’ gaat het weder.

Dat woord verloren, wekt hem uit zijn kindersmart. Het betraand gezichtje kijkt eerst naar den belangstellende op en hij murmelt iets onverstaanbaars, dan met het handje den grond aanwijzend.

Elk kijkt en zoekt... Een soldaat, die, neergehurkt, ook opsporingen doet, raapt uit de modder iets op, dat hij triomfantelijk omhoog steekt en aan den knaap geeft. Getroost reeds ziet de kleine zijn schat - een marmer+ - aan, die hem in de vuilnis ontvallen was.

‘Schön Dank,’ zegt in zijn plaats een dikke, bejaarde, manke dame, die ik voor mij aan den arm eener helpster heb zien voortsukkelen, die ook was blijven staan en met een ouderwetsche buiging knikt zij goedig den hulpvaardigen soldaat toe.

Al de omringenden schieten in een luiden lach en al de duitsche krijgers lachen galmend mede, met hun jonge witte tanden en hun frisch gelaat.

Schorsing, geest- en hartsineensmelting...

Maar... In de verre verte dommelt het kanon met zware tusschenbonzen van het moordend zeegeschut...

Zondag 7 februari '15.

Heden is op bevel van Paus Benediktus XV een algemeene boete- en biddag voor heel de katholieke wereld ingesteld: bezoek aan de kerk, biecht, communie, een smeekkreet aan den Allerhoogste tot het verkrijgen van den vrede.

‘Ik heb vernomen, dat de pastoor van Groot-St-Pieters buitengewoon driest is en in zijn sermoenen de waarheid zeggen durft in tegenwoordigheid van mannen der bezetting.

Ik ga er heen. De mis begint om elf uur.

Ik kom wat te vroeg; de voorgaande - de soldatenmis - is juist gedaan; door de middenbeuk nadert in dichte gelederen een traag voortschuiven

[p. 158]

de stroom van grauwe soldaten; men zou - meent men - op de hoofden kunnen gaan. Met vrome, trouwhartige aangezichten en zachtheid in den blik, kijken het meerendeel de geloovigen aan, die neergeknield of staande, ook vreedzaam gezind, die rampzalige vijanden zien voorbijtrekken.

De kerk komt onmiddellijk weder stampvol, van Gentenaren ditmaal. Op het koor boven de trapjes staat een lijkbaar, zwartbehangen met zilveren franjes en daarom heen een bosch van brandende waskaarsen: dàt ter herinnering aan de gevelde krijgers van ons land en onze bondgenooten. Zoodra de predikant op de kansel verschijnt, worden al de stoelen naar hem toe omgekeerd en al de blikken op hem gericht.

Teleurstelling: dat gebed, door den Paus opgesteld, wordt niet gelezen maar wel een mandement. Het handelt in algemeene bewoordingen over de rampen, die ons volk teisteren: ‘Wij hebben allen veel geleden, veel geklaagd en klagen nog. In de gebeden ligt de redding. Laten wij den God der heerscharen ootmoedig en dringend aanroepen, dat hij die geesels van ons afwende. Nemen wij onze toevlucht tot Maria, opdat zij daartoe haar invloed gebruike bij den Heiland, haar hemelschen zoon. Volgen wij het voorbeeld van onzen moedigen koning, van onze moedige koningin, wier vertrouwen onwankelbaar is.’

Neen, neen, het is niet, wat ik heb verwacht. Misschien draagt de wijze van voordragen er toe bij: de stem is te hard, te luid en mist overtuigende kracht. Ook de gehoorigheid der groote, hooge kerk laat te wenschen over. De klanken slaan ruw tegen de gewelven aan, botsen op het gehoor der vergadering neder en een hinderend echo herhaalt dof telkens het voorlaatst uitgesproken woord. De miserere, weerklinkt begeleid door orgeltoon. De priesters in volle rouwornaat gaan zingend rondom den catafalk en geurige wierookwalmen stijgen als grijze wolken op.

Voordat de preek aanving heeft de geestelijke van op de kansel verzocht een gebed te storten voor den genaamden Ernest Martier, gesneuveld op het veld van eer den 18 Augustus 1914 te Hauthem-St.Margareta.

Bij het uitgaan der kerk tusschen de talrijke aanwezigen, bemerk ik veel jonge mannen van allen maatschappelijken stand en het woord ‘martyre’ blijft mij in 't geheugen hangen: martelaarschap, levensveilheid voor het vaderland.

Waarom staan ze niet allen op, de weerbaren om den vijand te verdelgen? Kunnen ze, zelf in veiligheid toezien, dat anderen van hun kracht en leeftijd dagelijks neergesabeld worden?

‘Och, zwijg, zwijg,’ spreekt een andere stem in mijn binnenste: ‘hel-

[p. 159]

denmoed laat zich niet dwingen, hij draagt zijn loon in zich...’

En dan komt het over mij als een geweldig tij van wereldwee: Arme, niet dapperen, geboren om een periode van oorlog te beleven, die u al de schrikkelijkheden voorspiegelt, welke u wachten aan het front, met het zelfberispend, vernederend bewustzijn van lafheid en gebrek aan burgerdeugd, wetend, dat de oneer u wacht; de blaam van hen, die optrokken voor de heilige zaak... gevoelen, dat ge geen recht meer bezit om in 't vervolg het geboorteland uw vaderland te noemen... Het is ijselijk in elk geval man, jong, laks of dapper te zijn in oorlogstijd.

Maandag 8 februari '15.

Marie komt van een boodschap terug: ‘Ik heb daar wat gezien: de kapitein, die in het verbrand huis was gelogeerd is nu ingekwartierd - en zij noemt een nummer van den Steenweg - zeven of acht soldaten belden daar aan, en wat hadden ze bij zich: Alzoo een schoonen bloemenkorf met rozen en leliën en fijn groen daartusschen, bananen, appelsienen en hoopen amandels in het midden en een druiventros aan het hoog oor hangend; nooit heb ik zulk een grooten gezien, die korf was heel omwonden met purperen linten en strikken. Twee soldaten droegen hem.

Ik draalde wat om alles te zien. De keukenmeid opende en liet ze binnen, en voordat ze de deur weder sloot, keek ze eens vlug langs de twee kanten van den Steenweg: ‘Wacht,’ zei ik in mijzelve, ‘ik wil weten, wat dat beduidt.’

‘O,’ antwoordde ze op mijn vraag, ‘'t is de feestdag van den kapitein. Ze komen hem gelukwenschen. Er zal wat te tracteeren zijn!’

Donderdag 11 februari '15.

Heden zullen wij zuurkool eten, en Gothaworst en leverworst. De meid is dat alles gaan halen. Ze klopt op mijn kamer en heeft een beteuterd aangezicht: ‘Mademoiselle, weet ge wel, dat het allemaal duitsch goed is, wat ik hier medebreng, dat hebben ze mij daar in den winkel gezeid. Mogen wij dat gerust eten, ware van den vijand?’

‘En waarom niet?’

‘Ik dacht zoo 't komt toch van Duitschland misschien verboden spijs voor iemand, die zijn land nog gaarne ziet.’

Gewetensbezwaren als bij een vrome katholieke, die op zuiveldagen vleesch bereiden moet.

Ik tracht ze zooveel mogelijk gerust te stellen; maar ze is nog niet aan het einde van haar vaderlandsche bezwaren: ‘Die kapitein daar van den

[p. 160]

Steenweg, ge weet+ wel wie, is dezen uchtend+ opgetrokken in 't midden van een heelen troep met trommel en fluit.’

‘Zoo!’

‘En denk eens, zijn korf, zonder het fruit, maar met de strikken, de linten en de bloemen, staat voor 't kelderkeukenraam, waar hij verbleef.’

‘Hij kan toch alzoo een korf niet meedragen naar de loopgraven en 't front, Marie.’

‘Dat weet ik... hij zal haar dat misschien gegeven hebben bij het henen gaan, aan de keukenmeid, meen ik... Is ze niet beschaamd, dat tentoon te stellen, wat ze van een Duitsch krijgt of te willen, wat hij achterlaat!... Moest het mij gebeuren, ik stak den boel liever, waar hij nog bij staat, in de kachel, of ik stampte het onder mijn voeten aan stukken, er mocht van komen, wat er wil.’

Dezen namiddag was er koffiekrans in een vriendenhuis. Daar lag de ‘Rotterdamsche Courant,’ op een étagère.

‘Hoe durft ge dat hier hebben?’ vroeg ik, aan de gastvrouw, ‘hoe durft ge toch! het is verboden spijs. Moest er eens een Duitschman binnenkomen.’

‘Wat zou dat,’ sprak ze moedig.

‘Ik waag het niet. Ik kan die Courant alle dagen krijgen, zonder mij aan 't gevaar bloot te stellen hem te koopen. Ik krijg hem geleend, indien ik wil, en mag hem na lezing verbranden en durf hem toch niet aanvaarden,’ zeg ik. Andere dames waren nu ook aanwezig. Het gesprek over het geoorloofde en niet geoorlofde werd voortgezet:

‘Ik heb een luitenant te logeeren,’ zei er eene; Hij leeft met ons als kind ten huize. Hij is heel beschaafd, heel inschikkelijk, zelfs dankbaar en ik stoor mij niet aan hem. Wij lezen engelsche en hollandsche bladen. Ik beweer niet, dat wij ze tergend onder zijn oog tentoon spreiden, maar hij stelt zich aan als merkte hij het niet.

‘Wat leest ge dan? Er verschijnt niet veel meer.’

‘“Vooruit”, den “Bien public”.’

‘Het orgaan van 't Bisdom, de aartsvijand der liberalen!’

‘De “Flandre libérale” verschijnt niet meer. Die las ik van bij haar ontstaan, ofschoon ik er verre van af ben al haar overtuigingen te deelen. Tevens las ik steeds den “Bien public.” Ik zie er geen bezwaar in om het voor en tegen te leeren kennen.’

‘“De Gazette van Gent,” hadden wij,’ zei er eene.

‘Als politiek blad was ze onzijdig, maar beschavend, goed ingelicht en

[p. 161]

niet zelden wetenschappelijk. Ze is geschorst, na een levensloop van 248 jaar.’ Ik zweeg voorzichtigheidshalve en dacht aan al mijn angst voor verklikking, aan al mijn zorg voor 't bergen van verboden vrucht. Wat zou het die dames vermaakt hebben te hooren van een dagboek en van al de schuilhoeken, waar het opvolgentlijk zat!

‘De Duitschers zijn niet oordeelkundig,’ zei een welweetster, ‘te Brussel mag de “N.R. Courant” verkocht en verspreid worden, hier op tuchtstraf niet,’ en ze lachte eigenwijs.

Een andere wist het echter beter; ze kende er de reden van. Een duitsche dokter, die bij haar verbleef, had het haar vertrouwd. Ja, ja, het was een geheim... Ze mocht het niet voort vertellen, maar ze deed het toch: ‘Brussel ligt buiten het Operationsgebied en buiten de Etappe. Er is een bezetting, die er schier onafgebroken verblijft. Deze treedt slechts zelden in aanraking met de werkzame strijders. Het komt er niet zoozeer op aan, wat ze lezen. De N.R.C. geeft het nieuws zonder partij te kiezen. De steeds afwisselende soldaten, hier aankomend, na korten tijd naar 't front vertrekkend, zouden het noodige enthusiasme missen, moesten ze vernemen, dat Duitschland wederwaardigheden ontmoet en verliezen kan.’

Donderdag 11 februari '15.

De burgemeester van Gent ontving den volgenden brief:

2 mob. Etappen-Kommandantur. Gent 4 februari '15.

Mijnheer de Burgemeester,

Ik verzoek u al de boekhandelaren, papierhandelaren, enz. te verwittigen, dat het hun in alle omstandigheden verboden is de portretten der belgische Koninklijke Familie tentoon te stellen, zoowel aan vitrienen, als binnen de magazijnen. Zij, welke zich anders gedragen, zullen streng gestraft worden. De Kommandant der Etappe (get) Henz

 

Uit een door bevoegden gedaan onderzoek blijkt, dat de oude St. Niklaas-kerk - reeds geschraagd en geankerd - door de geweldige aardschokken van het zwaar vervoer gevaar oplevert. Zij wordt gesloten voor den toegang der geloovigen.

Zondag 14 februari '15.

Waar zou ik vluchten, indien Gent gebombardeerd moest worden? Nergens. Er bestaat geen oord van veiligheid meer: mijn huis ligt op het hoogste gedeelte van de stad, een goed mikpunt dus. De keldering is niet

[p. 162]

sterk boogvormig, dus niet zeker tegen gevaar. Elders heen? - waar? De wegen zijn niet veilig rondom de stad, de naburige dorpen zijn het evenmin... Ik dacht dwaselijk in het begin van den oorlog: ‘Ik zou in geval van nood mijn toevlucht nemen tot het Klein Begijnhof; het behoort aan den hertog van Aremberg, een Duitscher. Het zal “geschont” worden. Daar woont een nicht van mij, een vriendin en ook nog een bekende; deze zullen tijdelijk de gevluchten herbergen...’ Alsof van 't eerste kanonschot en nog vóor het vallen van 't eerste schot, de groote ingangspoort niet zou gesloten wezen!...

Het best is stil te blijven, waar men is en het komende en gebeurlijke gelaten af te wachten.

Er ligt een soort van bevrediging in, de fantazij vrij spel te laten, zich te vermeien in akelige voorstellingen, de toepassing vooruit te zien van strenge straffen voor kleine misdrijven die in beroerden tijd, groote evenredigheden aannemen; men wil in verbeelding sidderen voor wat het verstand toch weet, dat vermoedelijk niet geschieden zal.

Zoo kan ik mij verdiepen in gruwelwekkende en toch schier behagelijke geestesfoltering: van soldaten, die zullen binnenkomen, opzoekingen doen, handschriften ontdekken en mij tot ballingschap of tot de doodstraf veroordeelen...

Het gewicht zelf dat ik hecht aan mijn aanteekeningen, boezemt mij moed tot voortzetting in. Soms als ik slapen ga, in het zalig bewustzijn nog voor heden, en hoopvol voor morgen, veilig in mijn gewone, geliefde omgeving te wezen, denk ik genotvol: ‘wat ben ik blijde tot dus verre nog voor gevaar gewaarborgd+ te wezen.’

En toch huiver ik - enkel in een spel der verbeelding - een troost eerder dan het ontsnappen aan een bedreiging:

‘Nu zou 't mij toch niet lusten om morgen vroeg door krijgsmacht hier uitgehaald en naar het Park geleid, en daar gefusilleerd te worden!’ En mijn voorstellingsvermogen is zoo opgewekt, dat ik in werkelijkheid een schot meen te hooren, als op dien vroegen ochtend, toen de belgische spioen hier dichtbij, door zijn eigen landgenooten onverbiddelijk werd neergeveld. Ik ben het niet alleen, welke die schrikbeelden oproep en zinsbedrog den toom laat vieren: aldus zijn er bewoners in de buurt van het Gravenkasteel - de sterke Gentsche burcht uit de middeleeuwen - die 's nachts wakker schieten of den slaap niet vatten kunnen. Zij hooren weeklagen en noodgehuil. Dat stijgt - beweren ze - op uit onderaardse kerkers, waar noch licht noch behoorlijke lucht is, en waar duitsche sol-

[p. 163]

daten gevangen zitten. Deze hebben geweigerd naar den IJzer te trekken en zijn door den krijgsraad veroordeeld+ om aldaar in oublietten te verhongeren, totdat de dood zich hunner ontfermen, en aan lijden een einde stellen zal...

Verzoekt het niet, ze van hun overtuiging af te brengen... Is het ook verbeelding wat zoogezegde ooggetuigen vertellen van wapenoefeningen, die ze hebben gezien: oude onhandige mannen van den Landsturm, die kaakslagen en stampen krijgen, als ze de bevelen der onderrichters verkeerd uitvoeren? Jongens van zestien, zeventien jaar, soms wel lomperiken, inderdaad, maar waarop vloeken, met ‘Donner Wetter’ als hagelvlagen neerstorten door stooten en schoppen kracht bijgezet? Is het waar, dat ook beschaafde aankomelingen van den middelstand uit gymnasiums en pensionaten worden gehaald om dienst te nemen in het leger of op de bureelen werkzaam te zijn? Is het waar, dat onvolwassenen, onder zedelijken dwang, de wapens moeten opnemen als vrijwilligers, zooniet dat de openbare verachting op hen weegt? Dat weet ik allemaal niet, doch schrijf het neder als een bewijs van de opschudding der geesten of hun ontreddering. Alzoo vertelt men van een soldaat, die in een café zittend, een bende jonge kereltjes van het exercitieplein komen zag, eensklaps opstond, buitenliep en een kind van vijftien of zestien jaar, in soldaat gekleed, aan het hart drukte.

Het was zijn zoontje, dat uit een kostschool was gehaald. Volksgeloof waarschijnlijk. Maar altijd zeker is het, dat hier ontelbare baardeloozen verblijven, nu meer dan in 't begin van den krijg.

Maandag 15 februari '15.

Weeral paardenkeuring, altijd paardenkeuring voor Gent en het omliggende: ‘Onze jongens zullen op hun eigen paarden moeten schieten aan het front,’ wordt er gezegd.

's Namiddags.

Ze waren talrijk op het Maria-Henrietteplein, bij 't station van St.Pieters aangevoerd. Het regende bij stroomen; de wind blies in tempeest. Een deernisweerdige aanblik al die druipnatte dieren en die druipnatte leiders te zien optrekken daarheen. Enkel een paar honderd van de beste paarden zijn opgeëischt. Er waren er voorzeker niet veel meer onder, geschikt voor den legerdienst: mooie paarden zijn hier een zeldzaamheid, ten minste aan gentsche voertuigen gespannen.

[p. 164]

Dinsdag 16 februari '15.

Omtrent den avond, voordat de schemering inviel, ben ik uitgegaan. Ik ontmoette flinke officieren op flinke rijdieren in kundig afgerichten tred, koerspaarden, prijspaarden, aristocratisch, fijn, lenig, blinkend van pels.

En in eens nadert een bierwagen. Twee mannen zitten op den bok. Achter hen het smal, met tonnen beladen lang gevaarte met twee paarden bespannen: de eene trekker bruin, schonkig, de andere klein, alle twee geraamte-mager, niets dan ruige huid en knokken.

De wagen daalde van de glooiing der straat af, misschien vlugger dan de dieren loopen konden: de houterige beentjes waren druk in de weer; het kleinste van de twee knakte met de knieën en dreigde bestendig neer te storten. De menner achteroverhellend poogde ze tegen te houden. De bierwagen van maanden geleden, hoe holde die aan met zijn snuivende paarden, waarvan de manen achteruit wuifden: ‘Opgepast, voetgangers,’ aan de hoeken en bij het overschrijden der straat!

Het is van geen belang, zult ge zeggen, hoe een brouwerspaard er uit ziet. Ja wel, een dergelijk vertoon schetst een toestand van menschenellende en vernedering...

Zaterdag 20 februari '15.

Officieele duitsche mededeelingen duiden groote zegepralen op de Russen aan met opsomming van colossalen buit van oorlogsmateriaal en krijgsgevangenen.

Gisteren avond tot laat, klonk vreugdegezang alom. Heden morgen evenzoo. Lange reeksen soldaten kwamen langs de lanen van het oefeningsplein, meest allen zeer jong. De koude winterlucht had hun huid geprikkeld: de aangezichten, als bloemen op hooge stengels, heel dicht bij elkaar, heel frisch, droegen rozenblos. De gestalten waren kranig recht, de beenen bewogen vlug, in kadans van vermetelheid en levenslust.

De zang zweefde over hen: ‘Lieb Vaterland,’ en ‘Heimat... wiedersehn...’ Altijd Heimat, altijd het verlangen naar die dierbare Heimat weer te zien. In de dagbladen verschenen heden de namen van tal onzer gesneuvelden, hier en daar begraven, ontgraven en voorgoed ter aarde besteld.

Mijn doel was een bekendenwoon:

‘Welk een overmoed, welk een blijdschap,’ zei ik, ‘onder al die dapperen.’

‘Geloof hen niet,’ antwoordde de huisdame, in diepen rouw voor haar

[p. 165]

- maanden geleden - in een schermutseling gevallen kleinzoon: ‘Geloof hen niet, ten minste niet de ouderen, ze zingen op bevel, met tegenzin.’ En ze vertelde, wat ze wist van den bestuurder van een gesticht, waar troepen ingekwartierd zijn. Verleden week toen het zoo stormde en kletsregende, kwamen er ook druipnat en bemorst binnen:

‘Zingen,’ had de aanvoerder onderweg bevolen. Ze deden 't niet.

‘Zingen, zingen!’ klonk het gebiedend. Maar zwijgen bleven ze.

Op den koer van het gesticht aangeland, stapten de soldaten naar de open deur toe om binnen te gaan. De eersten in 't gelid zetten reeds voet op de trappen, toen een streng: ‘Halt!’ weerklonk.

Het was 't etensuur. Een lekkere reuk van soep wuifde uit het huis. De mannen hadden een langen weg afgelegd: ze waren uitgeput; ze bogen onder krijgslast.

Geen genade voor de weerspannigen.

In de plassen, onder den stroomenden regen, moesten ze knielen, op den buik liggen, mikken, schieten met loos kruit, een been omhoog steken, allerlei oefeningstoeren doen. Het duurde een half uur, voordat de straf werd opgelicht. En ze vertelde nog: Een soldaat, die gedurende zijn verblijf alhier dagelijks in een sigarenwinkel ging, en met de verkoopster, een oude, moederlijke matrone, gaarne een praatje deed, was er eenige dagen geleden aangekomen, vroolijk, stralend van tevredenheid:

‘Madame,’ had hij medegedeeld: ‘ditmaal geldt het een afscheidsbezoek. Ik vertrek naar Frankrijk met mijn compagnie, het was ons aller wensch, morgen zijn wij in Diksmude.

‘Zoo, zoo!’ en na een oogenblik overdenking, zei de winkelierster: ‘Naar Frankrijk? Maar ge vergist u, jongmensch, Diksmude ligt daar niet, maar wel aan den IJzer.’

Hij stribbelde tegen. Dat was niet waar. Zijn overheden wisten 't beter immers. Ze hadden duidelijk gezeid: ‘Naar Frankrijk.’

Toen haalde die dame een landkaart uit. Onvoorzichtig, koppig misschien en toonde hem aan, dat ze zich niet vergiste.

Hij schrok: ‘Naar den IJser, dat schrikbeeld, dat Golgotha van de duitsche soldaten!’

Hij was teruggekeerd bij zijn kameraden, had hun de ontdekking medegedeeld.

Algemeene opschudding!

En nu eerst begrepen ze het zonderlinge van de nieuwigheid: aan de troepen wordt niet vooraf gezeid, waar ze gezonden worden.

[p. 166]

Het geval kwam ter oor aan de officieren. Op staanden voet werd een onderzoek ingesteld. Wie had er oproer gepredikt, wie had er beproefd krijgers van hun plicht af te trekken?

De vrouw uit den sigarenwinkel was de schuldige. Ze werd naar Duitschland gestuurd.

Tijdens de laatste sneeuworkaan zijn door de bondgenooten bommen op Brugge geworpen. Het was een bestendig ontploffen, een onophoudend knak-knakken omhoog in de dwarrelende vlokken...

Maandag 22 februari '15.

Er zijn plakkaten te lezen op de blinde muren en houten beschotten van de stad: ‘De Vlaamsche Post’,+ algemeen dagblad voor Vlaanderen. ‘Zondag 21 februari 1915’ draagt het eerste nummer. Het beslaat acht bladzijden en behelst een landkaart met opgaaf der duitsche overwinningen op het oostelijk gevechtsterrein.

Een protest tegen die Post was reeds verschenen in de kranten, geteekend door Paul Fredericq+, Meert, Siffer, Speleers, Minnaert, Willems. Zaterdag werd in 't Atheneum+ een voorloopig benoemde jonge professor, die een verlangen naar verduitsching van ons land uitgedrukt+ moet hebben, door de leerlingen uitgejouwd. Hij diende een klacht in bij den prefect; deze onderhandelde + daarover met den burgemeester. De titularis, die in zijn klas niet meer verschenen was, kreeg bevel zijn lessen verder te geven op straffe van vervallen uit zijn ambt verklaard te worden. Hij kwam terug: geen enkele leerling was aanwezig op dien dag in zijne klas.

De overheden hadden aan de propagandisten van de ‘Vlaamsche Post’ een auto ter beschikking gesteld om, in geleide van een officier, de medewerking aan een in Westvlaanderen wonenden letterkundige+ aan te bieden. Wat deze aannam en deed. Het blad wordt op duizenden exempla-

[p. 167]

ren getrokken en grootendeels kosteloos verspreid. Het bewuste nummer bevat een overzicht van het verloop der krijgsgebeurtenissen in het oosten dat men daarin noemt ‘het belangrijkste punt van den strijd.’ Van den IJser wordt weinig gewag gemaakt.

23 februari dinsdag.

Drie uur in den namiddag. De meid komt mij heel gewichtig zeggen: ‘Daar is mijn schoonzuster, met de kleine; wilt ge de kleine eens zien?’

Die kleine, waarvan ik zooveel heb hooren spreken in deze laatste weken, is zes maanden oud: een eerste kind, geboren tijdens de afwezigheid van den vader, jager te paard in het belgisch leger. Ze komt rechtstreeks uit het hospitaal, waar ze een lichte operatie heeft ondergaan aan den hals: een door te snijden pees, die haar hoofdje scheef hield.

Van dat kind, dat de vader nooit heeft gezien en wellicht nooit zien zal, waren wonderen verteld: hoe mooi het was, hoe braaf, hoe het eenieder aanlachte en hoe de nonnekens het vertroetelden.

Het is inderdaad een oprecht schoon kind met groote blauwe oogen, donker en diep, en kaakjes als appeltjes zoo rond. Het lacht mij waarlijk ook toe en grijpt naar mijn pince-nez en zelfs dàt wordt door de moeder en de tante als een blijk van ongeëvenaard genie bewonderd.

Waarom hun die illuzie niet gelaten? ‘Merkwaardig,’ zeg ik instemmend.

De moeder is een nette, jeugdige vrouw met een kleinen wipneus, een grooten mond, vol witte tanden, een blank voorhoofd, waarop blonde haartjes krullen en een frisschen wangenblos.

‘Nieuws van uw man?’

‘Ja, ja, juist gekregen.’ Dat kwam ze vertellen. Ze heeft den omslag van een brief in de hand. Hij is ambulancier, nog gezond tot dusverre.

‘Waar verblijft hij?’

Dat kan ze niet zeggen, maar ze is toch zoo blij!

‘Van wanneer dagteekent die brief?’

‘Van de 25sten januari.’

Helaas! bedenkelijk: bijna een maand oud. Wat kan er sedert niet al voorgevallen zijn... bestendig in gevaar!

[p. 168]

‘Moet dat kind niet wat melk hebben? Ga er mede in de keuken, drinkt koffie en warmt u allebei.’

‘Dank u,’ zegt ze, steeds met het neusje omhoog, als stak ze het vrijwillig op, ‘maar melk heb ik mede. Dat moet alles juist afgemeten wezen nu voor de kleine kinderen,’ en met fiere moedervoorzorg haalt ze een witte zuigflesch te voorschijn.

Later verneem ik, dat ze sedert het vertrek van haar man, hun huisje verlaten heeft en bij een zuster gaan wonen is. Deze heeft ook haar echtgenoot in het leger, heeft ook een kind, en is ook zonder middelen van bestaan, buiten het soldatenvrouw-geld.

Hoe gaarne zou de eene of andere werk vinden! De thuisblijvende zou op de kinderen passen. Ze zijn reeds naar de Werkbeurs geweest. Meiden zijn er te krijgen bij de vleet. Arbeid voor de Duitschers wordt hun wel aangeboden: naaien, wasschen, strijken... ‘Maar kan dat voor den vijand, als uw man aan 't front is! Wat zou hij zeggen, indien hij het geluk heeft weder te komen, van zulk een vrouw? Neen, neen, nog liever de ontbering, wat armoe zelfs dan vijands brood eten. Misschien zal Onze Lieve Heer zijn oogen van barmhartigheid opendoen.’

's Avonds.

Heel den dag waren oprukkende of wederkeerende pelotons te zien, alle jongelingen. Sommigen dragen doelen, soorten van ladders, schietschijven. Ze vuren, naar ik hoor, op mutsen ook, welke manshoog op stokken staan.

Een op pensioen gestelde leeraar, wandelend door het Park, ontmoette heden zulk een groep.

‘Was können wir damit anfangen?’ hoorde hij een officier tegen zijn metgezel zeggen, in 't voorbijgaan.

‘Kaum Schüler,’ had deze antwoord.

De zoogezegde bommen op Brugge geworpen bestonden in een luchtgevecht. Enkele dooden en gekwetsten waren er.

Zondag 28 februari '15.

Een brief van klachten is toegekomen bij den plaatselijken kommandant over het eten der krijgsgevangenen in Duitschland. Hij is onderteekend door een vijftal gentsche soldaten, behoorende tot gekende familiën der stad. Dat het voedsel er slecht is, wordt door de Duitschers gelogenstraft.

[p. 169]

Eenige dagen geleden riep een juffrouw, die in de Pass Zentrale hare spreekbeurt afwachtte, dat ze haar handzakje kwijt was.

Verloren of gestolen? Een onderzoek werd ingesteld. Te vinden was het niet. Er bestond geen ander middel dat het aftasten der aanwezigen. Dit ook bleef zonder gevolg; maar bij een paar dezer werden nummers van de N.R. Courant ontdekt. Onmiddellijk kreeg elk hunner een boet van dertig frank.

Iets dergelijks gebeurde vrijdag laatst. Een diligence van Waeregem stond voor de Kommandantur, uren lang. Ze zat vol menschen, dorpsbewoners, die ter markt kwamen.

Wat werd hun ten laste gelegd? Sommigen bezaten geen reispas, anderen hadden 't hunne, of hun eenzelvigheidskaart vergeten. Ook zij kregen boeten.

De voorgaande week, na het bericht der groote overwinning op de Russen, werd de burgemeester van Gent ontboden bij den Kommandant en kreeg bevel al de klokken te doen luiden in triomf.

Hij antwoordde, ditmaal dat zoo iets, niet zijn ambtsrecht was, maar dat hij zich wel belasten wilde dit order aan den bisschop over te brengen.

Hetgeen geschiedde.

De bisschop antwoordde, dat de kerkeklokken enkel geluid worden voor godsdienstige plechtigheden en hij vlakaf weigerde het bevel te doen uitvoeren.

Bedreiging van wege den Kommandant, dat in geval der volharding in ongehoorzaamheid het hoofd van het bisdom in hechtenis zou genomen worden.

Het bleef bij de weigering.

Het bleef bij het dreigement.

De Kommandant zelf, zooals later geweten werd, behoort tot den katholieken godsdienst.

Die russische overwinning werd gevierd door een stoet van de hier in garnizoen liggende soldaten, 's avonds met klaroenen en fluiten en gekleurde lampions.

Duizenden Gentenaren, beweert men, volgden den optocht. De vitters verzekeren, dat er ook veel toehoorders zijn aan de concerten op den Kouter, anderen zeggen, dat de Kouter steeds ledig is van toehoorders.

Kort geleden ging ik naar de ‘Banque de Flandre’, op den Kouter gelegen. Het toeval wilde, dat er juist muziek was: er waren - behalve eenige

[p. 170]

nieuwsgierigen, waaronder geen enkele vrouw - niets anders dan officieren en soldaten te zien.

Groote benden trokken dienzelfden morgen door de Veldstraat, zwaarbeladen met allerlei krijgstuig. De voetgangers bleven op de zijpaden staan om ze na te kijken: ‘Allemaal naar 't front,’ zei er een.

Zou ik het neerschrijven, wat een oud ventje, dat ook in het gedrang stond, daarop antwoordde? Het klinkt zoo treffend, maar zoo akelig ruw?... Jawel, ik doe het toch als oorkonde van menschelijke geestesrichting:

‘En zeggen, dat al dat jong vleesch in worsten moet gekapt worden!’

Terwijl ik toch begonnen ben aan het mededeelen van gehoorde, naturalistische uitingen in al hun grove waarheid, moet het volgende vermeld worden: Een boer, die achter den ploeg ging, zag ook soldaten langs den heirweg oprukken, en hij zei met een vloek en een bitteren spotlach aan zijn gezel: ‘'t Zal goede landvette zijn, hé?’+

Zeven en twintig krijgsgevangenen schreden vrijdag laatst door de stad, op weg naar Duitschland zeker, Belgen en Franschen, in geleide van een vijftal sterk gewapende Feldgrauen. Ze zagen er bleek uit, vermoeid, erg bemodderd en verwaarloosd, met gehavende uniformen en scheefgeloopen schoenen.

‘Vive la Belgique,’ riepen dames, met de zakdoeken wuivend in de Kortrijksche straat hun toe. De gevangenen glimlachten, groetend met de hand.

De bewakers traden voort als merkten ze niets van het tusschengeval.

Een werkvrouw vernam ook, dat de nieuwe kazerne - de Leopoldskazerne - waarvan ze den naam zelfs nog niet kende, thans de Wilhelmskazerne hiet en als aldus moest aangeduid worden.

Haar vaderlandsliefde was wakker geschud. Luide sprak zij haar verontwaardiging uit: ‘Een schande, al onze jongens dood doen, is nog niet genoeg; onze gebouwen moeten Duitsch worden. Mijn bloed kookt, als ik er aan denk.’

Dit spookte dagen achtereen in haar hoofd, in bestendigen roes van gramschap en besef van machteloosheid. Wreken zou ze zich in de maat van het mogelijke; op een morgen maakte zij den omweg langs de Citadellaan, naar haar dagtaak gaande. Daar wist ze, dat steeds een schildwacht stond aan den voormaligen mess - het officiers-maaltijd gebouw onzer belgische bezetting thans ook als alles in vijands hand. Ze zou hun eens beet nemen. Ze naderde het huis, bezag het van beneden

[p. 171]

naar omhoog, als zocht ze om het te herkennen; toen zich aanstellend als aarzelde zij, en sprak den schildwacht aan, die verdrietig, in volle wapenrusting, met zijn voeten de kou trachtte weg te stampen:

‘Dit hier is toch wel de Leopoldkazerne, niet waar?’

‘Nein,’ antwoordde hij barsch, haar den rug toewendend en stapte metaalrinkelend verder langs het trottoir.

Maar ze bleef staan totdat hij traag, lusteloos, weder op haar toekwam: ‘'t Is heel zeker, dat het hier de Leopoldkazerne moet zijn,’ hield ze vol.

Hij zag haar aan met rustig ongenoegen en sprak geen woord. Dit moedigde haar aan om hem langer te tergen.

‘Indien dat de Leopoldkazerne - steeds op het woord drukkend - niet is, zeg mij dan, waar ik de Leopoldkazerne kan vinden.’

Nu was 't genoeg.

Hij hief den loop van zijn geweer op, bracht dien naar voren, als een bedreiging van te gaan mikken en afvuren, wat haar den doodsangst op het lijf joeg, toen zei hij, er mede een bank aanwijzend op den overkant van de laan: ‘Ga ginder zitten, stout wijf.’

IJzend, schier ademloos, onbekend met de strafmacht hem veroorloofd, en onwetend in hoever hij die toepassen zou, wankelde zij naar de bank en liet er zich op nedervallen.

De schildwacht hernam zijn gang langs het zijpad van den mess, voorbij het schuilhuisje met de duitsche kleuren, heen en weder, zooals een witte beer doet in zijn hok.

Voorbijgangers, en soldaten, deze ruisschend aan- en voortstappend, bezagen haar; enkelen keken wel eens om zich afvragend, waarom dat schamel vrouwtje daar zoo vroeg, bevend van kou, in de winterlucht, op de vochtige bank, onder die naakte boomen, zitten bleef... maar geen een sprak haar aan, en iemands hulp inroepen of opstaan dorst ze niet: Och God, en haar werk!

Eindelijk na een tijdverloop, dat uren scheen, kwam een aflosser van den schildwacht. Ze wisselden een paar stille woorden, wat haar nieuwen angst gaf... Wat ging er nu met haar gebeuren?

Ze kromp letterlijk in een, toen de geduchte vijand de laan overstak en recht op haar toetrad. Met de handen tezaam en met starren blik hem genade afsmeekend, wachtte zij 't vonnis af.

Even met de punt van zijn bajonnet haar schouder beroerend, zei hij, den arm uitstrekkend+:

‘Marsch!’ waarop ze zoo vlug mogelijk wegijlde+.

[p. 172]

Maandag 1 Maart '15.

De dames beginnen hoeden te dragen in veldpet- en kepivorm met een fluweelen pin op het midden. De kinderen spelen oorlog op de pleinen en in de paden der squares, als de politie het niet ziet.

Twee dezer kleine guiten van de school komend, trager dan de bende kameraden, sloegen aan voor een soldaat. Hij schoot toe, en greep er een bij den kraag, terwijl de andere wegijlde en van verre bleef staan kijken op hetgeen er gebeuren zou:

‘Ga, zeg aan moeder, dat ik krijgsgevangen ben,’ riep zijn makker hem toe.

Hij kreeg een felle schudding, bij de twee schouders gehouden en werd met een ruk, die hem wankelen deed, losgelaten...

Om half vier ging ik uit, in den vroegen morgen was een onweder losgebroken, hevige rommeling in de lucht, bliksem en ketterslagen; heel den dag buien, donkerheid, zware wolkgevaarten gevolgd door zonneschijn.

Maart kwam grimmig, grillig en strijdlustig binnen.

Koud blies de noorderwind, in 't aangezicht, maakte jacht op de hoeden en deed de mauve-grijze mantels der officieren wuiven.

Weinig menschen op de straat, als immer krijgsvervoer in autos en reuzenwagens.

Wij zaten aan den goedvoorzienen disch in talrijk gezelschap, met een lustig-laaiend houtvuur, gekoesterd door warmte en welstand - wie kon hier nog aan armoe en gevaren denken?

En toch onmiddellijk liep het onderhoud er weder over. Een brusselsche dame, gelogeerd bij de gastvrouw, vertelde, dat ze 's nachts te voren was wakker geworden van het bonzen in de lucht. Ze had zich overeind gezet en gedacht: ‘God, wat hoort ge toch het zeegeschut duidelijk te Gent.’

En daarop lachte heel het gezelschap hartelijk.

‘'t Was 't onwéer,’ zei er iemand. Daarop volgde de quaestie van het te wachten bombardement.

‘Misschien,’ zei de een.

‘Toch niet,’ meende een ander, ‘welk belang zouden de overwinnaars of de+ overwonnenen er bij hebben?’

‘Geen sterveling kan het weten of voorzien.’

‘Waarheen te vluchten in geval van nood?’

[p. 173]

En allen: ‘Ja, waarheen, waarheen?’

Nu trok een vroolijk heer het in een scherts:

‘Weet ge dan niet vrienden, dat het gezelligste bombardement, dàt is wat men in zijn eigen huis in een gemakkelijken stoel afwacht?...’

En opnieuw ontstond gelach.

Maar een ander genoodigde duidde een praktisch middel aan: Hij woonde immers in een groot huis, een gebouw zoo oud als de straat, er waren diepe, geheime kelders in, sterk gevout, verbazend dikke muren - dat ziet ge aan den insprong der vensters - en ijzeren staven aan de vensters ook. En hij noodigde al de inzittenden uit - indien het zoover kwam - hun intrek te zijnent te nemen. Hij zou van nu af aan zorgen, dat er levensmiddelen voorhanden waren, een tafel geplaatst met al de benoodigheden, waskaarsen en kolen, want er was zelfs een schoorsteen, daar kon een kachel staan.

‘En bedden?’ vroeg er een veeleischer grappig, schijnbaar verlekkerd op zulk een blij vooruitzicht++ dat enkel in de verbeelding kon bestaan.

‘Neen,’ zei de milde begifter, ‘er zouden er te veel moeten zijn; maar ik beloof u, dat we 't zoo plezierig zullen inrichten, dat niemand slaaplust krijgt: sigaren, champagne, al de champagne, die ik in huis heb.’ Gedurende het gekeuvel hadden wij den hagel of den regen op de ruiten hooren aanslaan en de rukwinden gieren rondom het dak en ratelen aan buurmans vensterluiken.

Wat een weder om terug te keeren! Geen rijtuig te vinden of er onbepaald en dan nog onzeker op te moeten wachten. Tram?

‘O we zijn hier zoo ver van een tramlijn, en daarbij al die Duitschers er op: het lijkt op een muur, waardoor ge een bres moet slaan om er door te geraken.’

‘Ze zijn beleefd, ze stijgen af om een dame door of binnen te laten.’

‘Dat wel, maar de tramgeleider wacht niet soms om voort te rijden, eer elk er op is.’

‘De trams rijden niet meer,’ zei er een, die zijn zakuurwerk geraadpleegd had.

Geen quaestie dus van vervoermiddel.

Buitenkomend stormde het niet meer. De grond lag blinkend nat, maar ook de kou was veel gemilderd. Dank en handdrukken vaarwel zeggen binnen het huis en aan de voordeur...

Daar liepen onze wegen uiteen. Ik sloeg elk aanbod van vergezellen beslist af, veel liever alleen zijnde.

[p. 174]

Het was een afgelegen stadskwartier met lange, smalle straten. Geen levend wezen te ontmoeten. Hel brandden de lantaarnen en juist recht voor mij, heel omhoog, stond de volle maan, licht omhuld door een ragfijn floers.