terug  begin  verderprepost
[p. 383]

1916

[p. 385]

2 januari '16 zondag

De te Nevele liggende troepen beweren, dat ze uit Servië zijn afgezakt, nochtans betalen ze met fransch geld.

In een burgershuis aldaar vertelde een officier, dat de keizer het aanvallend optreden aan den IJser verbiedt. Het kost te veel bloedvergieten. Die officier is een landsman:+

‘O rusten,’ zei hij, ‘niet steeds dat kanongedonder, dat mitrailleuzegepletter aan uw ooren! Geslapen hebben; verkwikt opstaan; de winterzon in uw kamer zien schijnen, u zetten aan het raam met den rug in de koesterende stralen, de handen saamgestrengeld over uw knieën; opkijken zonder zien, in schorsing van alle bekommernis, met den vrede in het gemoed!’

Het is eigenaardig om gadeslaan, dat spel der zoeklichten des avonds boven de stad op het donker hemelgewelf. Van achter de huizen, van op den grond, waarschijnlijk, stijgen ze witschitterend in evenwijdigen of waaiervormigen straal ten zenith op, stilaan zich verplaatsend, soms tot een wolk van klaarheid wordend, eensklaps neersmakkend, uitdoovend en weder opduikend. Er ligt iets beangstigend in dat schijnbaar onschuldig lichtgeven. Elk oogenblik kan een vliegtuig ontdekt worden, kogels er naar opgezonden, bommen er uit neerkomen...

Zaterdag om elf uur smorgens waren acht vliegmachienen te zien, heel hoog, heel klein schijnend, 't een hier het ander ginder.

Zaterdag 8 januari '16.

Mijn geschreven pak wordt weder zoo groot en waar het te verbergen? Er loopen zulke beangstigende berichten rond van gevaar en strenge straffen bij 't ontdekken van iets dergelijks.

Ik moet korter en korter wezen.

Volgens den volksmond zouden de Duitschers aan den IJser de schrikkelijkste verliezen hebben ondergaan. Er wordt gesproken van zes duizend verdronkenen. Ook in Argonne zou hun nederlaag bedenkelijk wezen. Men gewaagt van opstand in Berlijn: vrouwen blijven staan voor het paleis en roepen: ‘Geef ons onze zonen weder!’ De keizer zelf - altijd naar die maren, heeft het woord tot hen gericht, ze tijdelijk gesust. Maar ze houden vol en de politie moet ze dagelijks uiteendrijven.

Dat alles, beweren welweters, staat in de Rotterdamsche Courant; maar vraagt ge, of ze 't gelezen hebben, of met iemand gesproken, die 't gelezen heeft ze zeggen: ‘Neen.’

[p. 386]

Zondag 9 januari '16.

Dezen winter is er een comiteit tot stand gekomen, voor doel hebbend het vergaren van aardappelschillen. Te dien einde wordt er in alle huizen rondgegaan met een korf.

Ze worden gedroogd, gemalen en het meel verkocht aan landbouwers, die het mengen in den beestenkost.

De geldelijke opbrengst dient tot steun der krijgsgevangenen.

Er wordt beweerd en ook betwist, dat het dient ter vervalsching van ons brood. Altijd zeker is het, dat het brood brokkelt, een grauwbruine kleur en een bitteren nasmaak heeft.

6 uur des avonds.

De dag is somber geweest: grijze lucht, die op de wereld en het gemoed woog. Niets van menschenverkeer te hooren; geen vervoer, geen wielgeratel, geen wandelstappen langs de straat. Het kanon heeft heel den dag zijn woede uitgeschreeuwd... nu geen enkelen bonk meer in de verte; nu troepenbeweging: oprukken, binnenkomen met bonzende koperinstrumenten in spijkerkrassend getrappel van lange, dofgrijze soldatenslingering met wemelende beenen en luid galmende zangen van... wellicht gehuichelden moed.

 
‘Was ist der Deutschen Vaterland?...
 
Is 't wo am Rhein die Rebe blüht?
 
Is 't s wo am Belt die Möve zieht?
 
O nein, nein, nein,
 
Sein Vaterland muss grosser sein!.
 
(9 januari '16)

Waar zijn ze heen, mijn vroolijke zondagen? Heden is, het de verjaring van den laatste... den gezelligen, voordat de doodklok sloeg, die ons uiteendreef. Op 14 februari '15 stierf mijn vriendin na een kortstondige ziekte. Ze was zeer oud. Ik meende, dat ik nu eindelijk aan haar verlies was gewend geraakt.

Het is niet waar. Nooit gedurende den loop van dit vervlogen jaar drong de herinnering aan het verlorene zich schrijnender bij mij op dan nu...

En geen wonder ook. Sedert meer dan twintig jaren leefde ik alle weken - op enkele uitzonderingen na - in die atmosfeer van opvonkende lustigheid, die steeds verlangend-verbeide en nooit teleurstellende gezel-

[p. 387]

ligheid van haar huis, in 't midden van dien vriendschapskring, waarvan zij het middenpunt uitmaakte. Ik mis haar welkomstblik, het blijde woord, de uitgestrekte hand.

maandag 10 januari '16.

Gisteren werd in gezelschap verteld, dat zaterdag in de vroegte een en zestig soldaten hier begraven werden. Herkomstig van geloofbare duitsche bron verluidt, dat er aan den IJser onlangs nogmaals zooveel mannen verdronken zijn. Er wordt ook gewaarschuwd geen varkensvleesch meer te eten, dat van Amerika komt, omdat het besmet is door trichinose+

Direkt bericht van een Duitscher, die dezer dagen met verlof in Hamburg verbleef; aldaar: geen handelsverkeer; schier geen beweging; geen vet, geen spek, geen boonen noch erwten meer. Met bons moet men om allerlei winkelwaren. Koper bestaat niet meer; zelfs geen kunstschatten. In Hamburg waren er torens met koper belegd. Alles is in beslag genomen voor leger-munitie. Ginder - te Berlijn, heeft hij van een minister venomen, wordt er ernstig over geklaagd, dat zulks in België nog niet wordt opgeëischt, België, dat nochtans een wingewest is, terwijl het zegenrijke vaderland alles van dien aard leveren moet. Een erg dreigement voor ons reeds zoo uitgezogen België!

Duitschland staat ettelijke millioenen aan Gent schuldig voor opeischingen. Tot op heden was +er geen een cent te verkrijgen. De vierde leening wordt in Duitschland uitgeschreven, een gedwongene, op het inkomen berekend. Vrouwen met een pet op het hoofd, een jas en een wijde broek aan, doen tram - en autodienst. In Berlijn is er nog verkeer. In andere steden is alles verlaten en doodsch. Een huisgezin voor zeven personen krijgt een halven liter melk daags en dat nog enkel, omdat er minderjaringen bij zijn, ook een kilog. boter is met de grootste moeite door rijkelui te bemachtigen.

Dit alles vertelt de teruggekeerde Hamburgenaar. Hij verblijft in Gent sedert een jaar - amtshalve. - Hier is welstand, weelde; het is hier een hemel in vergelijking met wat er in zijn geboorteland geleden wordt.

‘Wanneer de vrede? Heeft uw minister dat niet voorspeld, wanneer?’

‘Hij heeft gezegd: “Dat weet niemand. Het kan jaren duren.”’

‘Zal Gent gebombardeerd worden?’

‘Waarschijnlijk niet. Misschien wordt weldra de staf dichter naar het front verplaatst en blijft er hier slechts een bezetting als in Antwerpen en Brussel.’

[p. 388]

‘Is het waar, dat er een veertiental dagen geleden vrouwenopstand in Berlijn is geweest?’

‘Ja, er was geklaagd geworden over het ontoereikende der rantsoenen. De Keizer zou zich ook laten ontvallen hebben: ‘Dat er wat meer vrijwilligers naar het leger gaan, daar zullen ze goed den kost hebben.’ Dat ook heeft de moeders gebelgd. Ze zijn gaan samenscholen voor 't paleis; ze hebben geroepen: ‘Is het niet genoeg, dat onze mannen en onze jongens gekwetst en gesneuveld zijn, moeten onze nog niet dienstplichtige zonen ook gepakt worden?’

Vrijdag 14 Januari '16.

Verleden nacht heeft er een vreeselijke storm gewoed over onze stad. De boomen in het Park kraakten; de wind zoefde door de schoorsteenen en huilde rondom de daken: regen kletste bij poozen tegen de ruiten als een stortbad; de weerhaan op mijn huis draaide krijschend om zijn as met een helsch geweld, als om zich eindelijk uit zijn greep los te wringen. Muren zijn omgewaaid, boomen ontworteld. En het zenuwstelsel was ontdaan.

Zondag 16 januari '16.

In de voorstad Schaarbeek, deeluitmakend van Groot-Brussel is in volle straat, bij middel van revolverschoten een moord gepleegd op Maurice Neels de Rhode, medewerker aan het vijandelijk blad ‘Le Progrès’ en in dienst van het duitsch bestuur. De dader is Louis Bril. Volgens de Duitschers is deze aanslag een bewijs, dat alle wapens door verwaarloozing der stadbestuurs niet afgeleverd zijn. Het wordt er verantwoordelijk voor verklaard en een boet opgelegd van vijf honderd duizend franken aan Brussel en aan Schaarbeek van vijftig duizend franken, te voldoen vóor 25 januari eerstkomende. Daar de burgerwacht der stad - naar het heet - bewezen heeft niet in staat te zijn de diensten waar te nemen, die haar zijn opgelegd, wordt zij heelemaal ontbonden en moeten de gemeenten van den brusselschen omtrek het politiepersoneel derwijze versterken, dat de openbare veiligheid gewaarborgd zij.

[p. 389]

17 januari Maandag

De morgenstond in 't Etappengebied.

Door het verplaatsen van het vroeger komend middaguur, breekt de dag schijnbaar later aan.

Het is over half acht. De schemering kampt nog met het nachtduister. 't Is tijd om op te staan. Op het hoogste portaal - in 't voorbijgaan - eens talmen en door 't geopend venster kijken. De lucht is zilver-achtig grijs, zoo zacht, zoo vriendelijk, indien zulk een uitdrukking op de lucht mag worden toegepast.

Een frischheid+ waait u te gemoet. In de tuinvierkanten glimmen de regelmatige verdeelingsmuurkens even zacht-wit; de daken staan daar sterk, rood en hoog. In een groot gebouw, tot diamantslijperij ingericht, en waar thans niet wordt gewerkt, brandt echter een vergeten licht. Het geeft geen klaarte meer en lijkt op een gloeiend kooltje vuur; de ooftbomen staan naakt en dik van waterscheuten. Ja, het is tijd, dat de snoeier komt.

Het gehoor wordt plots gewekt door mitrailleuzegekletter, het zet aan, het houdt aan, het houdt op, het herbegint zijn vlug-scandeerend geklop. Het klokje van Sint-Pieters-Aaigem tampt, de christenen oproepend tot het gebed.

Het hart beeft bij de gedachte aan menschenverdelging, bij het hooren van 't krijgsgekraak, zooniet voor dit, wat wellicht maar oefening is, maar voor wat er elders gebeurt...

‘Zouden de meezen wel gepikt hebben in het stukje spek, dat, aan de tanden gebonden van een riek, in het onbeplant, rond bloemenperkje met den handvat in den grond zit?’

Het is niet duidelijk te zien van zoo hoog in het nog wijfelend licht.

En bij het beneden zijn, luidt de eerste vraag: ‘Goed geslapen?’

‘Ja,’ antwoord ik, ‘tot twaalf uur, dan als meest altijd wakker gelegen, heel lang.’

‘Niets bijzonders gehoord?’

‘Niets volstrekt niets,’ of ‘tusschen zes en zeven troepen met trommelroffeling en piepend gefluit. Ze zijn binnengekomen,’ of ‘er zijn er zooveel vertrokken.’

Het ontbijt als dan stil genut.

Met een zacht zeemvel worden de bladeren van de aspedistras, groen,

[p. 390]

krachtig, glimmend, want stof ligt er niet op, uit overmaat van zorg afgewreven. Ze voelen zoo gezond-koel aan tegen de hand - nu zelfs wat te koel - en zijn het voorwerp mijner liefde en fierheid, zoo dik als ze staan, zoo bewonderd als ze van de bezoekers worden!

Geratel in het zwerk.

Den pince-nez gezocht: opgekeken in die nu zoo parelblanke vredeslucht. Ginder komt het tuig aan: een Taube.

Als er maar geen engelsche vliegers verschenen zijn, als er maar geen bommen geworpen worden; geen afweerschroot, dat nedervalt. Het gevaarte verdwijnt klakkend-geruchtmakend. Het zinkt achter de vorsten en van de huizen weg...

Daar in de serre op den hoek van de schoorsteenplaat staat een bloempotje. Onder een gebroken omgekeerd champagneglas kijkt een tenger scheutje, gekruld van boven als een herderstaf uit de aarde piepend, het eenig overblijfsel van een groote varenplant uit een vaas, die een rondzwervende kat gebroken heeft; want verleden zomer stond ze buiten op den vensterrand. Alles was heelemaal kapot. Alleen, een klein knolletje bezat nog een worteltje.

Het was een dingetje zonder eenige waarde doch - laten wij eens zien, wat cultuur en oppas kunnen... ja, ja, het groeit bepaald, het groeit, de vederribbetjes ontplooien zich...

De machiengeweren hameren en knetteren ginds, men gist niet waar, doch ergens hun taak van dood en verdelging aanleerend... En het oog stelt belang in de ontwikkeling van een onbeduidend varenplantje...

En dat in oorlogsnood!

Zondag 23 januari '16

Om half drie bezocht ik het Gemeente Kerkhof buiten de brugsche poort. De hemel hangt zwaar van wolken, waardoor de zon poogt door te breken, wat ze slechts hier en daar, voor een oogwenk uitpiepend, - kan doen.

Gedonder tusschen west en noord. Zou er een winteronweder opkomen, de hemel is zoo zwart?...

Daar ligt het uitgestrekt doodenveld, het groote grasplein, omringd van monumenten heel omgespit, bruingetaande grond, nieuw leven wekkend zaad verbeidend. En altijd door het gedaver daarboven, waarvan de weergalm de grafzuilen doordreunt.

Het onweer, dat meer en meer opkomt?... Neen toch, de hemel is eensklaps opgeklaard en de winterzonnestralen schieten hun zacht geschitter tus-

[p. 391]

schen de kruinen der grootgeworden boomen in schuldelooze pijlen door.

Het is kanongedonder... en nu ga ik langs het kerkhofgedeelte met al gelijke houten kruiskens op de rustplaatsen der gesneuvelden. Aan vele zijn witte porseleinen of gleiswerk-kronen gehangen. Door de beweging van het voortstappen geven ze een illusie van te wemelen als de stammen van een dennenbosch voor het oog van een wandelaar.

De vernielingstonen doorrollen nog immer het zwerk. En het vers van Theodoor van Rijswijck schiet mij te binnen:

 
‘Riep ginder de echo niet?...
 
O Kaïn, zeg waar gij uw broeder liet.’

Ik treed mijn toekomstig graf voorbij, wat hooger liggend dan de weg, de breedste van den doodenakker, de sierlijk-bochtige: niets dan een sarcophaag. Ik moet er telkens naar zoeken, al staan de monumenten er met een betrekkelijk groote tusschenruimte. Hij staat daar zoo gewenscht onder de hooge boomen op een der schoonste plaatsen van het kerkhof. Het is een voldoening te denken, dat alles kant en klaar is tegen uw overlijden en niemand last van onderhandelen hebben zal. Sterven kan men overal, maar de aangewezen plek voor 't graf is toch de waarschijnlijkste.

De tijd heeft reeds zijn stil geweld uitgeoefend op den hardsteen, hij lijkt ruiger, donkerder grijs en mijn naamletters worden onduidelijk.

Een jonge nicht van mij zei eens: ‘Telkens ik over een kerkhof ga, denk ik, dat ze daar toch zoo goed liggen!’

Zou dat wel waar wezen?... Ze ligt er zelve nu. Ik zou toch graag leven tot na het sluiten van den vrede.

Ik had deze week een smartlijken indruk. Er hoefde iets veranderd te worden aan het kiekenskot. De schrijnwerker-meubelmaker kwam het doen. Het regende. Hij stond kletsnat.

‘Waarom scheidt ge er toch niet uit in zulk weer?’ vroeg ik tot bij hem gegaan zijnde. Hij keek eens even terzijde op zijn glimmenden; druipenden schouder en zei effen af:

‘Het hindert mij niet, ik ben er aan gewend.’

‘Regent het in uw werkhuis?’ hernam ik, meenend, dat hij schertste.

‘Mijn werkhuis staat opgesloten. Ik ben aardewerker aan de darsen+,’ berichtte hij, ‘sedert meer dan een jaar.’

Een kundige meubelmaker, steeds overlast met bestellingen, een deftige klein-burger tot den rang van delver zavelvoerder afgedaald!

De Duitschers kunnen soms aardig-gemoedelijk wezen. Mijn meid trad voorbij een ingang der kazerne, waar een schildwacht aan het zwart, wit

[p. 392]

en rood geschilderd hokje staat. Het was een jonge knaap. Hij hield een kattejong in den arm en streelde het. Zij droeg een kruik melk.

‘Als 't u belieft,’ bad hij, guitig haar het katje toestekend, als een moeder, die melk vraagt voor haar kind.

Sprakeloos had ze zich voorbij gehaast. De Duitsche soldaten vinden weinig bijval, als het fatsoenlijke meisjes geldt.

 

Heimelijk komt uit Holland het nieuws, dat de duitsche Keizer erg krank is. Hij zou aan kanker lijden en een heelkundige bewerking hebben ondergaan. Geen gezondheids-bulletins verschijnen om de bevolking niet te verontrusten. Van dien kanker is immers sinds lang spraak. Er wordt verzekerd, dat hier in het Casino - waar eertijds bloemententoonstelling was, een vierhonderdtal+ krankzinnige, duitsche officieren geherbergd zijn.

Onlangs is de koning van Beieren in Gent geweest; groote parade op het St.-Pietersplein, waar hij de troepen in oogenschouw nam en toesprak.

 

Opnieuw allerlei vertelsels: de duitsche regimenten te Wervicq hebben op elkaar geschoten. Würtemburgers, die te Deinze ingekwartierd waren, moesten voor aankomende Pruisen hun bedden afstaan en de eerste bezitters werden op stroo gelegd. Groot misnoegen bij de Würtemburgers.

Te Meigem hadden in de bovenherbergzaal, waar de muziek maatschappij hare repetities hield, negen en vijftig soldaten nachtverblijf gekozen, weldra moesten ze naar 't front. Korte dagen daarop had de kastelein gelegenheid nieuws van hen te vernemen, negen waren er reeds dood.

Het wordt geweten, dat de vermoorde man te Schaarbeek, dezelfde was, die miss Cavell voor het gerecht dagen deed.

Maandag 24 januari '16

Ik ging dezen morgen over dat plein. Mannen waren bezig een houten paviljoen af te breken, waarover hoog de duitsche vlag uitwaaide. Dat zal een soort troon geweest zijn te zijner eere opgericht.

Ik ging ook langs de Godshuizenlaan onder de vierdubbele boomenrij. Groepen soldaten als overal, anders geen mensch tenzij ja toch: twee jonge volksmeisjes en in hun midden een jongeling, hoogstens twintig jaar oud. Met de armen rustte hij langs elken kant op een schouder der meisjes, die zeker zijn zusters waren. Hij sleepte zich half voort, ze droegen hem half. Bij elken stap vertrokken zijn wangen pijnlijk.

[p. 393]

Een aangrijpend tafereel, daar in zilvergrijzen+ stuifregen, die nauwelijks nat maakte en zoel was, als een lentedauw.

Er moest wel medelijden liggen in mijn blik, terwijl ik onbewust bleef staan; want eene der meisjes zei in 't voorbijsukkelen: ‘Gekwetst geweest aan den IJser,’ hem met den vinger achteruit aanduidend...

Hij ten minste wordt verpleegd in zijn familie en ik dacht aan dien zeventienjarigen vrijwilliger van Aalst, van wien een genezen verwonde, die te Thienen in dezelfde ambulance lag, mij verteld had:

Dat kind, want op dien leeftijd zijn het immers nog kinderen, was hopeloos gekwetst. Liefderijk hief het dienstdoende nonneken hem op uit de kussens, gaf hem drinken. Maar met dien weifelenden, wijden oogopslag, waarin de dood reeds zijn akeligen glans lei, zag hij haar koortsig aan:

‘Waar is mama?’ vroeg hij.

‘Wees maar gerust, mama zal komen,’ beloofde zij hem.

‘Waar blijft mama?’ vroeg hij aan zijn in een ander bed liggenden kameraad, rond kijkend in de ziekenzaal.

‘Dadelijk, dadelijk,’ loog ook hij, ‘zal ze hier wezen.’

‘Mama, mama,’ herhaalde hij voortdurend, telkens een verpleegster zijn ledikant naderde:

‘Waar blijft mama?’

En toen dat drie dagen had geduurd - dat vergeefs hunkeren - toen in eens ging er een toomeloos gejammer van hem op als het angstgeschrei van een achtergelaten kind, dat zijn moeder heen ziet gaan en ze niet volgen kan.

Geen streelen, geen sussen kon nog helpen en enkel toen de wanhoopcrisis, door de hevigheid zelve uitgeput, over was, viel hij verlamd in een doodsslaap, waaruit hij niet meer te wekken was.

Wie zal haar vertellen hoe tragisch zijn einde was?...

30 januari 16 zondag.

Eenige van de in 't land gebleven leiders der Vlaamsche beweging zonden een manifest aan baron von Bissing, den duitschen gouverneurgeneraal van België.+ Daarin wordt hem verklaard, dat de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool door de Duitschers bewerkstelligd, hun goed-

[p. 394]

keuring niet verwerft: ‘Wij Vlamingen willen eene door ons eigen macht verkregen en gesteunde Vlaamsche hoogeschool, geene onder vreemde bescherming staande.’

Daarop wordt ook gewezen, dat er geen lokalen beschikbaar zijn en ook voor het oogenblik geen bevoegde professors.

Uit een bijzonder gesprek van vroeger blijkt, dat het doel van onze vijanden niet is het samenstellen van volledig hooger onderwijs, maar het voorloopig inrichten van enkele leergangen.

Maandag 31 januari '16+

Een geleerde vriend uit Berlijn had mij inlichtingen gevraagd over quaesties van onze oude Vlaamsche Liederen.

Och, welk een inspanning daarop te antwoorden! Waar lag het fatsoenlijk briefpapier, waar de te vinden omslagen? Hoe moest het verzenden nu gebeuren? Ik had het wel in de kranten gezien: met open, dubbele omslag, maar het nauwkeurige er van vergeten.

Ik was ook uit de gewoonte correspondentie te voeren, vooral in het Duitsch, maar het ging toch naar wensch. Ik droeg de stukken zelve naar het centraal postkantoor. Er stond slechts éen mensch aan het winket en de bespreking duurde minstens een kwartier. Toen volgde een soldaattelegrammen-aanbrenger. Deze had den voorrang ‘alles für 's Militair,’

Na nog eenige minuten kwam de beurt aan mij.

Hoe bevreemd keek ik op: mijn stuk was in orde! Nu naar een anderen ‘Schalter’ om eene Freimark.

De duitsche Keizer staat er op en ook ‘Belgiën.’

‘Wanneer zal die brief te Berlijn zijn?’

‘Na vijf of zes dagen.’

Hoeveel jaren van teruggang zouden wij wel achter den rug hebben op het gebied van maatschappelijk verkeer?

nog Maandag 31 Januari '16.

Nooit stonden meer plakkaten van alle kleur op de blinde muren, ter aankondiging van vertooningen in het Nederlandsch Tooneel als dezen winter. Tot in de afgelegenste wijken der stad grijpen in bijzondere kringen kunstavonden plaats. Cinemas bestaan overal, waar er ruimte voor is

[p. 395]

en zitten steeds stampvol van behoeftigen evenals welstellenden. En de armoede is zoo groot, het eten zoo duur, het werk zoo schaarsch!

Onoplosbaar geheim.

Aan de grens zijn, zooals men weet, twee reeksen electrieken ijzerdraad gespannen op een afstand van twee honderd meters. Nu moeten al degenen, welke tusschen die strook wonen hun huizen ontruimen na verloop van eene week. De keuze staat hun vrij naar Holland te trekken of ergens in België een onderkomen te zoeken.

Waarheen met hun vee?

1 Februari. Dinsdag '16.

Ik ben geheel terneergedrukt en tevens door den drang van mijn natuur gedwongen dit dagboek voort te schrijven. Wat zal er geschieden, nadat het ontdekt is? Zoovele menschen worden dagelijks aangehouden, zonderdat er verder iets van het geval uitlekt.

Rechtstreeksch nieuws uit Nevele. Dat dorp - hoofdplaats van 't Kanton - is nu bevoorradingsdepot: tal van munitiewagens belemmeren het stratenverkeer. Op alle deuren staat geschreven: ‘Een officier, twee officieren, drie officieren.’ Waarom al de gegradueerden op dezelfde gemeente?

Omdat de manschappen overal in het omliggende op kleinere dorpen bij burgers en boeren zijn ingekwartierd. Hun getal - naar ik verneem - klimt tot zestig duizend. Voor allen wordt gekookt te Nevele en het eten vervoerd naar alle kanten. Het kasteel de Mot is als ambulance ingericht. De bezitters van paarden moeten deze uit de stallen verwijderen voor degene van 't leger.

In een talrijk huisgezin vroeg een graaflijke overheid om logies.

‘Alle kamers zijn door de kinderen in beslag genomen.’

Dat liet hij zich toonen.

‘Gleichviel, stel een bed beneden in uw salon; maar er niets uit wegdoen noch vloertapijt noch meubels.’ Zulks geschiedde. Hij deed er een groot hondekot binnenbrengen en nu woont en slaapt een kolos van St. Bernardsoort er met hem.

‘Voor hoelang verblijft ge hier?’ vroeg een inwoner aan een officier.

‘Ik weet het niet, denkelijk eenige weken...’

 

Op alle wegen te lande staan naamplakkaten tot op de kleinste paden, tusschen akkers of achter zoogenaamde elskanten: ‘Feldweg enz.’ is er op te lezen. Hoe praktisch. Welk een verbetering, buiten! waar een oninge-

[p. 396]

wijde zoo licht van de baan geraakt. Ook hier in de stad kunt ge op vele hoeken in groote witte letters de namen der straten van verre zien, wat eertijds op kleine donkere platen moeielijk te ontcijferen was.

‘Zoodra de Duitschers hier weg zijn, worden ze alle van kant gezet,’ zei mij iemand, die op dien maatregel zeer fier scheen. Zoo groot is de haat tegen alles wat de vijand doet. Dit ware wel jammer voor bijzienden en hen, die bij halve duisternis hun weg moeten zoeken.

Mijn ambulancier komt niet meer. Eens, dat hij aangebeld had, was ik niet thuis. Een andermaal had ik gewaarschuwd: ‘Ik kan vandaag niemand ontvangen.’ Hij kwam juist en hij moest vertrekken.

Nu, drie weken geleden stond hij daar, terwijl ik mijn hoed vastspeldde+ in de gang.

‘Ik heb hier iets mede, waarvoor ge u zult interesseeren,’ zei hij luchtig en wilde mij een pakje toesteken.

‘Och, ik moet een boodschap doen. Over een uur ben ik terug.’ Ik sprak waarheid.

Hij bedacht zich een oogenblik: ‘Morgen,’ stelde hij voor.

‘Morgen ga ik ook uit.’

Toen hoorde ik hem iets mompelen, wat mij slechts later opviel.

‘Ik weet niet, of ik nog terugkeer,’ zei hij en nam hoffelijk afscheid.

Hij is niet meer te zien geweest. Was ik onbeleefd buiten mijn weten? Ik weet het niet... onbeleefdheid is altijd af te keuren.

Wat mag dat voor een pakje zijn geweest?...

Och, het gaat velen van ons alzoo: impulsief handelen zonder berekening van het gevolg en de helft van onzen tijd betreuren wat men heeft gedaan of niet gedaan.

Ten slotte is hij toch de vijand. Het spijt mij niet. Best met hem en zijns gelijken geen omgang te hebben.

 

Gisteren avond had er hier een soort dansoptocht plaats: honderden en honderden soldaten trokken zingend door de straten. Ze waren niet gewapend, buiten een dolk. Er wordt verzekerd, dat de duitsche legers te Lendelede een groote nederlaag ondergaan hebben op 's Keizers naamdag den 27sten januari laatst.

Vrijdag 4 februari '16.

Het station van St. Pieters is gesloten voor alle burgerlijk verkeer. De handelaren van 't omliggende krijgen nog slechts een pasport voor een enkelen dag.

[p. 397]

Dezen nacht slapeloosheid. Hevig windgeloei in de boomen van het Park en omheen de daken van de huizenrij. Opeens mitrailleuzelawaai. Het duurde enkel eenige oogenblikken. Het was 't eenig gerucht van den nacht.

Eigenaardige geestestoestand: diep gevoel van vereenzaming en toch naar niemand verlangen. Bij dage naar elken belklank luisteren: ‘Och, dat ze mij gerustlaten...’ en toch blij wezen, als het bezoek dat van een dierbare is.

+ met alle denkelijke kracht gehecht aan het bestaan; met een onuitsprekelijke vrees voor den dood bezield, hunkeren naar een eeuwig leven.

Wie kent niet het genot verlammend weg te zinken in gevoelloosheid van slaap, met het oprecht verlangen nooit meer uit dien slaap op te rijzen en huiveren bij de voorstelling der algeheele vernieling van u zelf?...

‘Waarom trekken ze dezen uit het water, die den grooten sprong gewaagd hebben,’ zei mij een jonge naaister, die zich korts te voren wanhopig in de Leie had geplonsd.

Telkens denken zeker velen in dezen benarden tijd bij het ontwaken:

‘Waarom heropgewekt worden tot de bewustheid, na tijdelijke levensopschorsing, indien het leven geen vreugde met zich meer brengt?...’

 

+ schuldige wensch: ‘Waarom trekt er geen vliegtuig over de stad, waarom wordt er geen bom geworpen, eene dicht hierbij in het Park, of op het plein, waar ze geen menschen treffen kan en geen schade aanbrengen?... of beter misschien nog op mijn eigen hoofd... ach neen, dát niet, maar een rukwind, die den windwijzer boven de vorst van mijn dak krijsschend ronddraaien doet, een gierende storm in de kruinen van het Park... al klepte er enkel een kloosterklokje in de buurt... iets ten minste iets als afwisseling voor het gehoor.

Vrijdag 11 februari '16

Voortdurend morzelregen. Trommelslagen op den Steenweg. Lange, lange reeksen natgrauwe soldaten rukken aan stadwaarts. En in mijn spioen zie ik al de buren belangstellend kijken van op hun drempels. Meiden roepen elkander, ik weet niet wat, toe en lachen en maken pret. Kinderen klappen in de handjes en dansen op de maat der trippeltonen.

[p. 398]

Het gelijkt voorwaar heden meer op de blijde intrede van een vriendenheer dan deze van vijandelijke bezettingstroepen.

Ik tel en tel, ze loopen gevieren op een reeks, er moeten er nagenoeg achthonderd zijn.

Er heeft een algemeene+

Woensdag 16 februari '16.

Mijn ordetergende wensch is volbracht maar anders, niet in het nachtelijk donker, bij hellen dag. Eergisteren zaten wij hier aan het koffiemaal, heel gezellig en kalm. In eens valt een zware bons, die de vensterramen schudt, den plankenvloer schokt en ons allen opschrikt. Wat is 't?

Een tweede slag, heviger nog volgt, opnieuw worden vensters en deuren als met krachtige handen geschud en rollen schilfertjes van het leien dak op de glazenveranda en willen een paar borden - dadelijk beschermend vastgegrepen - van de tafel afdansen.

Al de ooren luisteren, al de monden zwijgen in verwachtende oplettendheid. Wij zijn aan zooveel raars gewend. Zulk een klein voorval heeft niets te beduiden... Een uur later wordt een bezoeker binnengeleid.

‘Hebt ge die groote slagen gehoord?’ is zijn eerste.

‘Ja, zeker, wat was 't?’ vragen allen.

‘Nieuwe, elke andere overtreffende bommen in vernielingsmacht. De Duitschers beproefden ze op een uitgestrekt veld, wat verder van hier.’

Zondag 20 februari '16.

De oorlogsindruk op een zieletoestand. ‘De voermansknecht van Nevele, Jan, is daar met een mand appelen voor u.’ Hij komt hier sedert vele jaren. Het is een reeds bejaarde man, een stoere, lompe, plichtsgetrouwe kerel. Zijn kleinzoon is gesneuveld, een der eerste slachtoffers - ik meen te Hauthem-St.Marguerite.

‘Met appelen,’ zeg ik, ‘goed, ledig den korf en geef hem dien weder met de gebruikelijke fooi.’

Marie is reeds buiten de kamerdeur, ik roep ze terug: ‘Vraag hem eens, of er nog soldaten te Nevele zijn.’

‘Ja,’ zegt ze naar beneden trekkend; maar ik wacht niet naar het bescheid. De zaak interesseert mij, ik ga zelve tot aan de trapzaal en luister:

‘Liggen er nog veel soldaten te Nevele?’

[p. 399]

‘Ha! Azoo een stuk of vijftienhonderd,’ is het antwoord op heel onverschilligen toon.

‘En wat doen ze daar?’

‘Hè, niemendalle, wa zoèn ze doen?’ en als gold het allemaal 't onbeduidenste wat zich denken laat, ‘goén dag,’ wenschend, strompelt hij op zijn plompe kloefen klabetterend de stoep af.

Maandag 21 februari '16.

Volkshumor: De Lousberglaan waarop zich het Oud-Mannenhuis bevindt, waar voorloopig slechte vrouwen bij honderden tallen zijn geherbergd, heet thans in den volksmond ‘de Microbenboulevard’. De vroegere kostgangers zijn elders hier en daar besteed op kosten van de stad.

Dezen morgen trokken ze op, de soldaten in lange, lange reeksen, het scheen wel alsof het heel de bezetting gold, die Gent verliet: over de verre rijen, vanwaar de trommelslagen niet tot hier meer hoorbaar waren, zweefden zegezangen forsig-schreeuwend door het ruim...

Zou hij er ook wel bij wezen de arme jonge recruut, die in de Eenzame Bagattenstraat,+ gisteren avond, heel alleen bitter schreiend, traag zijn weg naar de Kazerne volgde, terwijl de luchtige kameraden, na afloop der kinemavoorstelling van den Cirk met verwarde haast de drukke St. Pietersnieuwstraat opklommen naar hun nachtelijk verblijf? Of zit hij ergens streng gestraft voor het openbaar toegeven aan zijn hulpeloos gebrek aan mannenmoed?

Ze schenen zoo even allen weg te wezen. Maar zoodra uw voet een straat betreedt, dagen er overal op, soldaten: te paard, in rijtuig - de officieren ten minste - ; Feldgrauen op den bok van groote wagens met het rood opschrift ‘Kaiserlich deutsche Feldpost’ slenterenden in donker grauw geworden+ uniformen met hun lederen gordel, waarop voorkomt: ‘Gott mit uns’ en die van achteren afhangt door de zwaarte der bajonnet met den gekleurden kwispel: geel, rood, blauw of vuilwit. Dat afhangen zet aan die mannen op 't eerste zicht iets scheefs bij, zelfs als ze flink van gestalte zijn.

 

Het heeft vannacht een beetje gevroren. De zon schijnt warm reeds. Het kelderijs (bomijs)+ smelt en de ontdooide grond is glibberig-modderachtig. De meerle en de blauwmees zingen in het Park. De boomen staan nog winterzwart, sommige vroeguitloopers ietwat blond bewolkt; maar het struikgewas is overal met een ragfijn, doorzichtig groen overfloersd.

[p. 400]

De tweede oorlogslente breekt aan. Zal het de laatste wezen, die de aarde, waar de menschen zoo boos geworden zijn, straffeloos, mild komt begiftigen?

Woensdag 23 februari '16.

Zou de winter nu weder heropleven? Het sneeuwt; dapper stuiven de vlokken neder. De daken liggen wit. Rondom de schoorsteenen smelt de sneeuw. De meid is op boodschap uit.

Er wordt gescheld. Ik moet zelve opendoen. Dat gebeurt met voorzichtigheid: een kleine spleet, met het in een gleuf glijdend verzekeringsschuifje ingelegd. Daar staat een netgekleed jong werkmeisje of werkvrouwtje.

Nog steeds houd ik de deur schier gansch toe.

‘Kent ge mij niet meer dan?’ vraagt ze opgewekt-minzaam:

‘Neen.’

Dat jammerlijk herkenningsgebrek bij mij!

‘Wel, de vrouw van Oscar, den hovenier van het buiten uwer vrienden, van Oscar, die immers in 't leger is.’

‘O Zulma!’ Ze is weder heel opgefleurd en nu wordt ze binnengelaten en zit neer. Ze kijkt rond in de kamer: ‘Ge zijt alleen?’ zegt ze geheimzinnig, ‘wat ben ik blij, ge kunt nooit weten, of ze u niet afluisteren’ - op de meid doelend - ik breng u nieuws, goed nieuws.’

‘Zoo, Zulma, laat hooren.’

‘Oscar is acht dagen met verlof bij zijn meesters geweest in Engeland, waar ze immers gevlucht zitten. Ik heb een brief van hem gehad, nu een week of drie geleden, ik kon niet vroeger komen, mijn drie kleinen lagen met de mazelen en ik dorst niemand betrouwen om het u te laten weten. Hij leeft en is gezond. Ik let toch zoo op om het aan niemand te zeggen. Weet ge wat ik heb gedaan? dien brief dadelijk verbrand. Ik leer heel gemakkelijk van buiten en zal hem u opzeggen.’

‘Ik ook, Zulma, leer gemakkelijk van buiten en kan hem u zelve opzeggen, indien ge 't verkiest.’ Het viel mij hard, dat braaf, lichtzinnig vrouwtje terecht te wijzen, maar het moest aldus in haar eigen belang. Ze keek zoo verbaasd op, dat het ondanks het ernstige van 't geval iets comieks verkreeg; met zulke openhartige oogen, met dat wipneusje en dien onbedwongen mond was de gave van geheimhouding niet vereenigbaar.

‘Hoe kwam dat toch uit?’

‘Zulma,’ hernam ik, ‘de groentevrouw uit uw buurt had hem uitge-

[p. 401]

schreven en is mij dat komen toonen.’

‘Wel hemelsche deugd, de menschen kunnen toch niet zwijgen. Aan haar, aan haar alleen heb ik hem getoond, den brief; 't is waar, ze heeft hem+ in haar huis gehad, ze zal hem hebben uitgeschreven! wel, wel, iets zoo gevaarlijks!’

‘Ja, ge weet, dat vrouwen, die brieven aanvaarden van hun mans, die aan 't front zijn, naar Duitschland worden gestuurd. Ziehier wat er in staat:’

‘Beminde vrouw, ik laat ulieden weten den staat van mijn gezondheid en verhoop van u hetzelfde. Ik ben acht dagen bij mijn meesters geweest en laat u weten den staat van ulder gezondheid. Vertel toch aan geen mensch, zelfs niet aan mijn naaste bloedverwanten, van dat nieuws, om redewille verbrand hem,’ is 't niet zoo?’

‘Precies,’ zei ze beteuterd; maar daarop weder kommerloos:

‘Ik heb ook een portret van hem gekregen.’

‘Ja, Zulma, in uniform van engelschen soldaat.’

‘Ach, weet ge dat ook al! die kanaalje,+ die tooveresse van dat groenselwijf toch! Peins ne keer, moest het uitlekken. Ik weg, mijn arme schaapkens van mijn kinders toch, ik naar Duitschland! Wie weet vertelt ze 't niet aan alle deuren!’

‘Zulma, indien ge iets van zulk gewicht weet, zwijg het zelve, neem niemand in 't geheim.’ Aldus sprak ik nog veel, omzichtigheid aanpredikend zonder de geringste hoop op het maken van overtuigenden indruk bij haar.

Donderdag 24 februari '16.

Een familielid der betrokken personen vertelt het volgende, namen noemend: een geneesheer van Brussel had verboden schriften en uitgeknipte dagbladartikels in zijn bezit. Waar die te verbergen? De meid, op de hoogte, zei: ‘Mijnheer, in mijn slaapkamer, daar zal toch niet worden gezocht.’

Aldus gedaan. De huiszoeking geschiedt. Niets te ontdekken.

‘Nu naar de kamer der dientstbode.’

Het viel niet moeielijk de hand te leggen op het verheimelijkte. ‘Allen naar 't gevang!’ De dokter, bang voor verlies van cliënteel bij zijn afwezigheid, wil borgtocht geven.

Niet toegestaan.

Mevrouw is nog in morgenkleed.

[p. 402]

‘Mede.’

‘Zoo kan ik toch, en in sloffen op de straat niet verschijnen.’ Eindelijk mocht ze zich omkleeden.

De man krijgt drie maand gevang, de vrouw zes weken de meid veertien dagen.

26 februari. zaterdag '16.

Het is merkwaardig hoe de natuur het resultaat van haar eigen arbeid vernielt, na al de zorgen, die ze er aan heeft besteed. Om een zaadje te doen ontkiemen, wat hoeft er al niet toe: gunstige grond, zonne, vochtigheid, afweer van onkruid, van insecten. Traag gaat de werking vooruit. Het knopje ontluikt zijn kroon uit den groenen kelk en een rukwind slaat het af. Het koren doorstaat - heel klein nog - den strengsten wintervorst. Het groeit, het krijgt stengels, blaadjes, knoopen; het krijgt aren, het bloeit in geurige walmen boven de rijke arenzee; het wordt gebakend door de zon, het wordt gewiegd door den wind; het wordt gedrenkt door lauwen regen. Het gloort eindelijk in volle, gulden pracht. De gezichteinder betrekt donker, vaalros geschakeerd; logge wolken naderen. Een hemelbreuk, een hagelgekletter en heel de vruchtbare oogst ligt tusschen ijsscherven neergeveld aan flarden uitgerafeld.

De eik heeft halve of heele eeuwen noodig om hoog van stam, wijd uitgespreid van kruin, zich te ontwikkelen en een bliksemstraal slaat hem eensklaps in spaanders+ ten gronde. De stroom zwelt in woeste stortbuien vervaarlijk aan, ontloopt den weg, hem zoo wiskundig aangeduid, door groene weiden of tusschen bergen en rotsen kronkelend, en in zijn onbesuisd geweld ontwortelt hij tronken en holt zijn eigen oevers uit.

Het volstaat dus niet, dat al het levende op dood en vernieling is gegrond, dat alles sterven moet om het leveneischende te voeden. De natuurkrachten ook zijn tegenover elkander in bestendigen strijd.

En wij zouden willen, dat de mensch een uitzondering maakt op die voorschriften der schepping! Het verbaast ons te hooren van al de gruwzame vernielingen in dezen tijd, die niets ontziet van wat met zooveel vlijt en moeite is opgebouwd!... De vijand is het niet alleen, die verdelgt. Gansche dagen lezen wij van bruggen, die de bedreigden doen springen, van vernielde levensmiddelen, van door de eigenaars in brand gestoken vliegtuigen, opdat ze geen roof van den tegenstrever worden zouden... Euveldaden van den mensch, verordeningen der natuur.

Toen mijn meid gisteren avond van een boodschap thuis kwam en de

[p. 403]

voordeur reeds dicht was, hoorde zij fluisteren op de straat. Met een spleet opende ze weder.

Daar, beneden de traptreden stond een onderofficier en voor hem een twaalf-of-dertienjarig meisje, met de lange haarvlecht op den rug. Ze hielden elkanders handen vast, de hoofden staken bijeen.

In 't algemeen houdt de burgerij zich deftig en op afstand.

In het gouvernementshotel is een jong meisje van Hamburg als secretaresse werkzaam: een en twintig jaar oud, bekoorlijk, mooi, nicht van een minister, zacht, verbazend geleerd en tevens bescheiden. Ik onmoette ze in een vriendenhuis, waar ze logeert, bij Hollanders. En toch kan ik ze niet medevragen, als de familie hier komt...

Ze vertelt, dat de Duitschers zoo lief bejegend worden door de landelijke bevolking. Zoodra er een op een hoeve verschijnt, biedt de boer of de boerin hem melk, eieren en wat er in huis is aan. Ik weet er ook van te spreken! - Genegenheid, meent ze. De stedeling legt het anders uit: Vrees, lafheid, gebrek aan eigenwaarde.

Ze weet, dat de Hoogeschool met october zal geopend worden, de vervlaamschte. ‘Vanwaar de hoogleeraren gehaald, vanwaar de leerlingen?’

‘Geen bezwaar. Uit Holland en Duitschland zullen ze geroepen worden en de ontwikkelde krijgsgevangenen krijgen oorlof om - met beperkte vrijheid - naar België terug te keeren en de colleges te volgen.’

Woensdag 1 Maart '16.

Grauwe lucht met stil gezijpel: hier een regenscherm op, ginder een dicht. Groeizaam lenteweder. Modder op de straten.

Alle bakkersvensters met ledige manden, alle slagerswinkels met de witte uitstallingsplaat, de witte toonbank en de vleeschhaken leeg.

Binnenrukkende legerbenden in afgestompte lijnen door den mist gezien; trommelslagen en fluitbegeleiding, alles verdoofd zonder kracht als moedeloos, met tegenzin gebeurend.

Een jong soldaat treedt uit een speelgoedwinkel. Hij houdt een papierpakje in de hand. Hij schijnt ongeduldig om nog eens den inhoud na te zien en doorsnijdt het vasthoudend koordetje met zijn zakmes. Er steekt een popje in: zeker voor zijn eerste ver, ver afwezig kindje...

De doodwagen komt aan, heel traag, de helling der Citadellaan af, de doodwagen eerste klas: zwart en zilver. Enkele kransen liggen op de pelle,+ zeven of acht rijtuigen met omfloersde lantaarnen volgen... Het is de lijkstoet van George Buysse een onzer meest geprezen, huidige, vlaamsche schilders...

[p. 404]

En tranen komen in mijn oogen. Waarom? Ben ik nu toch heden zoo lichtgevoelig. Hem heb ik persoonlijk weinig gekend. Is het omdat oude herinneringen plots levendig worden opgewekt? Zijn moeder was een bijzondere vriendin van mijn zuster Rosalie en mij. Gisteren legde ik nog toevallig de hand op het gelegenheidsgedichtje - het eenig wat ik ooit heb gemaakt ter gelegenheid van huwelijksplechtigheden - dat ik voor haar bruiloft schreef. Ze stierf korten tijd na zijn geboorte, weggerukt uit den roes van haar jong geluk. En nagekeken, verdwijnt traag die stoet langs de lange, bochtige Kortrijksche straat rechtstreeks naar het graf; want het is een burgerlijke teraardebestelling. Dat geschiedt nu zoo vaak, dat niemand er nog acht op geeft of er zich over verwondert. Trouw- of doodbrieven worden ook niet meer gedrukt of zelden, alles gaat zijn gang in stilte zonder eenig vertoon.

Die algeheele uitsluiting van levensverkeer en vereenzaming is wel bedroevend. Ge ontmoet iemand, wiens zoon in 't leger is: ‘Hebt ge nieuws?’ Hoofdschuddend met een nauw hoorbaren zucht: ‘Neen, niets.’

Sedert acht maanden, sedert een jaar of meer, niets! Aan een ander dezelfde vraag. ‘Krijgsgevangen immers.’ Ook aan een derde, en het antwoord luidt, dat hij op dien of dien datum nog leefde. ‘Hij leefde nog,’ dat wordt gezegd van een jongen, gezonden, krachtigen mensch voor wien het leven met al zijne gaven openligt... welk een vreeselijke samenvatting van den europeeschen toestand behelst zulk een kort bericht niet!

Vrijdag 3 Maart '16.

's Namiddags damesgezelschap hier. De kaarten worden uitgedeeld, opgenomen, maar het spel dra stop gezet. Het onderhoud loopt weder over den oorlog: ‘Slecht nieuws van Verdun.’

‘Och, allemaal leugens, ze doen niets dan valsche berichten mededeelen.’

‘Neen, neen, 't is nu wel waar.’

‘Griekenland is er ook slecht aan toe.’

‘Het verdient niet beter voor zijn valscheid tegenover de twee vijandelijke partijen.’ Een andere:

‘En Italië voor zijn bedrog. Het geraakt niet vooruit te Görz. Het heeft wat het verdient.’

Protest van de dames.

[p. 405]

‘Darei is gisteren begraven, enkel met absouten,’ vertelt er eene.

‘Wie was Darei?’ vraagt een juffrouw, die weinig afweet van loopend nieuws. ‘De fabrikant, die zakken liet maken voor de Duitschers immers.’

‘Foei, foei!’ gaat het in den kring.

‘Hij had een zoon krijgsgevangen, een anderen aan 't front, en hij leverde materiaal voor de bescherming van den vijand, een schande, een schande!’ De vermoedelijk duitschgezinde vertelt: ‘Zijn zoon, die in 't leger is, heeft verklaard: ‘Ik wil al mijn kogels verschieten op den vijand, maar éen houd ik in besparing voor mijn vader, zoodra ik terugkom.’ ‘Is dat ook geen schande?’

‘Neen, neen, doen mag hij het niet, maar het klinkt verkwikkend voor wie het hart op de rechte plaats heeft,’ zegt een dame.

‘En voor wie vaderlandsliefde bezit’ voegt een andere met geestdrift er aan toe.

De duitschgezinde schudt geringschattend het hoofd en knijpt de lippen dicht.

‘Maar,’ herneemt degene, die het onderwerp op touw heeft gezet, ‘weet ge wat er gebeurde op den begravingsdienst van Darei?’ ‘Neen,’ zegt er eene. ‘Ja, ja,’ roepen een paar anderen.

‘Er was geen enkele stadgenoot in St. Jacobskerk, buiten enkele familieleden, niemand uit de gebuurte en de Duitschers hadden noodig geoordeeld het plein met soldaten af te zetten, uit vrees voor betoogingen.’

‘Och, dames, komt, het is nu genoeg over den oorlog en al het akelige daarvan, laten wij aan ons spel zijn,’ breekt de duitschgenegen het gesprek af. Allen zijn het eens met haar. De kaarten worden uitgespeeld; maar hoelang zal het duren, voordat de partij weder getorpedeerd wordt?...

Nadat mijn genoodigden vertrokken zijn, wordt de ambulancier aangemeld. Vijfmaal is hij hier nu tevergeefs geweest.

‘Dat hij boven kome.’ In enkele, haastige sprongen is hij er. Ben ik een monster, omdat ik hem beleefd begroet? Ik denk het soms. Ligt er toch onbewust iets in van duitsch nationaliteitsgevoel? Maar neen, ik weet wel van niet. Is het nieuwsgierigheid of in zekere mate persoonlijke sympathie? Onoplosbare vraag die ik te vergeefs tracht te verklaren. Hij heeft zijn ronde, witte muts op een stoel geworpen en zit aan de tafel rechtover mij, donker felblauw+ met den witten armband, waarop het rood kruis staat.

[p. 406]

Hij neemt zijn hoofd tusschen beide handen, schudt het herhaaldelijk, zucht diep, kijkt weder op en spreekt.

‘Ik moet van hier vertrekken, zoo even kwam het bevel, morgen reeds om zeven uur, verplaatst naar Oostende.’

‘Gestraft?’ vraag ik onbezonnen.

Hij trekt zijn baloogen open:

‘Neen, neen, bevordering integendeel. Het maakt mij toch zoo ongelukkig. Ik woon in Gent sedert meer dan een jaar. Ik heb soms den inval gehad er mij na den vrede metterwoon te vestigen en nu ginder zonder geestesleven in dat klein plaatsje! Niemand, niemand kennen!’

‘Hier hebt ge evenmin bekenden bij de burgerij.’

‘Jawel, jawel, in twee families heb ik nu toegang. O, zoo gezellig!’

Dat verwondert mij, ik mag niets laten merken.

‘In Oostende is er geen bevolking meer,’ herneemt hij. ‘Ik heb het zoo druk gehad in den laatsten tijd. Te Wervicq zijn twee duizend Poolsch-Russische+ krijgsgevangenen geïnterneerd. Niemand kon ze verstaan. Ik ken uitstekend Russisch en moest als vertolker dienen; denk eens twee duizend menschen, die met niemand spreken kunnen! Ik reisde herhaaldelijk van Gent naar Wervicq, van Wervicq naar Gent ten minste eens om de twee dagen.’

‘Vermoeiend was het wel. Schrapnells vielen om ons heen, twee met wie ik sprak, stortten neer voor mijn voeten. Ik zelf kreeg toen een schram,’ en hij wijst zijn linker kuit aan.

‘Oostende is ook Operationsgebied. Wie weet of wij elkander nog ooit wederzien,’ zegt hij bedenkelijk.

‘Schrijf een kaart, hoe ge 't stelt.’

‘Indien ik een kaart schrijf, mag ze niet met de post gaan, correspondentië met civilen is verboden; met een bode? Indien hij geknipt wordt, krijgen wij elk - de bode en ik - twee maanden gevang, ... tien dagen in 't beste geval.’

‘Neen, neen, niet schrijven,’ roep ik uit in doodsbenauwen:

‘Wij zien elkander nooit weder,’ houdt hij vol.

‘Mon coeur pleure pour Gand et mes nouveaux amis,’ en met het gelaat wijst hij achterwaarts naar die, mij onbekende betrekkingen.

‘Ik zie Duitschland ook niet weder.’

‘Ist das eine Ahnung?’ vraag ik, onder den indruk van zijn kommervol gevoel.

Dat schijnt hem te treffen. Hij staat op.

[p. 407]

‘Auf wiedersehn,’ zeg ik.

‘Adé, gnädige Frau, leben Sie wohl,’ en weg is hij, de trappen af. De deur wordt beneden dichtgedaan. Zijn stap verwijdert zich uitstervend langs het voetpad... Het is ook niet alles rozenkleur in het leven van een vrijwilliger. Te beklagen zijn ze allen, allen die in 't leger dienen om het even hoe en waar.

Zaterdag 4 maart '16.

Geen boter schier meer te krijgen, weinig eieren, tenzij door een bijzondere gunst van uw winkeliers. Sneeuwstormen, die wij gedurende den winter niet hebben gehad. Koud, ijzig weder vandaag. Het brood is niet eetbaar schier, het heeft geen smaak meer van tarwe: 250 gram daags voor ieder, die betalen kan en aan de behoeftigen voor niet uitgedeeld met een halven liter soep. De brooduitvoerder van een groote maatschappij komt van heden af in mijn straat met een stootkar in plaats van een wagen met twee paarden. Ook de koeien op stal worden van de boeren afgenomen tegen ontoereikende betaling. Paarden zijn er slechts nog heel weinig.

Waarmede zal de landbouwer zijn akkers ploegen? Elke week verslecht de economische toestand met reuzenschreden. Wat staat er ons te wachten?

Hongersnood?

De verleden week - 2den dezer - zijn te Bergen (Mons) op het plein van Casteau zeven mannen door den kop geschoten. Ze waren met in de dertig beschuldigd van spioneering. Twee werden verwezen tot vier maanden gevang, omdat ze wel geweigerd hadden aan spioneering mede te doen, doch het geval niet hadden bekend gemaakt aan de duitsche overheid.

De bewuste zeven kregen 's avonds kennis, dat ze 's anderdaags om vijf uur op het plein van Castaud - buiten de stad - zouden worden gefusilieerd. In een wagen met zeven kisten werden ze in de schemering er heen gevoerd, elk afzonderlijk voor een peloton soldaten gesteld en op hetzelfde Kommando in éen salvo neergeschoten. Onder dezen bevond zich notaris Roels van Sottegem, ingenieur Jacmain van Brussel en een jongen van zestien jaar!

En ik durf nog schrijven over oorlogsgebeurtenissen op levens- zooniet op vrijheidsgevaar!

Wat geeft het ook, indien mijn dagboek maar eenige kans heeft aan het licht te komen, van wat belang is het sterven van een mensch!...

[p. 408]

Te Nevele zijn nieuwe opeischingen van vee gedaan: op honderd en twintig bekalfde koeien is onder meer beslag gelegd. In het omliggende zijn er nog een veertigduizendtal soldaten ingekwartierd. Op het bebouwde dorp alleen verblijven drie en dertig geneesheeren. Het kasteel de Mot is zooals ik aanteekende tot lazaret ingericht. Zijn er veel kranken, zijn er weinig, zijn er geene? Niemand weet het, maar onder de bevolking heerscht eene kwaal, die te rechte of ten onrechte de loopgravenkoorts wordt genoemd.

Mejuffrouw de Kerchove d'Exaerde sedert 6 december ll. honderd en twee jaar oud geworden, is een drietal dagen geleden ter aarde besteld; onmiddellijk werd haar huis door een groot getal soldaten bezet.

Nu is het volop winter hier.

De straatsneeuw begint te smelten, op de daken ligt ze glimmend wit. Langs den kant der tuinen op het groot vierkant met al de scheidingsmuren, is de aanblik betooverend in de helle zon: alle boomen, alle takken, alle twijgjes zijn met dons omhuld, wit, wit, wit, overal waar het oog ook tuurt.

De musschen 't jijlpen zittend met opgestoken vlederen, leelijk, lomp en vuil op al dat edel blank. Ze krijgen eten in de buurt op netgeveegde tuinplekjes; de meezen, o, een vreugd om aan te zien, hoe deze kleurenrijk en elegant, met sierlijke zwenkingen éen voor éen of twee of meer tegelijk in de nabijheid op den muurpereboom geduldig hun beurt afwachtend, afzonderlijk neerdalen en zich met hun fijne haakpootjes vastklampen in den smul vet vleesch, die door de zorgzame hand mijner meid op een hoogen stok, buiten kattenbereik, in 't midden van een rond, leeg bloemenperk, is vastgebonden.

Hoe geweldig slaat dat mooi kopje heen en weer gedurende het vraatzuchtig pikken in den klomp!

‘Gelukkige vogeltjes,’ zegt ze, ‘die niets afweten van den hongersnood.’ ‘Adolf bekommert zich niet om den oorlog.’ zegt ze ook, als hij zoo schetterend zit te zingen in de keuken.

Adolf is de kanarievogel.

Zondag 5 maart '16+

Gezelschapsprentje.

Een dame van meer dan middelbaren leeftijd, die ik met een drietal

[p. 409]

andere dames meermalen in een vriendenhuis ontmoette, had ons allen uitgenoodigd om een namiddag te harent door te brengen. Ze geleek op een overleden kaartgezellin van wie ik enkel goede herinneringen behouden had en dat stemde mij reeds sympathiek voor haar.

Het was een nieuwgebouwen woning in een nieuw stadskwartier, waar ik aanbelde, breed en hoog. Alles wit in de hall, witgestukeerde muren, witmarmeren plaveisel. Het was een koude dag.

Een innemend welkom, een gulle handdruk en wij zaten neder aan het whist-spel. Enkele malen waren de kaarten rondgedeeld, toen een jonge knecht in rood- en witgestreept linnen pak, onhoorbaar stappend, fluisterend zijn meesteres verzocht om een paar oogenblikken de kamer te verlaten. Iemand moest haar spreken.

En zich ontschuldigend vertrok de huisdame.

Het spel was geschorscht.

Al van in het begin had ik in die kamer iets onbehagelijks gevoeld. Wat was het toch?

Op de lichtgrijze wanden met verguld loofwerk hingen olieverfschilderijen - landschappen die niet lelijk waren, een paar familieportretten, die ik begrijp niet waarom - bijna altijd leelijk of onbeduidend zijn. Groot was de spiegel op de schoorsteenplaat. Daarop stond een kostbare pendule met een bronzen vrouwenbeeld ‘De Vrede’ voorstellend tusschen twee schoone kandelabers. De tapijten waren zacht, de stoelen en de zetels harmonieus van kleur; de luchter glom van goud en kristal...

Wat was het toch dat ongezellige in die zaal?

In eens werd het mij veropenbaard: Winterweer, koude dag en... geen vuur in den haard. Mijn blik viel op den grijsgeverfden, onooglijken radiateur - dat laag geribt muurtje, dat de mooiste kamer ontsiert.

Ik was het die begon: ‘Dames, vindt u dat hier warm?’ vroeg ik.

Ze hadden nog blijkbaar aan de temperatuur niet gedacht. Nu voelden ze plots iets daarvan:

‘Neen’ antwoordde er eene met een korte rilling door de schouders.

‘Nova Zembla,’ sprak wijsgeerig een oude dame, schoolbestuurster geweest.

‘Och,’ verklaarde een derde, rondziende, ‘in woningen waar een algemeen verwarmingstoestel bestaat, is 't altijd koud en ongezellig, zonder laai in de kachel. Het oog wil vuur zien.

‘Zeker, zeker,’ beaamden+ allen.

[p. 410]

‘Ze zijn zeer rijk, niet waar?’ wierp een den nieuw-uitgenoodigden op, zich richtend tot de vertrouwde van 't huis, aan wie we de invitatie te verdanken hadden.

‘Schatrijk, ik weet het, ik die een schoolvriendin ben van haar. Ze was verstorven van hare ouders, toen ze trouwde, veel geld,’ besloot ze gewichtig-bewonderend.

‘Is hij niet de zoon van dien fabrikant die zulk een beduidend fortuin in de katoencrisis, tijdens den scheidingsoorlog van 1865 in de Vereenigde Staten gewonnen heeft? Menschen vroeger van niemandalle, heb ik mijn vader hooren zeggen.’

‘Juist zoo, van geen aanzien en nu nog winnen, deze altijd winnen, die fabrikanten toch!’

‘Wie moet dat hier deelen?’ vroeg er eene brutaal.

Al de hoofden werden bij elkander gestoken.

‘Twee nichtjes van haren kant, en van zijn kant de rijke brouwer van ter Hooge.’

‘Ook een, die 't niet noodig heeft.’

‘Nooit kinderen gehad?’

‘Nooit,’ herhaalde de schoolvriendin.

‘Ze zijn vrekgierig, niet waar?’ vroeg er eene al stouter en stouter geworden door de gevoelsharmonie van 't gezelschap.

‘O,’ meende een andere ‘wie niet gierig is, wordt niet rijk of blijft het niet.’

Allen lachten bijval toe.

‘Gespaarzaam, ja, dat zijn ze,’ hervatte de schoolvriendin, den handschoen opnemend ter verdediging harer getrouwen, ‘maar niet op diners of soupers. Ge zult het overigens wel ondervinden straks aan de koffie. Alles in overvloed.’

‘Uit hoovaardij, anders niet,’ verzekerde betwetend de schoolbestuurster.

De glimmend verniste deur kraakte.

De blozende mevrouw trad zijderuischend binnen, blakend van blozende gezondheid, minzaam als ze is.

Ze ontschuldigde zich nogmaals. ‘Een pachter van buiten - ondanks den zondag! Geld moogt ge immers nooit weigeren.’

Allen stemden in met haar en de neerliggende kaarten werden opgenomen in afwachting van het bericht, dat de koffie klaar was.

[p. 411]

Zondag 12 maart '16.

Mooi lenteweder.

In beschaduwde hoekjes ligt hier en daar nog een saamgedrongen hoopje sneeuw. ‘Ze wacht naar andere sneeuw,’ zegt in zulk geval het boerenvolksgeloof.

In het begin van verleden week was hier het laatste stuk versch vleesch. Het bestond uit een zoogezegd schenkelbeen met nog wat merg in en wat vleesch aan, gedecoreerd met de benaming van ‘een mooien rundsschenkel’. Toen dat ding gezoden op de tafel verscheen, zag het er donkerbruin en dor uit.

‘Koevleesch?’

‘O, koevleesch is wel leelijk van kleur maar niet zoo erg.’

Het mes snijdt niet, gewet nochtans. Een homp is er eindelijk af te krijgen: niets dan zenuwen en pezen! En nu dringt zich de overtuiging op: het kan niet anders zijn dan de achterpoot van een stokouden ezel.

Arm, afgesloofd beest, voorwaar is het gelukkig van alle aardsch lijden los te wezen, maar weinig gewenscht is zijn onbruikbaar overblijfsel als middagmaal.

Voor heden is het niet veel beter te voorzien. Na herhaald aanzoek in den slagerswinkel en gesmeek om toch wat gunst als zijnde voor een veteraanklant, heeft de vrouw twee sneedjes hoofdvleesch - achter de toonbank verborgen+ - aan de meid afgestaan.

Triomfant doen ze hier hun intrede, net gewikkeld in een wit papier, aan vijf dubbele waarde betaald. En hoe zien ze er uit: meestal+ witachtige krakertjes en velletjes slechte cooperatieven, die niet bij machte zijn om zich door samenhoudende kracht aaneen te sluiten en jammerlijk afbrokkelen... ook het zoogenaamd grijs brood brokkelt af. Het ligt in een hoopje links naast mijn bord. Ik moest de vier vingers en den duim gebruiken om het op te nemen en daarom doet nu een lepel dienst.

Maandag 13 Maart '16.

Koffievereeniging gisteren bij vrienden. Ge zoudt nooit gewaand hebben, dat er crisis van levensmiddelen bestaat: alles in overvloed aan gebak en lekkernijen.

Het rantsoen der bewoners is bepaald op honderd vijftig gram vleesch per persoon en per week.

In het half verwoest buiten van mijn neef, advocaat en volksvertegenwoordiger, te Landegem, zijn nu veel soldaten ingekwartierd. Aan den

[p. 412]

straatkant hebben ze al de Canadaboomen afgezaagd. Twee honderd paarden staan in de stallen.

Vrij loopen er in den boomgaard rond, heel de zode is+ met hoogten en laagten door hun hoeven ingestampt. Geen wit brood mag van heden af nog gebakken worden. Men verzekert, dat de behoeftigen van de stad elk een frank onderhoud daags zullen krijgen.

‘Heel gelukkig, de armoe is zoo groot,’ zei eenieder. Ik ging in een pasteibakkerswinkel: taarten stonden naast taarten, ook kleine patétjes van alle maaksel en alle soorten opgehoopt.

‘De burgers hebben nu nog altijd geld,’ zei een binnenkomende dame. ‘Fijn goed is er niet te kort naar ik merk.’

De baas, die zelf bestelde, antwoordde:

‘Het zijn de burgers niet, die 't meest koopen, mijn beste kalanten zijn de werklui en de arme kinderen: deze laatste werpen een briefken op de toonbank en zeggen: “ên taartje veur ê markske,” en in eenige beten is het op.’

Geheel in geestverwarring aangaande dat huishoudkundig vraagstuk brengt men het in verbinding met het ander: de theaters en de kinemas zitten vol. Hoe is dat te verklaren met de waarlijk groote ellende van het volk? ‘Rep aan niemand een woord, van dat winkelgesprek, het zou de vrijgevigen tegenhouden en het medelijden van de werkeloozen afwenden,’ beval ik aan mij zelve.

Een lange lijst van ter doodveroordeelden wordt veropenbaard, onderteekend Freiherr von Bissing, Generaloberst. Brussel 6 maart - 1916.

Woensdag 15 maart '16.

Winkeliershandeling

In gewone tijden kost hier een droge haring - een schier uitsluitend werkmansvoedsel - van vijf tot tien centimen. Na het instellen van 't vleeschrantsoen klom de prijs op een dag tot 0.20, na eenige uren tot 0.25 en 's anderdaags en volgende dagen tot 0.50.

Nieuwe voorraad was sinds maanden niet binnengebracht.

17 Maart '16 vrijdag.

Aan den zijuitgang van het station Gent Zuid, dat uitkomt op de Dierentuinlaan, staan voor de open poort twee mooie volksmeisjes te wachten nevens een afzichtelijk-leelijk, arm wijf.

Een kar komt van op het erf naar buiten toe, door een soldaat voortgestooten. Zij is zwaarbeladen. Op de laan draait hij ze half ter zijde en

[p. 413]

werpt den dissel naar het wachtend wijf toe, zonder haar noch de meisjes een blik te gunnen en keert terug vanwaar hij kwam.

Zij grijpt den dissel vast, schuw langs alle kanten kijkend of geen oog het bespiedt, en met den rug omhoog, bijna horizontaal, duwt ze de logge vracht met moeite voort; de twee meisjes helpen steken elk langs een kant... Die wagen is met zeildoek gedekt. Maar de wind speelt guitig met de onvoldoend-toegestopte hoeken, waarvan er een achteruit vliegt op den inhoud: hij bestaat uit saamgerolde, ongebleekt katoenen bundeltjes.

Zakken! Gereed gesneden zakken, die ze voor de Duitschers naaien zullen. Met een ruk stoot de helleveeg het voertuig wat op zijde, kijkt zijds en achter zich, terwijl de meisjes het zeildoek zoo diep mogelijk tusschen den wagenkant en het goed vaststeken en de groep vervolgt haar weg, onder de vrees voor te krijgen smaad aangaande die schandaal opwekkende vracht.

Zaterdag 18 maart '16.

Om half negen uur is professor Paul Fredericq uit zijn huis gehaald door een duitsch gendarm. Een officier in burgerskleederen bespiedde de straat reeds eenigen tijd van op den straathoek en trad mede binnen. De hoogleeraar werd naar het Melde Ambt geleid. Wat daar verhandeld werd, is niet geweten. Steeds in gezelschap der twee keerde hij terug naar zijn woning. Hij mocht de familie verwittigen, dat hij om half twee de reis naar Duitschland aantreden zou, en wat hij noodig had in gereedheid brengen. De officier en de gendarm verlieten hem geen oogenblik noch op de trap noch in zijn slaapkamer, noch bij het afscheid van de verwanten. In een half open auto trok men naar St. Pietersstation.

Bij 't uitstappen bemerkten hem twee vrienden, leeraren ook en de gouverneur van Oostvlaanderen. Ze drukten hem de hand, wisselden een paar woorden.

‘Gij gaat niet mede,’ zei de officier tot een dezer, die antwoordde:

‘Dat weet ik en dat verlang ik niet.’ Dadelijk werden ze in het bureel geleid, moesten hun persoonskaarten toonen, werden afgetast en ondervraagd en alles aangeteekend, al de papieren nauwkeurig nagezien. Dezen zelfden morgen is professor Pirenne evenzoo opgeëischt en naar Duitschland gestuurd.

Geen beschuldiging weegt op hen: oorzaak - zegt men: ongewenschte tegenwoordigheid.

[p. 414]

Zondag 19 maart '16.

Er wordt in de stad veel gesproken van die aanhoudingen van die twee bekende historiekers. Men wijt+ ze aan hun houding in zake de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool.

Maandag 20 maart.

Bezoek van mijn ambulansier. Zijn voorspelling, hem misschien nooit weder te zien, is niet bewaarheid. Zijn afwezigheid was zelfs kort. Hij is zeer opgewekt. Welk een enthusiast! Hij, die zoo bevreesd was voor verplaatsing, is ingenomen met Oostende: ‘Das Meer, das Meer!’ Wat geniet hij er van gedurende zijn vrijen tijd: altijd hetzelfde doch steeds afgewisseld, zoo woelig, zoo grootsch, zoo kleurenrijk, zoo ‘beruhigend.’

‘Haddet ge wellicht nooit de zee gezien?’

De vraag doet hem glimlachen: ‘Ik, niet de zee gezien! O, en de Oostzee, die slechts enkele uren stoomens van Berlijn is; ook de Zwarte Zee en de Caspische Zee heb ik gezien en bevaren, donker van kleur, heel donker... de Zwarte Zee.’

Plots valt zijn geestdrift: ‘Dezen morgen naderden vliegers Oostende,’ vertelt hij op heel ernstigen toon, nog onder den indruk van het voorval. Het was vroeg, hij sliep nog en werd gewekt door onbeschrijflijk heftige slagen, die de deuren schudden en de medicijnflesschen tegen elkander knotsten+, zoodat het vocht er uit vloeide en scherven op den grond vielen.

Wat gebeurt er? Zes luchtgevaarten naderen de stad, met Franschen en Engelschen. Het is het duitsch zeegeschut, dat ze aanrandt. Het gelukt hun niet over Oostende te geraken; twee hunner zijn getroffen, zwenken nog wat op den terugtocht en vallen in de duitsche lijn. De inzittenden, een paar in elk tuig, zijn dood: ‘Brrr!’ zegt hij. - Welk een ondervinding moet iemand reeds bezitten van kanongebulder om zenuwkalm te blijven daarbij. ‘Ik was alleen om de mij toevertrouwde gekwetsten in zekerheid te brengen...’

Ik dorst niet vragen: ‘Waarheen in zekerheid?’ en opnieuw verandert hij van onderwerp: ‘In Oostende is weinig civiel te zien, maar soldaten, soldaten, myriaden,’ overdrijft hij. ‘En welke mannen, die mariniers, echte reuzen; ze moeten buigen om onder een deur te gaan van gewone hoogte.’

‘Van Posen, van Oost-Pruisen?’

‘Van overal uit Duitschland saamgegaard. Wat voor kolossen, wat voor kolossen!’ roept hij uit. Zijn stem zinkt, ‘en,’ voegt hij er bedenkelijk

[p. 415]

aan toe, den tip van zijn linker wijsvinger tusschen den duim en den wijsvinger van zijn rechter hand nemend, ‘een kogel, niet grooter dan dat, en... voor eeuwig neergeveld!...’

‘Is Oostende erg beschadigd?’

‘Neen, en Knocke heelemaal niet.’

Hier had hij nog omgang met burgerlijken. In Oostende zou dat voor soldaten onmogelijk zijn. En welk goed eten heeft de marine in vergelijking met wat het rantsoen in Gent was: lekkere vleeschsoep, rostbeef, aardappelen, groenten, schelvisch en nagerecht alle dagen.’

Dat brengt mijn gedachten van lieverlede op de ellende van ons volk:

‘Veel armoede voorzeker tevens ginder?’ Kan ik niet nalaten te vragen.

‘O, kolossaal!’ Hij vat de bitterheid niet:

‘Maar wij deelen mede, o, zooveel als wij kunnen,’ verzekert hij.

‘Bedenk, dat Duitschland in de laatste dagen zestien groote schepen met proviand heeft in den grond geboord.’

Nu moet hij gaan en hij drukt mij de hand, diep er over buigend; en stormt de trappen af, zooals hij ze is opgestormd.

Oorlogsprentje. Woensdag 22 maart.

De tram nummer 4 rijdt van de herberg De Ster naar het midden der stad toe. Hij is stampvol. Aan de Brederodestraat stijgen twee dames in, moeder en dochter, behoorend tot een aanzienlijke familie. Een binnenzittende staat aan de dame zijn plaats af. Het juffertje blijft op het platform staan tusschen soldaten en een grijsharig officier van hoogen rang, kort en breed. Onderweg krijgt het rijtuig bij toeval een grooten schok. Buitenstaanden botsen tegen elkander aan en het jong meisje valt op de borst van den ouden officier. Dat duurt slechts een oogenblik. Iemand stijgt af aan de eerste halte en mevrouw P. wenkt hare dochter naar de vrije plaats.

Alvorens neer te zitten wrijft ze opvallend met de hand haar jasje af, het ingebeeld vuil der aanraking werend. De tram houdt stil aan 't paleis van Justicie, waar op den hoek ‘Duitsche Polizei’ staat.

De officier is generaal von H.:

‘Een gendarm hier!’ beveelt hij, en een dezer groote, zware kerels, in 't groen met de blinkende koperen plaat onder de kin, nadert.

‘Aussteigen!’ gebiedt hij aan het meisje, dat hem heel ontdaan gehoorzaamt. De moeder volgt, de generaal ook. Ze worden in een bureel

[p. 416]

geleid, moeten naam en adres aangeven:

‘Diese Dame hat mich beleidigt,’ zegt de generaal.

‘Mijnheer, ik ben Walin, ik versta geen Duitsch,’ doet de dame hem opmerken.

‘Maak excuus,’ vraagt hij.

‘Neen.’ luidt beider antwoord.

 

In hechtenisnemen van de dochter, veroordeeling in de Strafabteilung tot negen maanden gevang en vervoer daartoe naar Duitschland.

Donderdag 23 maart 16.

Ik krijg een brief te zien van professor Fredericq ingekwartierd te Gütersloh, met potlood geschreven, door den teruggekeerden officier, die hem naar Duitschland bracht, aan zijn broeder ter hand gesteld. Een vroolijk verhaal van de reis, in eerste klas tot aan Keulen, waar hij vernachtte in hotel: ‘Belgischer Hof.’ De, ook meegekomen gendarmbewaker deed hem de eer aan in zijn kamer te slapen. Daarna ging het in tweede klas naar het kamp, waar hij behandeld wordt op den rang van hoogen officier.

 

Een jongen uit de volksklas, zeventien jaar oud, had vergeten zich naar het Meldeamt te begeven op den gestelden dag. Hij ging des anderdaags. Dertig mark boet.

‘Dat bezit ik niet.’

‘Drie dagen gevang.’

Met twee andere datumvergetenen, werd hij in het zoogenaamd dievenkarreke gestopt, heelemaal dicht met ademgaten. Daar in het meer dan half donker zongen ze de Brabançonne en de Marseillaise.

Vrijdag 24 Maart 16.

Schitterende dagklaarte van 's morgens om zes uur.

O sneeuw, sneeuw, als in 't midden van den winter! Langs den tuinkant alles in dons gehuld, ieder twijgje blank omwonden.

Jammer dat zoo iets smelten moet in de eerste zonnestralen. Maar de zon verdwijnt alweder achter de wolken en nieuwe vlokken dwarrelen in speelsche vlucht, wispelturig hoog en zijds dooreen, voordat ze nedertuimelen.

Wat treft het oor?

[p. 417]

In den spioen gaan zien. Waarachtig door den plots opgekomen mist en de sneeuwjacht trekken ze op ginder langs den boulevard in dichte kolommen met grauwe stappenbeweging, alle vormen verduisterd afgestompt. Heldenzang zweeft er over.

Zondag 26 maart '16.

In 't diepste van den nacht hagel, sneeuw, regenbuien, die met geweld tegen de ruiten van mijn slaapkamer - noordkant - aanslaan. Rukwinden, die den weerwijzer boven de vorst krijschend wentelen doen en... in de korte tusschenpoozen van stormverademing - heftig zeekanongebulder: een akelige samenstelling van duisternis en nachtrumoer...

Zondag 26 maart '16+

Prof. Fredericq is geinterneerd te Gütersloh waar ook Maurits Lippens verblijft. In het publiek wordt allerlei verteld van zijn guitigen humor den dag van het vertrek: ‘Heel goed dat ze mij naar D. sturen, zoo zie ik kans wat te vermageren.’

‘Ho hoe lief, nu mag ik reizen op kosten van Duitschland.’

Maandag 27 Maart.

Er zijn soms kleine voorvalletjes, die ge geneigd zoudt zijn miniatuuroorlogsprentjes te noemen: Het is omstreeks middaguur. In de Kortrijksche straat. Een jonge vrouw komt voorbij met een kind op den arm, dat hoogstens iets meer dan een jaar oud kan wezen; met de andere hand door het hengsel van een ledige, beschadigde lampetkan gestoken, steunt ze het wichtje onder 't okseltje.

Ze gaat om soep naar het uitdeelingslokaal van 't Schreiboomklooster. En ze vraagt opgewekt aan het kind: ‘En waar zitten de vliegers?’

Het kijkt naar omhoog, steekt zijn armpje op en zegt: ‘Oe, oe!’

‘En wat doen de vliegers?’

‘Ta ta ta ta ta,’ tracht de kleine het geklepper na te doen.

‘En wat smijten de vliegers?’

‘Boem,’ zegt hij met kracht: ‘Boem, boem!’ en zij lachend toe.

[p. 418]

Maart 28 dinsdag 16.

De hoenders hebben een burgerlijken stand. Ieder individu - aangezien ze als personen behandeld zijn mag ik ze noemen aldus - moet aangegeven worden in elk politiebureel, ook het overlijden van elk aangeduid. Het getal af te leveren eieren is voor iedere kip vastgesteld op al de maanden van het leg-tijdstip. Heimelijk worden er vele afgeleverd tegen hoogen prijs. In een gemeente van 't omliggende werd smokkel gedreven op de volgende manier: in een vervoertuig bestond een dubbele bodem. Boter kwam aldus te harer bestemming. De valschheid werd ontdekt en nu mag geen enkel rijtuig, van de weinigen, die nog rijden, meer voorbij een wachtpost, zonder dat de inzittenden afstijgen moeten en alles doorzocht wordt. Een dame van mijn kennis krijgt wekelijks haar voorraad eieren in een steenen kruik vol bier. Elders wordt in een beerkuip boter vervoerd, in gesouderde+ blikjes, zwalpend midden in dien vuilriekenden landmest. Dat de vijand te kieskeurig is om daarin te gaan zoeken, begrijpt men licht. In hun bekende en bevriende winkels betalen de soldaten zelven woekerprijzen. Een kleine winkelierster in mijn wijk levert aldus alle weken meer dan honderd kilog. boter aan hen.

‘Toekomende week zal er volstrekt geen boter meer te krijgen zijn,’ aldus luidt het bericht van den brenger over den voorraad, dien ik, wekelijks ook gesmokkeld krijg.

Het is comiek om 't antwoord te hooren, indien ge op een zondag of maandag aan iemand vraagt: ‘Wat hebt ge gegeten?’

‘Een konijn.’

Hier is het ook zoo. Vele menschen hebben bepaald een hekel+ aan konijnevleesch. In alle winkels hangen konijnen te koop: 8, 15, 20 tot 25 frank voor éen.

Gisteren kreeg ik van een vriendin een varkenscôtelet. Dat is een groot geschenk in dezen tijd van armoe, dat dankbaarheid verdient.

‘Dat is allemaal 't spreken niet waard,’ zei mij een hoogleeraar in beschikbaarheid, vader van een talrijk huisgezin, alles zeer optimistisch aanschouwend, ‘er is nog conservevleesch in doozen te krijgen, hoewel heel duur. Wat ons betreft, wij dineeren met chocolade en mosselen. De kinderen vinden 't uitstekend. Klaag toch niet, terwijl onze landgenooten aan den IJser, in vorst of modder, misschien het noodige ontberen.’

En heel beschaamd zweeg ik stille.

‘Alzoo gestroopt worden, overal, in alles wat ge koopt,’ jammerde een kleine rentenierster.

[p. 419]

‘Ge moet u kunnen laten stroopen,’ berispte haar met strenge deftigheid de burgemeester eener groote stad, die een heel hooge jaarwedde trekt.

Zaterdag 1 april '16.

In de spijkerfabriek van Gentbrugge, door de Duitschers in beslag genomen, zijn sedert eenigen tijd italiaansche krijgsgevangenen werkzaam. Hun voorkomen was zoo miserabel, dat de voormalige bestuurder oorlof heeft gevraagd aan de oppermacht om ze te mogen van eten voorzien.

Donderdagavond twintig minuten na negen ontstond het eigenaardig, klepperend geluid van een zeppelin boven de stad, niet ongelijk aan het ratelen van een wanmolen.

's Morgens keerde hij terug van zijn vernielingsuitstap. Gisteren+ avond vertrok er een tweede. Zijn weerkomst werd niet waar genomen.

Dezen morgen omstreeks elf uur nieuwe opmarsch van tallooze soldaten in blijden, hellen lentezonneschijn.

Het is merkwaardig om die gelijk-aschgrauwe, dichtaangesloten scharen gade te slaan, vier op een lijn, al de gestalten even recht, al de geweren met de bajonnetten regelmatig schuingehouden, al de grauwe knieën gelijktijdig even krookend, al die zwarte voeten in gelijkmatige kadans voortschrijdend juist tot op denzelfden afstand, geen deel van een centimeter misschien geen millimeter verder of nader den grond rakend...

 

Cardinaal Mercier, aartsbisschop van België, die met een vrijgeleide naar Rome vertrokken was, deed bij zijn terugkomst voor alle kerken van het land bestemd, te Mechelen een vastenbulle aflezen met beschouwingen over den oorlog, die aan de duitsche oppermacht niet bevielen. In een open brief aan hem van Freiherr von Bissing wordt hij erg op de duimen geklopt met bedreiging zonder genade gestraft te worden, indien hij dat omschrijven verder verspreidt. Die bulle was niet aan de censuur onderworpen geweest. De verantwoordelijke uitgever ondergaat een vonnis, waarbij hij een jaar gevang oploopt.

En het volk verklaart het feit volgenderwijze: deze is de zondebok, omdat de vijand op den primaat van België de hand niet leggen durft uit ontzag voor de katholieke wereld van Beieren en de Rijnprovincies.

Zondag 2 april 1916.

In Eecloo leeren de jonge meisjes der burgerij Engelsch, bij middel van bijzondere lessen; wie niet zou mededoen, liep gevaar blijken te

[p. 420]

geven van gebrek aan vaderlandsliefde.

't Mooiste weder van de wereld. Heel de bevolking schijnt op wandel te zijn. Alles is zoo rustig, zoo vreedzaam. Geen mensch, die 't niet beter wist, zou ooit kunnen wanen, dat wij in 't Etappengebied en op voet van oorlog, dat wij allen in onze stad krijgsgevangenen zijn...

Woensdag 5 april 16.

Groote opschudding heeft hier geheerscht over een gerucht als zou Holland medegesleept worden in den krijg. ‘Blokkade; niets meer te krijgen als voeding voor België,’ zegt iedereen.

Donderdag 6 april.

De beangstigende berichten waren aprilvisschen: Ontmoeting van een dame, die mij vertelt, dat hare drie villas te Duinbergen geplunderd en verwoest zijn. De muren staan nog recht.

En het treft mij weder hoe moedig de menschen hier zijn tegenover elke ramp: ‘Bah!’ zegt ze, ‘stoffelijke schade wat is dat! Zoolang we 't leven behouden, mogen we niet klagen; wij hebben geen kinderen; als we geldelijk niet meer voort kunnen, zullen we 't overschot op lijfrent geven.’

Hercuul kwam af, uitgehongerd. Haar jongen van zestien jaar krijgt geen onderstand. Ze heeft van de stad wekelijks twee brooden een halven kilog. aardappelen en een frank van 't zoogenaamd ‘Halfkluitjeswerk’.

Helaas! Hercuul heeft twist gehad met medehelpsters. In een vlaag van ongeduld heeft hij zijn dagtaak laten staan. De huishoudkundige bestuurster van 't Groen Kruis is onverbiddelijk en wil hem niet terug in dienst nemen. Hercuul wordt beschuldigd, dat hij gevloekt heeft. Hij loochent het.

De meid geeft haar twee boterhammen, die ze zelve juist eten wou en nu ontberen moet. Gisteren ging Marie, in drie winkels om een wit brood. Nergens een te krijgen. De geiten worden opgeëischt in sommige dorpen tegen 70 frank. Maar de arme lui klagen bitter over het verlies van melkdieren, onontbeerlijk voor hen in den nood.

Sinds een achttal dagen houdt de Vlaamsche Post, - een ultra-activistisch blad - op te verschijnen.

Van Prof. Fredericq geen nieuws.

Vrijdag 7 april '16.

Nu een kaart van hem, dat hij het goed stelt. Hij verblijft te Gütersloh in Westphalen.

[p. 421]

Gisteren avond zou mijn meid om acht uur naar den vischwinkel gaan in de buurt. Ze kwam onmiddellijk weder: ‘Alles is reeds gesloten, nergens brandt licht, ik zal morgen gaan,’ berichtte ze. En dat deed ze. De winkelier en zijn vrouw waren in den vooravond aangehouden. De bij hen wonende verwante had tot laat in den nacht opgezeten met den twaalfjarigen zoon. Wachtensmoede waren ze eindelijk naar bed gegaan. Nu was nog geen van beiden weergekeerd. Oorzaak der aanhouding? Onbekend.

Zondag 9 april.

Gisteren morgen op klokslag 5 scheurde een hevige losbranding de lucht en nu wordt het nieuws gefluisterd, dat op dat oogenblik vier menschen in de Schijfschieting gefusilieerd zijn, waaronder een Eecloonaar.

Dinsdag 11+ april '16.+

Die terechtstellingen doen mij denken aan een gesprek na de strafvermindering in levenslangen dwangarbeid van graaf de Hemptinne, welke ter dood veroordeeld was. ‘Ik kan niet verdragen,’ zei een dame beslist, ‘dat er verschil gemaakt wordt tusschen tot den kogel veroordeelden. Moet de Hemptinne gespaard blijven, omdat hij de voorspraak van den Paus heeft gehad? Het moest voor allen gelijk bij 't gerecht wezen arm of rijk.’ Het is niet alleen onbeleefd maar tevens aanmatigend iemand tegen te spreken om hem zijn gebrek aan gevoel te verwijten. Maar het bloed steeg mij naar 't hoofd bij 't aanhooren van dien gruwzamen eisch:

‘Benij toch niemand zijn genade en zijn leven.’ Kon ik niet nalaten te zeggen.

Een andere aanwezige vond een scherper antwoord: ‘In plaats van te klagen, dat er een Paus is, die een veroordeelde door voor redt,+ is er te betreuren, dat er voor elken veroordeelde geen Paus kan bestaan, die beschermend tusschenkomt.’

De strenge, zich rechtvaardig wanende zegster zweeg, misnoegd gebukt onder het vernederend stilzwijgen van gansch het gezelschap.

[p. 422]

Men verzekert, dat al de bloemkweekers van 't omliggende bericht hebben gekregen zich van hun koopwaren te ontmaken, omdat er over veertien dagen niets meer zal kunnen verzonden worden. Ik vraag mij af, of wij nog een helder begrip hebben van goed of kwaad: bedrog ten allen kant, vervalsching van levensmiddelen, oorlogswinst op groote schaal; stadsgenooten, die elkaar aanklagen bij den vijand. Wie kan nog uitmaken, wat er billijkheidshalve gebeuren mag in den handel?

Een kommissaris van politie zei mij: ‘Ik ben in Gent geboren en nu schaam ik mij Gentenaar te zijn, als ik zie, waartoe onze bevolking in staat is.’

Van den eenen kant toewijding, heldenmoed van geduld; armoede nauw verwant aan hongersnood; van den anderen kant: behoeftigen, die met de kaarten van den openbaren onderstand konijnen, taarten en allerlei lekkernijen koopen. Er was éene die in een winkel - peperduur - fijn breikatoen haalde voor het haken van een sprei. Huwelijksaankondigen in massa van werkeloozen uit ieder vak, veel van fabriekwerkers, nu dat de fabrieken stil liggen.

Zoo vertelt men, waarom meiden zonder dienst geen onderstand krijgen van de stad. Moesten ze gesteund worden, menige zouden de luiheid verkiezen, indien ze voedsel kregen zonder werkzame inspanning.

Woensdag 12 april '16.

Wat zal ik met mijn kippen doen? Er is geen graan meer en nu beginnen ze te leggen. De meid verklaart, dat ze er niet van eten zal, indien ze gedood worden, omdat ze die zelve gekweekt heeft, welks kiesheidsgevoel eerbied verdient.

Verkoopen? Bedrogen worden voor meer dan halven prijs! Neen, dan nog liever weggeven, zooals met drie oude geschiedde, voordat het winter werd.

Regen, stormwind en, helaas! boomgaardbloei, alle kruinen als besneeuwd. De meezen zijn nog naar hun bosschen niet verhuisd.

Zaterdag 15 april '16.

De Duitschers mogen in geen herbergen of koffiehuizen meer gaan: op de vensters staat aangeduid: ‘Für Heeresangehörige verboten,’ of ‘Nur für Heeresangehörige,’ waar het hun nog is vergund en dan bij uitsluiting der stadbewoners.

Op de hoeken der straten komen de namen voor van de terechtgestelden op 7 april ll.: drie van Thielt, een van Eecloo.

[p. 423]

Oorlogsprentje.TITEL?

Het is avond, de vrouw van een afwezigen politieagent zit alleen. Haar kleine jongen, haar eenige, doet zijn schoolschrijfwerk in een buurhuis, want zuinigheidshalve ontsteekt de moeder geen licht. Het is dus zeer donker in haar huisje. Er wordt geklopt. Ze doet open. In den schijn der straatlantaarn ziet ze twee soldaten:

‘Waar is uw man?’

‘Onder dienst.’

‘Hij moet mede naar de Kommandantur.’

Ze verschrikt geweldig: ‘Wat heeft hij misdaan?’

Voor alle antwoord: ‘Waarom zit ge zonder licht?’

‘Uit spaarzaamheid.’

‘We kunnen dus geen huiszoeking doen. Kom mede.’

‘En mijn kind, dat hiernaast zit.’

‘Dat gaat ons niet aan.’

‘Mag ik hem waarschuwen, mijn kleine?’

‘Neen,’ en mede moet ze.

De agent is intusschen ook in hechtenis genomen. Na drie dagen zijn ze losgelaten en niet ingelicht over de oorzaak van 't gebeurde.

Een heer zei: ‘Wonderbare wereld de mensch bezit het vernuft en de macht. Het ware hem gegeven van de aarde een paradijs te maken. En wat doet hij? Alle uitvindingen dienen tot verwoesting. Alle ontdekkingen tot menschenslachterij. Wie kan er nog hopen op vooruitgang en beschavingszucht?’

Het is wel zoo, maar de natuur zelve geeft aan den mensch het voorbeeld. Zij vernietigt haar eigen werk. In het begin der week stonden de fruitboomen wit besneeuwd van bloei. Wat heeft het tijd gekost, wat gunstige omgeving, wat milde lucht en warme zonne om dat te verkrijgen. En het resultaat?

Drie dagen storm, regenvlagen, kille temperatuur en al de kruinen wuiven geplukt, met het overblijvend bloeisel voor rijpheid verbeurd, geelachtig tusschen het jonge groen, en de afgeslagen witte bladerkens in de plassen van den grond meedoogenloos vastgeplakt.

Arme menscheid!

Arme natuur!

Zondag 16 april '16.

Het is mooi om langs den tuinkant de luchtvliegers te zien in hun sierlijke zwenkingen en cirkelvormige vlucht; de eenen boven en onder de anderen zwevend als in vlinderspel.

[p. 424]

Donderdag 20 april '16.

Stortregen, stormwind, die deuren en luiken schudt, rondom de daken giert en pannen afslaat met woest geweld.

Zanggalmen langs de straat, luid door de elementen aangebracht, begeleid door fanfaren en gesteund of bij afwisseling onhoorbaar in de wijdte weggewaaid.

Soldaten vroeg op gang. Nauwelijks breekt de schemering aan. Juichtonen van jonge kracht en levenslust. Ze trekken naar de slachterij. Het lijkt veelmeer op hulpgeroep en noodgekerm in de algemeene uiting van natuur-ontreddering en menschenwee!... ‘Morgenrot! Leuchtest nür zum frühen Tod!’

Het brood is ongenietbaar: bruin, nattig, een mengsel - zegt men - van aardappelschillen, aardappelbloem, boonenmeel en - dit laatste voeg ik er moedwillig bij - van pleister en een beetje zand, ten behoeve van 't gewicht.

Vrijdag 21 april 16.

Uitgeplakt staat:

Aan alle eigenaren van herbergen, koffiehuizen en drankinrichtingen is verboden door de Etappen-Kommandantur aan duitsche militairen spijzen of dranken te verstrekken. Het verbod moet door een opschrift: ‘Für deutsche Heeresangehörige verboten’ op alle huizen van dien aard voorkomen op straffe van 1.000 mark boet of 3 maanden gevang.

den 12 april '16.

Der Etappen-Inspecteur von Unger, General der Kavallerie+

Wie boter, vleesch of eieren wil hebben, moet dat alles naar buiten gaan halen te voet, of doen brengen op gevaar van groote straf in geval van ontdekking. Van hooger hand is bevel gekomen, dat voortaan op hotels en koffiehuizen geen andere dan vlaamsche uithangborden en opschriften zullen geduld worden. Nog een steen, die de vlaamsche beweging treffen zal door verbitterde terugwerking op taalgebied.

Zaterdag 22 april.

Nog altijd regen. Geen mogelijkheid om een bloemstruik te planten, begoniaknollen in den grond te steken of zaad te zaaien. Wat er reeds van in de aarde ligt is aan noodlottige ontbinding prijsgegeven.

Gisteren groot kanongedonder... Kalme nacht, maneschijn.

[p. 425]

Paschen 23 april.

Op de Botermarkt werd vrijdag een man door twee heeren in het Vlaamsch aangesproken. Het gesprek begon over den oorlog. De man niet op zijn hoede vertelde, dat hij een broeder in 't leger had. ‘Wij ook hebben verwanten aan 't front,’ zeiden ze, ‘maar krijgen geen nieuws van hen.’ Toen fluisterde de onvoorzichtige: ‘Ik wel, vandaag heb ik nog een brief van hem gehad.’

‘Kom eens mede, hier in 't café,’ zeiden ze ‘en vertel ons, hoe dat toegaat.’

Ze tracteerden mild.

Hij duidde het nummer aan van een huis op den Zandberg, waar de brieven toekwamen.

Ze haalden hun koperplaten uit van geheime politieagenten en leidden hem in 't gevang. Daarop begaven ze zich naar den Zandberg, de huisbaas - men zegt een schoenmaker - deed open.

Oogenblikkelijk rook hij lont.

Hij hield zich goed, leidde de heeren minzaam binnen en draaide het slot der kamerdeur toe.

Hij vluchtte als een haas en loopt nog.

Maandag 24 april.

Tweeden Paschdag. Groot avondfeest gisteren in een vriendenwoonst. We zijn met vijf en twintig. Eerst kaartspel, schaakspel, enz., daarna diner om zeven uur. Hoe het mogelijk is in dezen tijd zulk een spijskaart saam te stellen is een raadsel. Nooit zoudt ge wanen in oorlogstijd te wezen. Gesloten briefjes worden rondgedeeld op een zilveren schotel. Ze behelzen nummers voor een loterij van paascheieren; uit ieder dezer in fijne chocolade komt een ‘surprise’ te voorschijn: een duiveltje, een danseres, een mooi kindje, een broeiend hennetje en bij het openen van elk ei gaat luid gelach en gejuich op.

Och, de menschen moeten vergeten - ten minste tijdelijk - wat hen zoo zwaar terneder drukt. Hun vreugd is een springveer, die opschiet uit de smart.

Op de lange tafel staan drie bloemenkorven met hooge boogvormigstaande kransen. In 't midden hangt een groote bel ook in chocolade. Het is de klok die - volgens de traditie - ieder jaar te Paschen naar Rome reist en er nu van terugkwam. Ze draagt het cijfer 13. Deze moet ook verloot+ worden en opnieuw gaat het bord met gesloten briefjes rond. Ik ben de eerste om te trekken en zie ik heb nummer 13! Het vroolijk

[p. 426]

samenzijn sluit met zang en muziek, en het is 't geval om met Schiller te zeggen:

 
‘Man teilt jedem eine Gabe;
 
Und jeder ging beschenkt nach Haus.’

Om éen uur in 't rijtuig.

O hoe zonderling indrukwekkend is het toch in onze feestelijke stemming: alle huizen gesloten, alle straten en pleinen leeg, hel verlicht, spookachtig wit het plaveisel net als scheen er overal maneschijn, waarvan de glans door donkere hoeken en gevelschaduwen nog sterker uitkomt. En op heel dien langen weg geen levend wezen, geen levensgerucht, zelfs geen waker te zien; luisterende en als uitgestorven verlatenheid.

Dinsdagmorgen 25 april '16.

Gisteravond om 7 ½ uur vlogen twee achtereenvolgende Zeppelins over de stad in de richting van het noordwest: langwerpig rond met verscherpte uiteinden gelijk aan de pophulsels van sommige vlindersoorten, dood en verwoesting bergend onder hun onschuldig schijnend, vlekkeloos blinkend wit. In het onmetelijk uitspansel scheen hun vlucht heel traag. Om half éen klepperde er een terug van zijn taak.

Het stadsbestuur wordt belast met den verkoop van suiker. Tienduizend mark boet en een jaar gevang voor wie er meer bezit dan de geoorloofde hoeveelheid. Honderden menschen moeten uren en uren staan aan de door de Stad geopende kruidenierswinkels, voordat ze bediend kunnen worden, soms is er voor de laatsten niets meer over.

De Vereenigde Staten hebben een ultimatum gericht aan Duitschland, aangaande de schrikkelijkheden van de duikbootoorlog.

Te Sottegem, waar de onlangs doodgeschoten notaris Roels zetelde en zeer bemind was, moest er een plechtige lijkdienst plaats hebben met uitdeeling aan de offerande van het gebruikelijk herinneringssantje,+ waarop het portret van den overledene voorkwam. Verbod van alles door de overheid.