terug  begin  verderprepost
[p. 551]

1917

[p. 553]

Bekendmaking:+

Het verlies van een eenzelvigheidskaart of de wederrechterlijke benuttiging er van wordt gestraft met een boete van 1.000 mark of zes weken gevang. Er kan ook geldboete en gevangenis gelijktijdig worden uitgesproken.

De Etappen-Inspector

Zaterdag 3 februari '17.

‘Hebt ge die bommen hooren vallen vannacht?’ vraagt men mij.

Ja ik heb die bommen hooren vallen; iedereen heeft ze gehoord. Ik heb gemeend, dat ze boven mijn huis ontploften; al degenen met wie ik sprak, hebben gemeend, dat het het boven hun huis was.

Hoe gebeurt zoo iets. Wat zijn de indrukken van hen, die het beleven? Ik tracht ze te rangschikken: ge gaat slapen om tien uur. Sedert negen uur zit ge bij een heete kachel - indien ge gelukkig eens goede kolen bezit of met heel veel hout hebt gestookt. Ge zit bij een soort van nachtlichtje: varkensvet in een klein glas met het pitje van een eindje driedubbelgevlochten breikatoen, want wieken zijn er niet meer, door een gaatje in den scheel van een blikken doosje vastgehouden. Wat heeft het moeite gekost om het te doen branden! Het wilde of kon eerst niet, het geleek op een glimwormpje.

Ge moest in 't duister tasten naar uw stoel.

Het is allen op het hart gedrukt zooveel mogelijk gas te sparen. De voorraad kolen in het gasgesticht is schier uitgeput. En daar heel alleen, bij aankomenden nacht, bij eindelijk doorbrekend schemerlicht van 't pitje, krijgt ge bezoek, veel bezoek, maar ongewenscht bezoek, dàt van droeve gedachten, herinneringen aan alles wat er in 't verleden griefde, gij die steeds met zooveel weemoedig genot herleefdet daarin! Gedachten van tegenwoordig weereldwee en toekomstdreigementen...

Aldus gaat ge te bed. Het staat nu hier in de suitekamer. Buiten is de kou zoo hevig, dat ondanks het vele vuur zich hier en daar reeds bevrozen palmenblad op de ruiten begint af te teekenen.

[p. 554]

Het is nog niet volle maan; maar bijzonder klaar. Wie kan het nalaten eens naar buiten kijken? Alles zoo roerloos stil in blanke winterrust; sneeuw op de daken, op de platformen, op de scheidsmuurkens van de hovingen, op den grond. vermoeid, ziek nog en moedeloos slaapt ge al spoedig in onder den invloed van een zenuwbedarende artsenij.

In eens schiet ge wakker. Het is, alsof twee ijzeren ballonnen in het zwerk tegen elkander aanbotsten en nederstorten. Ontzaglijke losbarstingen volgen, de een in de ander doordreundend. Uw huis siddert op zijn grondvesten en... in een ruitenrinkeling sterven de geruchten weg.

‘Bommen!’ zegt ge en richt het hoofd op om in de hemelkoepel te kijken. Ze is zoo blank, zoo klaar als ware ze van doorzichtig zilverrag, veel te klaar om er een starrenstipje in te kunnen ontdekken.

Ellenden zonder eind, wie weet hoevelen er getroffen zijn!...

Ge slaapt niet meer; nu hoort ge mitrailleuzen, doch enkel in de verte nog als de laatste dommelingen van een voorbijgetrokken onweer... Des morgens komt de dokter. ‘Bommen,’ zegt ook hij, ‘er zijn vannacht twee dooden en een gekwetste in het hospitaal aangebracht, ik kom direct er vandaan.’ Hij heeft er een kliniek.

‘Ha, zoo!’

‘De aanslag geschiedde juist voor éen uur, ik heb op mijn horloge gekeken - een meisje en haar broeder, dood; de andere zuster had het rechter been vermorzeld. Het is reeds boven de knie afgezet.’ En hij vertelt verder: ‘de beide meisjes sliepen in éen bed. De broeder in een andere kamer. Heel het dak werd ingeslagen. Het nog levend slachtoffer is versuft, ze schijnt geen begrip te hebben van het gebeurde: “Sylvie is dood,” zegt ze, als ware 't iets heel onverschilligs en dan: “mijn been doet zeer.”’

‘Wat is het eigenlijk geweest?’ vraag ik. ‘Het wordt verschillend uitgelegd: de eenen beweren, dat een zeppelin door vliegers werd achtervolgd en hij, om hooger op te kunnen ontsnappen, bommen als ballast uitwierp; anderen verzekeren, dat de gealliëerden er belang bij hebben+ om een sluis der Terneusche vaart te vernielen, wat de onderzeeërs in hun uitvaren hinderen zou.’

Een weinig later in den morgen komen vrienden en bekenden aan:

‘O wat ben ik geschrokken,’ zegt de in rouw volhardende Juffrouw uit het Klein Begijnhof, ‘ik meende, dat mijn laatste uur geslagen was. Ik

[p. 555]

trok mijn peluw boven mijn hoofd. Het schijnt, dat het een doelmatig middel tot zelfbehoud uitmaakt.’

‘Onnoozele meid, denkt ge dat bommen, die torens stuk slaan, zich zouden laten stuiten door een vederen peluw?’

Dat had ik al weer niet moeten zeggen. Waarom iemand zijn vertrouwende begoocheling ontnemen?

Als uit de lucht gevallen ziet ze mij angstig aan.

‘Ge zijt zeker ook kalm in uw bed gebleven?’ vraag ik aan een andere dame.

‘In mijn bed!’ herhaalt ze verontwaardigd, ‘in mijn bed! Wel neen, ik ben opgesprongen; ik en al de kinders liepen rondom het huis.’

Velen hebben het gedaan. Naar ik verneem, moet er schier overal ontreddering ontstaan zijn, iets als de opschudding in een mierennest, wanneer de achtelooze spade van den tuinman het omgespit heeft.

Maandag 5 Februari 17.

Heden geven de dagbladen de namen aan der slachtoffers van den laatsten bomaanslag die plaats had in den nacht tusschen vrijdag zaterdag van verleden week:

Karel Lippens, Plaisante Vest 173+, 20 j.

Sylvie Lippens, Plaisante Vest 31 j,

gedood, benevens een viertal gekwetsten, waaronder Germaine Lippens, zuster der twee dooden. Volgens het bericht, dat in de stad is aangeplakt, werden een tiental huizen erg beschadigd. Militaire schade is er niet. De schuld er in wordt tevens geweten aan de gealliëerden.

Woensdag 7 Feb. '17.

Klein Beeldeken in Pennetrek.

 

Een werkvrouw van N.+ (dorp op drie uren gaans van Gent) wenscht een kind uit het vondelingshuis op te kweeken mits betaling van 0.50 centimen daags.

Door de plaatselijke overheden zijn stappen daartoe gedaan, getuigschriften van goed gedrag en eerlijkheid ingediend.

Met het bestuur van de Hospiciën is de overeenkomst gesloten. Maar... de oorlog belemmert elk verkeer: de arme kan geen pasport krijgen om

[p. 556]

het kind te halen. Geen achternageloop, geen bescherming helpt bij de Duitsche overheid: het bewust dorp ligt buiten het Etappen-Gebied van Gent.

Dan ontfermt zich een jonge, weldadige dame over het geval. Zij maakt deel uit van de bevoorradingscommissie voor de gemeenten van het canton N., ik geloof, dat ze er zelfs presidente van is.

En wat aan de belanghebbenden niet gelukte, gelukt haar: zij krijgt oorlof om het kind in haar rijtuig mede te nemen.

Op een vroegen morgen - enkele dagen geleden - wordt het haar aangebracht en overgeleverd. Het is een mooi, gezond meisje van een jaar oud.

Het is bijtend koud. Het heeft wel warme kleederen aan, maar ze doet nog een extra grooten sjaal brengen en, aldus zorgvuldig omwikkeld, wordt het door de kamenier op haren schoot in de coupé gezet.

Het kind is niet wat men ‘vreemd’ dat beduidt ‘schuw’ noemt. Gevoelt het schepseltje, dat liefde hem omringt.

Het ongeduldig, levenslustig paard rent weg als een schicht, de met rubber omslagen wielenrollen zonder gerucht over het plaveisel; de bellekens aan het gareel rinkelen in vroolijkheid.

Het meerendeel der vensterluiken zijn nog gesloten; wagengerij is er schier niet; melkboeren hebben geen toegang meer tot de stad. De jonge dame houdt het kindje tegen haar astrakanjas dicht aan, en drukt zijn hoofdje neer. Misschien zal ze wat willen slapen de kleine. Doch... neen, neen, ze heft+ het beslist op en kijkt door het spiegelraam. Het is haar eerste reisje in het leven; genieten moet ze er van.

Het rijtuig volgt weldra buiten de huizenrijen den ‘Nieuwen Weg’ een dijk tusschen uitgestrekte, overstroomde weiden, die thans met een grijze ijskorst bedekt zijn zoover de blik kan dragen.

Bij dag zijn ze zwart van menschen, het wemelt er alles dooreen van schaatsenrijders. Nu slidderen er enkel een paar scholieren, juist beneden+ den berm, vroeg opgestane, hartstochtelijken van den wintersport; met de lederen tasch onder een arm, den anderen opgeheven voor 't behoud van 't evenwicht, glijden ze zwenkend elkander na.

En de kleine meid slaat het spel gade. Ze kijkt ook als verbijsterd naar de zwarte boomenstammen langs den weg, die voortdurend de een na den anderen achteruit schijnen te vluchten.

Wat gaat er om in zulk een klein breintje?

Geen wijsgeer die het weet.

Eeuwig raadsel der ontwikkeling van een menschelijk vernuft!

[p. 557]

De morgenzon, die reeds begon door te breken, is in een nevel gehuld, alzoo in eens aan de brug van Drongen die over de Leie ligt, en ook de lage gronden en het eilandeken daar beneden zijn nauw nog te onderscheiden in den grauwen smoor.

Daar moet het rijtuig stilhouden. Een soldaat-schildwacht, nog grauwer dan het hem omgevend nevelgrauw, nadert; hij steekt de hand uit; het pasport moet te voorschijn komen. De dame ontplooit het groot blad met den Kommandantur stempel er op en wil 't hem reiken. Hij neemt het nog niet aan.

‘Een kind,’ zegt hij aan het geopend portier, vorschend de dame aankijkend, ‘wat voor een kind?’

‘Een verlaten kind, dat bij een vrouw te N. wordt besteed.’

Hij werpt een blik er naar toe en schijnt vervolgens het stuk te lezen; maar traan na traan botst er op neder en met uiteengeloopen inktvlekken geeft hij het haar terug.

‘Gij hebt verdriet, man?,’ kan de goedhartige niet nalaten te zeggen.’

‘Ja,’ antwoordt hij en het vondelingje aanwijzend, ‘ik heb er alzoo zes van die verlaten kinderen van alle grootte in Duitschland, zes,’ herhaalt hij nog eens gewichtig, ‘en mijn vrouw is kort geleden gestorven.’

‘Waar zijn die kinderen?’ luidt de medelijdende vraag.

‘Ik weet er niets van, hier en daar bij verwanten zeker,’ stottert hij.

Zij steekt hem het pasport toe van den koetsier. Hij wijst het sprakeloos af met de hand en doet een bevelende beweging, dat het rijtuig zonder meer voort mag gaan.

Het paard, dat stond te trippelen schiet weder als een pijl het dorp binnen en er door en de wielen rollen lustig over de bestrating heen.

Het gespan heeft nog een langen weg af te leggen, voordat het oord der bestemming wordt bereikt; de kleine zal nog heel wat kunnen waarnemen langs de witbesneeuwde, zonnige landouwen, terwijl zij haar nieuw leventje in een donker werkmanshuisje te gemoet gaat.

Donderdag 8 febr. '17. III.

‘Hoe stellen Genoveva en haar man het nog?’ vraag ik aan de naaister, die voor mij een boodschap was gaan doen, op een omliggend dorp bij twee oude echtelieden, die er een liefdadigheidshofje bewonen.

‘Ach, zoo slecht,’ geeft ze bescheid. Ze hadden een spaarpotje uit hun vroegeren tijd - hij was immers zwingelaar.+ - Alles is opgeleefd. Bedenk hoe welkom ik was! Ze zaten alle bei bij hun kacheltje, elk aan een kant,

[p. 558]

een koud kacheltje, waarin een paar natte stokjes alleen sissend beproefden te branden, ziek, hij, in een sarge gewikkeld, met hondevellen wanten aan; zij met een wollen doek om haar hoofd... kolen zijn er niet meer te krijgen ginder. De armen kappen al de boomen en het slaghout af. De burgemeester+ van 't dorp zelf zegt hun: ‘Kapt maar, menschen. overal, waar ge er kans toe ziet, van 't mijne zoowel als van eens anders voor uw gebruik,’ en ze doen het; op vele kleine hovekens staan er nu houtmijten; maar dat hout is niet droog er kan geen vlam uitkomen, het sist... 't is ongelooflijk, hoe groot de ellende ten plattelande is, ondanks al de hulp...’

En dan voegt ze er aan toe: ... Peins ne keer, dat er reeds zijn, mannen, die misbruik maken van die burgemeesters goedheid, die maar altijd kappen en afzagen en met geheele karren hout gaan venten naar de stad, ten hunnen profijte; de akkers staan heelemaal vlak, er zijn schier geen boomen noch elskanten meer te zien!’

 

Het was een dag van veel bezoek.

Zoodra ik weder alleen ben, wordt er nog een dame aangemeld. Zij is nog betrekkelijk jong, met een man getrouwd, bejaard genoeg om haar vader te zijn. Ietwat schuchter, in bedwang gehouden. Dien indruk maakt ze mij immer.

En ook zij vertelt mij een klein wedervaren.

‘Ik heb,’ zegt ze, ‘vandaag het bezoek, van een Duitschman gehad. De meid was om onafgeroomde melk voor mijn man, die in den leeftijd is om er een liter daags te krijgen voor 0,35 centimen. Ze was al meer dan een uur en half weg; ze moet altijd zoo lang reeks houden, voordat de beurt aan haar komt om bediend te worden - en 't is zoo koud!’

‘Ik moest dus zelve de deur openen, en ik deed het na een bescheiden belklank. Daar stond een jong officier - o zoo jong - misschien niet meer dan twintig jaar oud, hoogopgeschoten als een bloem, die op een langen stengel in de schaduw staat: zoo fijn van gelaat, zoo zacht, voornaam, blijkbaar van goeden huize. Hij sloeg aan, hij richtte het woord tot mij in 't Fransch:’

‘“Madame,” vroeg hij, “ik ben zoo vrij te komen zien, of ik hier logeeren kan?”’

‘Ik voelde mij onweerstaanbaar tot hem aangetrokken. Maar... “Och,

[p. 559]

mijnheer,” zei ik, “ons huis is klein, wij hebben geen logeerkamer... ik kan u niet herbergen.”’

‘Ik zei 't met bloedend hart, bedenk wat het voor een moeder moet zijn, alzoo een tengeren jongen naar den vreemde naar den dood te zien trekken!’

‘Indien ik alleen was geweest! Maar mijn man; hij is zoo anti-duitsch, zoo overdreven in zijn menschelijk haatgevoel, dat hij geen medelij beseft met al wat vijand heet. “Ik zou tot den laatste kunnen zien radbraken,” zegt hij. De jonge man sloeg nog eens aan: “Pardon, u gestoord te hebben, ik zal elders zoeken,” sprak hij heengaande.’

‘“Ik keek hem achterna: hoog en smal, navorschend naar de gevels opkijkend.”’ Ze zweeg in eens.

Wat hing er in de lucht, die ons omgaf, wat lag er toch in die alledaagsche mededeeling van logies weigeren, dat mij als iets diep tragisch ontroerde?

Welke telepathie van haar gevoel werkte op het mijne terug? Hoe wist ik, dat er iets onverwachts ging gebeuren, voordat het kwam?...

Eensklaps verborg de bezoekster haar aangezicht met hare twee handen hevig snikkend.

Ik dorst niet roeren, mij houdend als merkte ik het niet... het was zoo beschamend voor haar, dat ongegrond gebrek aan zelfbeheersching, naar 't mij scheen, bij iemand, die geene vriendin, die zelfs maar oppervlakkig in betrekking met haar was.

Ze moest het ook gevoelen. Ze vermande zich, trok hare handen weg, keek in 't onbepaalde met oogen, die dingen zagen, welke er niet waren, en zei met nog belemmerde stemme: ‘Och, let er niet op, het is de oorlog, die 't mij op de zenuwen geeft... maar het kwam... het is omdat hij zoo geleek op...’

‘Op wien?’ had ik niet mogen vragen, wat ik onwillekeurig deed.

Met de kin in de hand, den ellebogen op de knie steunend, bleef ze voor zich uitstaren: ‘Iemand met wien ik in mijn eerste jeugd ver... - zij aarzelde, het echte woord wilde haar niet over de lippen - kennis ben geweest.’

Ze sprak voort al stiller en stiller, niet meer als in antwoord, luid denkend, in vergeetelheid van mijn bijzijn. Het kwam mij voor dat ik het woord ‘onderluitenant’ en ‘bruidschat hoorde murmelen...

9 Februari.

Voortdurend erge vorst- en lazuurblauwe lucht. In de zon is het warm 10 graad, dus een verschil van 20 graad bij dag en 's nachts volle maan.

In den avond zijn gansche straten thans niet meer verlicht.

[p. 560]

Maandag 12 februari '17.

Het dooit na vreeselijke koude, na drie weken liggende sneeuw en vorst. Brandstof ontbreekt overal. Nochtans rijden hier dagelijks vele wagens kolen voorbij - niet in zakken - en zoo hoog mogelijk geladen. Het is voor de Duitschers in 't Feestpaleis en de kazernen. De stadsscholen zijn gesloten tot op onbepaalden tijd. De leerboeken zijn mede naar de respectieve huizen genomen. Het gerucht loopt, dat de lokalen zullen benuttigd worden voor soldatenlogementen in overgroot getal, dat - door overdrijving gewis - op hondduizenden wordt geschat.

Mannen - werklieden die - men zegt niet voor welke reden - zich in Holland willen vestigen voor een lang verblijf, Hollanders en vrouwen van in Holland geïnterneerden, die bij hun man willen gaan, met of zonder hun kinderen, krijgen ze oorlof daartoe. Ze zijn ten getalle van onge-+

 

Heel kleine beeldekens in pennetrek:

Ik zit nog altijd ziek, weet enkel van het straatverkeer en menschenomgang wat ik door anderen hoor.

Een gepensioneerd heer vertelt mij het volgende: ‘Ik stond daar zoo even te wachten naar 't correspondentie rijtuig van den tram op het smal veiligheidsverhoog van de Koornmarkt. De wind floot vinnig door den diksten jas en de warmste sjerp; tien graad onder nul! In eens trekt een lekkere geur mijn aandacht. Ik keer mij om: hij kwam uit een platten blikken schotel, dien een zeer armoedig gekleede vrouw in de hand hield: pekelharingen - vier telde ik er - reuzen van haringen, zooals er kosteloos aan de behoeftigen in de amerikaanse voedingswinkels worden uitgedeeld.

Het water kwam mij in den mond van begeerlijkheid... alzoo een eetlust opwekkende geur, alzoo een prachtige aanblik voor fijnproevers: ‘Indien wij, burgers, dat eens voor geld konden krijgen,’ dacht ik, bijna een dergelijke kans aan de geholpenen misgunnend, wij zijn toch allen immers noodlijdenden thans. En terwijl ik daar naast de draagster wachtte op mijn tram, kwam een andere vrouw aan. Ze bleef staan:

‘Ha! Leenie,’ zei ze, ‘zij-de ook er om geweest?’

‘Ja ik, mijn schaap, om die smeerige haringen,’ was het antwoord, ‘ze

[p. 561]

stinken 'lijk de pest, 'k en weet niet, hoe da ze dat aan ne christene mensch durven geven!’

‘Percies 'lijk dat amerikaansch spek, 't is te slecht voor nen hond. Ik kreeg er een stuk van dezen noen in een huis, waar ik ga wasschen, ik en 't meissen,+ omdat de meesters het zelfde niet en kunnen eten, zeker... maar enfin... 't zal zondag beter zijn in de cinema, nie waar, mee een+ goeje praline in den mond...’ glimlachte de klaagster.

‘En ik,’ zei de bezoeker, ‘die van middag niets anders had dan pannekoeken van water en meel zonder boter noch vet er bij,’ en droef-verontwaardigd, glimlachte ook hij.

Een tweede bezoekster, schatrijke dame, bewoonster van een ruim heerenhuis met koetspoort: een tuin met hoogopgeschoten bamboesriet, dat doet denken aan een exotisch boschelken,+ - en, zulks in 't midden van de stad - een groote hooge, domvormende+ veranda, groen van glimmende palmboomen langs de wanden, vol van sierplanten en - op dit tijdstip - vroeg ontloken primulas en crocussen!

De zeldzame keeren, dat ik er ga, treft het geheel mij als een paleis, wat ik niet nalaten kan haar uit te drukken.

En zij ook spreekt van het eten. - Wie spreekt er van iets anders nog dan van dat, van 't duur leven en van den oorlog!

‘Het amerikaansch spek is waarlijk goed,’ zegt ze, ‘in dezen tijd van schaarschheid; het is een echte weldaad van 't Voedingscomiteit er ons te kunnen verschaffen.’ En ik verhaal haar het zoo even vernomen gesprek der werkvrouwen aan den tramstilstand.

Woensdag, 11 April 1917

Een dag van Broodnood.

Gisteren was 't: een dag uit den hoop zoo als er reeds vele zijn geweest. Geen aardappelen in huis. De meid zou gaan smokkelen. Een plaats is aangewezen op het grondgebied van St.-Denijs, waar er te krijgen zijn, anderhalf uur ver. Intusschen moet ook voor brood worden gezorgd. Ik zal gaan zien in het midden der stad. Ik heb het adres: een ouderwetsche, gekende bakkerswinkel.

Wat is het koud bij 't buitenkomen. Ge krimpt letterlijk ineen. Wilde wolken drijven, vluchtend door het ruim. Ik ben nog enkel een paar honderd meters ver, als het begint te hagelen, maar met zulk geweld, dat het bijna halfduister wordt, alles grauw om u henen.

Zou ik terugkeeren, of verder gaan? Noch het een noch het ander.

[p. 562]

Achter een huisuitsprong schuiling gezocht. Het is een grootsch schouwspel, deze ontketening der elementen.

De wind huilt rondom de daken, de hageljacht kletst neder, dik in trillende schuin beweging, onder de zweepslagen van het orkaan... En bijna zonder overgang houdt de stortvlaag op. De hemel klaart en tusschen lichte wolkenlappen piept er blauw door. Voortgegaan, maar 't is glad, al smelten de korrels bij oogenzien.

En nu verduistert alles weder: een nieuwe bui, wat minder hevig dan de eerste toch.

Den stap verhaast tot aan de woning van den kunstsmid in ijzer, dien ik ken.

Met geweld aangebeld.

Hij opent zelf. Zijn vrouw is onlangs plotseling gestorven.

Of ik wat schuilen mag?

‘Zeker.’ Hij leidt mij door de gang. Achter de zij-glasramen staan de artistieke voortbrengselen, die ik zoo vaak aan de straatuitstalling bewonder.

Ik ken hem wel, ik ben eene zijner klanten. Wij gaan zitten in de keuken, slechts door een hoog vierkant raam klaarte ontvangend. Nu is 't er duister schier. Ik ben daar nog nooit binnen geweest.

‘Wil ik 't gas aansteken?’ vraagt de man.

‘Neen, neen, onnoodig, mijnheer, wij zien genoeg.’ Hij komt zeker uit de smidse zijn gelaat en zijn handen zijn zwartachtig bezoedeld, ook zijn kleederen. Hij is oud. Hij lijdt aan een verzwakking van 't gezicht. - Zonderling, dat zulk een ramp niet zelden den kunstenaar treft, die meer dan iemand zijn oogen noodig heeft, evenals de toonkundige welke meer dan de gewone stervelingen aan doofheid schijnen blootgesteld. Die keuken ook is vuil, de kachel ongepoetst, de stoelen ongeboend en de tichelvloer is brokkelig.

Hoe komt het toch, dat ze iets gezelligs heeft? Is het dat bewoonde, gebruikte, versletene? Ik weet het niet, maar hier moet geluk hebben bestaan, hier in dat warme, onooglijk levensnest...

Hij haalt een homp brood uit een schapraai+ ‘Kijk eens, mejuffrouw, wat ik eten moet, ik man van zeventig jaren.’ Ik zelve hoef zoo ver niet te komen om dergelijk brood te zien: grauw, niet opgerezen, hard als een steen.

En nu 't gesprek over den oorlogstoestand, het onvermijdelijk onderwerp.

[p. 563]

‘Er is vandaag nog een door den kop geschoten in de Schijfschieting,’ vertelt hij. ‘Ha zoo!’ een dergelijk bericht doet toch telkens een griezelende siddering ontstaan. ‘Wie, een gekende gentenaar?’

‘Neen, een duitsch soldaat. Juist om zes uur. Mijn leerjongen - hij is mijn petekind, een broers zoon, hij woont hier in - was als altijd naar de beroepsschool van Carels+ gegaan. 't Is immers daarnevens. En geen van de scholieren mocht voorbij, de schildwachten aan den ingang van de Schijfschieting hielden ze tegen met de uitgestoken bajonnet.’

‘Waarom?’ vroegen ze.

‘Er wordt een van onze kameraden doodgeschoten,’ was het antwoord.

Ach! toch een mensch, wat of hij ook gedaan mag hebben!...

Intusschen is de lucht zeker weder opgehelderd. Een straaltje van de zon valt zelfs omhoog op den wand door 't vierkant venstertje. Dank en afscheid.

Voor de bakkersvitrien liggen hoopen van minuscule koekjes; op den voorrand ook tamelijk groote mastellen.

‘Hoeveel, madame?’

‘Vijftien centimen 't stuk.’

Die kleine zullen halve zijn.

‘Geef geheele, als 't u belieft, vul een zak.’

Ze grijpt met volle hand onder de toonbank. Ik bemerk dat het ook halve zijn. Om 't even, 't is ook wel.

Ze telt en rekent ze voor groote. Dus weder - overal - oorlogsbedrog. De groote als lokvogels, de kleine voor den verkoop.

‘Ik heb vernomen, dat hier brood is te krijgen, indien het bij voorbaat besproken wordt. Kan ik er morgen om een zenden?’ Ze schudt het hoofd:

‘Neen, thans niet meer. De bloem kost zes frank en half den kilog. Een klein broodje moeten wij vier frank verkoopen, dat gaat niet... enkel voor de klanten.’

Naar huis dus ongetroost.

Het sneeuwt nu, dat de vlokken 't zien belemmeren. Naar de Koornmarkt, hier dicht bij. Hoe zeer ik het er tegen heb om den tram te nemen, zal ik het toch nog eens beproeven in mijn nood.

[p. 564]

Op den eersten kan ik niet. Twintig menschen moeten achterblijven. Op den tweeden geraken deze. Op den derden geen plaats.

De lucht is vochtig. Wat is het aan de voeten koud in die plassen van sneeuwwater! Daar rinkelt weder een trambel. Hoelang wacht ik hier reeds aan de standplaats!...

Ik ga een schermutseling aan en dring mij door 't gewoel. Het gelukt. Ik ben binnen, met behulp van een duitscher, die mij naar boven trekt.

‘Danke schön,’ zeg ik. Waarom niet beleefd zijn tegen iemand, die u een dienst bewijst, al is 't met vijandshand.

De meid komt thuis. Ze heeft tien kilog. aardappelen.

‘Mijn armen zijn lam gedragen,’ klaagt ze.

En nu de beraadslaging. Hoeveel voor elk te schillen?

‘Drie’ stelt ze voor.

‘Dat is toch wat weinig. Weeg zeven honderd gram, 't zal toch genoeg wezen.’ De balans uitgehaald.

In zevenhonderd gram gaan slechts vijf aardappelen. Ze zijn groot, dat is waar. Aan een frank den kilog. berekend, kost iedere aardappel 14 centimen. Jaren geleden werden ze geleverd aan zes of acht frank per honderd kilog.

Vleesch hebben wij gelukkiglijk.

Des avonds zijn er nog eenige aardappelen over: Ik zal ze voor u op de pan bakken,’ zegt het meisje.

‘Neen, neen, eet gij ze met wat spek. Ik drink cacao, met een ei.’

12 Donderdag. 's morgens vroeg.

De meid komt mij wekken als naar gewoonte om 7 uur.

‘Hebt gij nog brood?’

‘Geen korst meer,’ heel bedrukt gezegd.

‘Welnu kook wat aardappelen voor u.’

‘Ja, u hebt nog die koekjes van gisteren.’

‘Br! Ik griezel bij de gedachte dàt te moeten verorberen+. Gisteren avond heb ik 't beproefd: hard waren ze en veel te zout.’

Nauwelijks ben ik in de bibliotheek, waar ook mijn maaltijden genomen worden, of de meid komt binnen.

Neen, zulk een gelaatsverandering heb ik nooit gezien: een uitdrukking der hoogste vreugd straalt uit die kleine zwarte oogen, een blijde glimlach trekt de hoeken van dien zoo even bedroefden mond omhoog.

Heeft ze een groot lot gewonnen? Ja. Met haar krachtigen arm zwaait ze boven haar hoofd een zwaar roggebrood:

[p. 565]

‘Kijk eens hier, kijk eens hier!’ op een toon van uitbundigen triomf.

‘Hoe geraakt ge daaraan?’ schier nog ongeloovig over hetgeen toch duidelijk is te zien.

‘Het lag in den keldermond, het moet er ingeworpen zijn, terwijl ik u gisteren avond ben gaan halen.’

En nu is dan toch gekomen, wat zoo lang was verwacht en beloofd: gesmokkeld in het rijtuig mijner nicht, die wekelijks ten behoeve van het Voedingcomiteit naar buiten rijdt.

Vier frank ervoor: een spotprijs van goedkoop in dezen duren tijd.

13 Vrijdag April.

Suzanne is weder naar St.Denijs om aardappelen geweest ook om boter 13.25 den kilog. Vele smokkelaren, naar ze vertelt, langs den weg: vrouwen en mannen met klutsen in zakken op de borst en den rug hangend. Dames met groote moffen, waar ietwat insteekt. Kinderen op klompen, in flarden dun gekleed, bibberend in den wind.

Geen politie te zien. Degenen, die de ronde doen en 't verdachte in beslag nemen, zijn meestal te fiets. Het volk noemt ze markepakkers. Zoodra er een in 't zicht is, vlucht elk met zijne waar achter een haag of een gevel, of verbergt ze in een droge gracht. De schildwachten hebben niet het recht de smokkelaars aan te pakken en verklikken gewoonlijk niet. Toen Suzanne hare eenzelvigheidskaart uithaalde om ze te toonen, zei de op faction staande+ lachend: ‘Onnoodig, ik heb ze in 't naartoe gaan reeds gezien+, ik herken u’ en hij vroeg lachend: ‘Hoeveel kilog. smokkelt gij?’

‘Vier,’ antwoordde zij medelachend en ze liep ijlings vooruit.

Een meisje brengt eieren: ‘0,40 centimen 't stuk.’ De gebruikelijke fooi voor het halen. Ze komt van drie uren ver. Ze is erg ontsteld. Drie harer kameraden zijn naast haar onderweg aangepakt. Terwijl hun korven geledigd werden, is zij met hare kleine zuster, die haar vergezelde, weggevlucht op een boerenhof. De vrouw heeft den korf verborgen en aan elk een mes in de hand gegeven - zij was juist zelve bezig met aardappelen schillen - en de twee - steeds opzettelijk zeer armoedig gekleed als ze smokkelen - namen de houding van dienstmeiden aan.

[p. 566]

Gelukkig, dat de binnenstormende ‘markepakkers’ zich dwaselijk om den tuin lieten leiden en geen onderzoek deden.

Het gebeurt ook wel, naar verluidt, dat ze den schijn aannemen van niets te vermoeden. Anderen laten zich omkoopen.

Zaterdag,+ 14 april '17

Het is geen duitsch soldaat, die op 11den dezer werd doodgeschoten. Het zijn twee Gentenaren voor krijgsverraad. Hun namen komen voor op een aangeplakte ‘Bekenntmachung: Jan-Baptiste De Belva, dokwerker, Theodoor De Muer, schrijnwerker:’

(Geteekend: Der Gerichtsherr Von Wick.)

18 april 1917.

Soepuitdeelingen.+

Morgenstond, tien uur. Laag hangende wolken, grauw en grijs geschakeerd; vochtige atmosfeer; af en toe regendruppelen, verheldering van lucht, neerkletterende blanke hagelkorrels op de modderige straatsteenen.

Altijd hetzelfde stadsuitzicht; trams stampvol met burgers maar meestal met soldaten, weinig gewapend of hoogberanseld, een schrikbeeld voor onmogelijk opgeraken. Dus te voet den weg aangetreên.

Lange reeksen menschen - behoeftigen - wachten op het bochtig gaanpad aan de gevels der huizen; nu en dan schuift de slingering op, telkens er eenigen de poort van 't Schreiboom Klooster worden binnengelaten, waar soep wordt uitgedeeld.

Degenen, welke reeds bediend zijn, keeren terug met kruiken aan de hand, waarin een gelachtig-dikke brei ligt en waaruit een warme reuk van vet, boonen of erwten opstijgt.

Voor mij stapt, daar waar het voetpad smal is, een oud ventje. Het heeft een gebuild buishoedje op, geen pet, zooals meest de armen dragen, ook ongelijk deze een ros-zwarten frak aan, versleten op den draad. Zijn lang haar, dat tot op den halskraag hangt, is ijzergrijs; zijn schoenen, scheefgeloopen, dragen kloven in het leder, toegetrokken met een touwtje. In de linker hand houdt het een aarden kanneken tegen zijn lende aan, het zou 't niet kunnen dragen met een hangenden arm, 't zou breken

[p. 567]

tegen 't plaveisel, zoo diepgebogen, schier met horizontalen rug, schrijdt het ventje voort.

Het is een beeld des jammers, wat daar voor mij gaat, voet voor voet, in al zijn kommervol ontberen... een menschelijk wrak, nog dobberend op de levenszee... een van elk verlaten schepsel ergens eenzaam op een bovenkamertje, of in een bekrompen achterhokje wonend; want zijn kruikje is zoo klein, het houdt geen portie in voor meer dan éen.

Ik moet den stap vertragen: naast ons ligt de spoorbaan van den tram en de waarschuwingsbel rinkelt. Eindelijk streef ik hem voorbij, een lonk terzijde op hem slaande om zijn aangezicht te zien. Dat gelukt niet.

't Is te diep geheld naar den grond.

Ik ben reeds een eindje ver. Och, ik moet hem toch wat geven, hoe weinig het ook wezen moge. Een nickelstukje van vijf en twintig centimen, het wordt uit de portemonnaie gehaald, op de stappen teruggekeerd en voor den ellendeling blijf ik staan en steek hem het stukje toe.

Een dergelijke beweging laat geen twijfel op 't bedoelde over. Het manneken heft het hoofd op en ziet mij aan: en nu schrik ik letterlijk; wat heb ik toch gedaan? Dat kan geen gewone schooier zijn, die een straataalmoes+ aanneemt: dat gelaat, vol weemoed, duidt innerlijke beschaving aan en die oogen! Die blik op mij gericht: wat ligt daarin, wat spreekt daaruit? Gekrenkte fierheid, verwondering, verwijt van taktlooze behandeling en nobele vergiffenis... En hij, de vernederde die daar voor mij staat, wreekt zich door grootmoedigheid, hij opent de hand, een blanke, welverzorgde palm, heel ontdaan leg ik het stukje er in, terugwijken kan ik nu niet meer - en met een niet te vergeten, half ontplooiden, fijnen glimlach in zijn grijzen baard knikt hij dank, als een hooge in rang, die een ondergeschikte door het weigeren van een misplaatsten dienst niet verootmoedigen wil.

Beschaamd, verlegen en zooveel gebrek aan doorzicht betreurend, haastte ik mij voort uit het bereik zijner oogen.

Woensdag 18 april.

Het is toch waar, dat er ook een duitsch soldaat is gefusilleerd. Ooggetuigen hebben zijn Calvarietocht naar de Schijfschieting gezien. Hij was uit het gevang gehaald en ging te voet met de armen op den rug gebonden langs den Boulevard van de Godshuizen. Degenen, die hem terecht moesten stellen - zijn kameraden - zooals de Feldgrauen, en misschien alle soldaten elkander noemen - stapten achter hem met hun geladen geweren.

Zelfs geen karreken om hem naar de strafpleging te voeren!...

[p. 568]

Nog 18 april '17, woensdag.

De aardappelen staan aan honderd vijftig tot honderd zeventig frank de honderd kilog. Ik moest ze zelf tegen honderd vijf en zeventig betalen. Er waren twintig kilog. aan gewicht te kort, na onderzoek.

Verleden woensdag had ik hier voor de laatste maal krans van dames. Hoe aan eten geraakt. Er was gezouten varkensfilet in huis maar... het noodige brood? - Het dient gezegd, dat dit gezelschap niets mededraagt naar de vergaderingen.

Een smokkelaarster zou er een halen naar Gijzegem of Gijzenzele, ik weet het niet juist, een dorp uren van hier.

Op den vooravond was de belofte niet volbracht. Misschien durfde ze niet, misschien was ze gepakt. De meid begaf zich naar Ledeberg, een voorstad van Gent. Er was verzekerd, dat de pasteibakker, bij wien ik klant ben, eierkoeken bakte.

‘Neen, neen,’ luidde het antwoord, ‘de bloem is veel te duur.’

Vandaar terug op zoek. Bij ettelijke bakkers was alles gesloten; eindelijk gelukte het haar op den Nederkouter een gewoon brood van nagenoeg een kilog. te krijgen - wit - mits betaling van zes frank.

Gered, gered! Sedert heel lang is al het metaal uit al de huizen opgeëischt. Voor mijn part zond ik er een handkar vol met ketels, kasserolen,+ een petroolstel, een bluschpot, een taartenplateel enz. Na afrekening van acht kilog. ijzer, woog alles te zamen acht en twintig kilog. De aangestelden, die het - op de Vischmarkt was 't - nawogen, duitschers, trokken nog eens het ijzergewicht af. Voor alles werd éen en twintig frank en centimen betaald. Vervoerkosten beliepen tot twee frank vijf.

Nu gaat het er nog anders naartoe: overal worden huiszoekingen gedaan. Alles wordt afgepakt: lampen, schotels, koperen bloempotten, kandelaren, koffieserviesen en onder de oogen der bezitters gebuild, geblutst en stuk geslagen. Luchters worden neergehaald, luxe-foyers uitgebroken, kunstwerken - indien het koopbare voorwerpen zijn - schaamteloos geroofd. Gewoonlijk wordt een lijst van het gepakte nagelaten. Groote boeten en gevang wachten degenen bij wie deze voorwerpen verheimelijkt zaten. De straffen worden bij een eerste onderzoek nog niet toegepast, maar 't gevondene is verbeurd verklaard.

 

De Paus smeekt Willem II om de terdoodveroordeeling van sommige gevangenen in levenslangen dwangarbeid te veranderen.

Levenslangen dwangarbeid eene gunst!

[p. 569]

18+ april woensdag '17.

Het is zwarte nacht half twaalf. Geen gaslicht op de straat. Geen enkel der drie ramen van mijn slaapkamer teekent zich in merkbare klaarte af.

De meid slaapt in een mansarde boven mij. De twee deuren blijven open staan.

Ik ben letterlijk wakker geschrikt: de storm huilt rond het huis, glasscherven rinkelen neer, waterdruppelen vallen tik tikkend, gesloten deuren ratelen en slaan onrustwekkend, vrijheid zoekend, tegen 't lijstwerk aan; het schijnt alsof het dak werd opgeheven door de woede van den wind.

‘Suzanne, hoort ge dat? Wat gebeurt er toch?’ roep ik haar toe. ‘Slaapt gij?’ want ze antwoordt niet dadelijk. ‘Wie zou er kunnen slapen in zulk een hondenweer? Maar 't is altijd zoo, als 't waait.

‘Neen, neen, dat zijn geen gewone geluiden, elk kent de geruchten van zijn huis, dit is iets nieuws.’

‘Het is de weerwijzer op de vorst, hij krijscht wat meer dan anders. Hij zal moeten ingesmeerd worden.’

Ik laat mij niet overtuigen, en lig en luister. Het orkaan bedaart wat, maar het druppelen houdt aan. Het regent ergens binnen.

Woensdag 18 april '17.

Van morgen lag het grasplein vol scherven. Het dakvenster is gebroken, wat moet het toch vreeselijk gewaaid hebben om de stukken, over de veranda heen, zoo ver te doen vliegen! Het half vermorzeld raam ligt, nog een beetje vast, op de bloote roostering want vele leien zijn weggeslierd. Die zullen in de goot liggen. In de logeerkamer is een ruit gebroken.

En nu terwijl de blik al deze verwoestingen waarneemt, wordt er hard gebeld: een gedienstige buurman:

‘Ge weet het zeker niet, ge kunt het van op de straat niet merken; maar van mijn zolder zag ik het: 't zink rondom de schouw en rondom het staande raam van de mansarde hangt los en een deel van de goot hangt af. Er zijn overal schaliën weg.’

Dank aan dien man.

[p. 570]

Naar boven gaan kijken. Het regent, het sneeuwt, het hagelt afwisselend en alles stort neer door het groot vierkant, waar het dakraam was.

Er wordt een Engelsche tub ondergesteld.

Op het plafond daaronder zijn waterplekken. Ze lekken nog en de muur is grauw en schimmelig uitgeslagen. Dat laatste is niet van gisteren noch vannacht. Het vocht moet reeds sinds langer, onopgemerkt hebben doorgelekt. Ik wist het niet. Ik ga zelden zoo hoog.

De meid heeft er geen acht op gegeven.

‘Gauw, gauw om den ondernemer.’

Hij stoort er zich niet aan.

Na herhaald aandringen komt er bescheid: het is onmogelijk in zulk een weer op een dak te gaan of buitenwerk te doen. ‘Morgen’ wordt er beloofd.

Inderdaad het zou niet kunnen. De bode heeft gelijk.

Geduld.

Donderdag 19+ april '17.

Daar zijn ze: een metser, een loodgieter, een timmerman en de schaliedekker, allen met hun helpers, een heele processie van werklui.

En nu wordt er een ladder, een mortelbak, worden manden met leien en wat niet al gereedschap binnengebracht...

De kar blijft voor de deur staan. Kloppen en kleunen volgt spoedig op.

Wie kan 't uithouden, zonder dat hij zenuwachtig wordt?

Ik toch niet.

Eens in de lucht, een wandeltoertje, dat zal 't beste wezen.

Op de straat, wat verder reeds, aan den overkant, keek ik eens om, naar omhoog. Ginder, in zijn volle lengte, op den buik over eene neerliggende ladder, zag ik den leidekker aan het werk.

Het griezelde door merg en been van angst en medelij.

Bij zijn binnentreden had ik hem aangekeken: klein, mager, een oud ventje, scheen hij mij. Toen hij groette en sprak, merkte ik, dat hij niet meer dan in het begin der veertig kon wezen, bleek, vroeg afgetobd.

En ik wandelde voort, achteloos waar, straat uit straat in, heel terneergedrukt door de kleine en groote rampen van den oorlogstijd en al 't onaangename soms van het menschenleven.

[p. 571]

In de Benardstraat - hoe was ik er gekomen? - aan den hoek van de Terplatenkaai? - naderden langs den tragel van de Oude Schelde troepen soldaten.

Wachten hoefde het om ze door te laten.

Een vrouw - een halve dame - wachtte ook naast mij, of liever ze wachtte niet, ze gaf geen acht op de aanrukkenden met hun zwaar gestap. Ze was - met het hoofd omhoog - in gesprek tegen iemand, die uit het open raam van het bovenhuis lag.

Een klein meisje stond naast haar. En dat kind ook keek niet naar de soldaten, het keek naar mij: het lachte mij vertrouwvol toe met korte witte tandjes. Wat was het lief: het had een net, wollig rood kleedje aan zonder iets meer, het was in 't bloote hoofd en welk een hoofdje! Dik groeide het recht-neerhangend, tot in den nek reikend haar er op door een spleet gescheiden als bij een madonnabeeldje. Dat haar had de kleur van herfstbladeren, warm-goudgetint met glans en gloed. En het aangezichtje: appeltjesrond, pioenrood, met twee kleine blauwe schitteroogjes daarin.

En dat kind lachte mij - onbekende - toe. Wat wilde het van mij, wat trok hem aan in onbewuste sympathie.

‘Is het 't uwe?’ vroeg ik aan de vrouw.

‘Neen, dat van mijn zuster maar 't is bij ons overdag. Ze is naaister, zijn moeder, ze werkt op een winkel.’ Dom van mij te vragen of 't haar kind was, een moeder zou het in dat koud weder niet zonder een sjaal of doek hebben laten uitgaan. Ach, zeker weder een oorlogstragedie hier.

‘Is de vader misschien in den krijg?’ onderzocht ik aarzelend.

‘Neen, neen, hij is coupeur in’ - en zij noemde vroolijk een magazijn van gemaakte kleederen in de stad. ‘Hij wint een schoone daghuur en zij ook; ze hebben niets te kort.’

Dat was de kleine wel aan te zien.

‘Geef mij een handje,’ vroeg ik en het rond polleken werd mij toegestoken.

‘'t Is om te stelen,’ kon ik niet nalaten te zeggen. ‘Is het met iedereen zoo vriendelijk?’ Het meisje lachte: ‘Neen, neen, 't is voor die bloemen, die ge in uw hand houdt. 't Is zot van bloemen.’

Inderdaad, ik wist het niet meer, een arm jongetje had mij onderweg een tuiltje viooltjes toegestoken met de woorden ‘tien cents’ en werktuiglijk had ik het aangenomen. ‘Hoe oud zijt ge?’ vroeg ik aan het klein ding. ‘Al bijna drie jaar,’ antwoordde het gewichtig. Een kind wordt altijd door de groote menschen geplaagd:

[p. 572]

‘Is het waar, dat ge niet gaarne bloemen ziet?’ herbegon ik mijn uitvorschen. Hevig schudde het met het hoofdje.

‘En dat ge dit boukeetje niet zoudt willen?’ Hoe jong het was, liet het zich volstrekt niet bedotten door mijn strikvraag. Voor alle antwoord greep het naar het tuiltje, dat het als zijn eigendom vasthield.

‘Zeg danke,’ sprak het tante-meisje.

‘Danke,’ ging het echo, en de glimlach van 't mooi aangezichtje gold de bloempjes nu.

Om het even, die ontmoeting had mij gansch verkwikt. Er waren dus nog menschen in welstand, het was niet alles wee en jammer wat ge tegenkwaamt!...

Over de Muinkbrug - eenige stappen verder gaat de weg heel steil naar de wijk St.Pieters op.

Links sloeg ik een minder klimmende zijstraat in. Daar was ik nog niet geweest, bij uitzondering - want ik kan meest al de straten van mijn aangebeden Gent noemen - kende ik er zelfs den naam niet van. Hij stond te lezen op de plaat: ‘Oude Voetweg.’ Brokkelige steentjes, lage huisjes, een waterkraantje in den muur ten gebruike der bewoners; pratende vrouwen op de drempels.

Voorbij een kruisstraat - de Stalhofstraat - en een klein onbebouwd strookje, begon een nieuwe straat, rechts een blinde muur, links eenige weinige huizen...

‘Jan-Frans Willemsstraat’! ter eere van den vader der Vlaamsche beweging... Het was wel te zien en is wel opmerkenswaard, dat geen diepgaande bewondering en taalliefde het magistraat alhier in begeestering heeft gebracht, toen het zijn hulde toekende aan hem, die voor volksverlichting en het behoud van dezes eigendommelijkheid leed en streed...

Later is hem ter vergoeding een waardeerend monument op een aanzienlijke plaats toegekend.

Heel+ bemoedigd kwam ik thuis. Mijn tred was lichter. De zonne scheen op de jonge botjes van de parkstruiken, en in mij ook was er zonneschijn. Een overtuiging, dat de toestand nog zoo erg niet was dan het scheen, dat alles nog terecht kon komen... ‘Hoe grooter de nood, hoe nader de redding,’ luidde het niet zoo in den Spanschen tijd?...

Nauwelijks+ over mijn drempel en nog in mijn roes van feestelijke blijheid zijnde verviel ik opnieuw in de diepten van maatschappelijke wan-

[p. 573]

verhouding. Het ging mij als een, die plots vasten voet verliest en in een modderpoel verzinkt.

De meid berichtte: ‘Mijnheer Marc’ - een mijner neven - ‘is hier geweest. Gij waart maar pas weg. Duitsche soldaten hebben onderzoek in zijn huis gedaan en koper gepakt. Hij heeft een boodschap in de buurt en zal straks wederkeeren.’

Op 't einde van de gang, langs de trap, die naar de keuken leidt, is de metser bezig met het herstellen van een muurbeschadiging. Het is een naarstig, bekwaam werkman. Zijn patroon weet, dat ik hem gaarne heb, als er iets is te doen. Ik ken hem dus reeds lang.

Ik vraag hem naar zijn bevinden in dezen naren tijd. Hij woont te Zwijnaarde, nagenoeg een paar uren gaans van hier. Guust is zijn naam.

Hij kijkt op naar mij: het treft mij steeds, dat hij zulk een mooi, fijn en toch krachtig aangezicht heeft: gezonde kleur, zware snorbaard en iets lijdzaams-beschaafd in den blik. (Kan iemand het verklaren, waarbij het komt, dat er onder de metselaars zooveel schoone mannen zijn?)

Hij heeft nu drie kinderen, zegt hij, het oudste is zeven, het tweede vijf en het jongste pas twee maanden oud: ‘Och, het was zoo struisch bij zijn geboorte en nu valt het zichtbaar af dag voor dag.’

Zijn vrouw is ziekelijk. Ze krijgen slechts een pint melk daags voor de voeding van den zuigeling. Hij heeft driehonderd roeden land in gebruik. (Een roede zooals men weet is 16 vierkante meters.)

‘Een gemet!’ zeg ik verwonderd, ‘en wie bewerkt dat?’

‘Ik, 's morgens vroeg, eer ik naar mijn werk ga en 's avonds, als ik er van weerkeer. Mijn vrouw wiedt en heult de pataters op,+ of beter gezegd, ze deed het toen ze gezond was.’

Hij had een zwijntje gevet. Het moest geslacht worden met Allerheiligen: een voorraad vleesch in de kuip voor heel den winter!

‘De Duitschers zijn gekomen en hebben 't gepakt. Ze betaalden mij een frank tachtig per kilog. Maar... wat ben ik met dat spot geld, ik en mijn huishouden, zonder vleesch!’

Ik schud medelijdend het hoofd. Wat kan men zeggen op zoo iets.

En hij herneemt met de truweel in de hand, ‘de schaliedekker is er slechter aan toe dan ik. Sedert zeven weken zat hij zonder werk en hij heeft een vrouw en zes kinderen.’

Het is opmerkenswaard en soms de comische zijde van den toestand, dat al wie aan werkgebrek lijdt, altijd zes kinderen heeft of voorgeeft er zooveel te hebben.

[p. 574]

Hier zal 't wel waarheid wezen, de metser weet het wel.

‘Hij ziet er zoo bedrukt uit,’ zeg ik.

‘Geen wonder, die mensch is uitgeput. Denk eens, dat hij van morgen niets anders te eten had dan een enkelen boterham, daarmee moet hij aldie uren totdat het noen is, op een dak liggen. Ik heb hem dan ook een van mijn sneden brood gegeven.’ De meid had gewis al den tijd staan luisteren. Ze schiet toe en vraagt:

‘Mag ik hem een smouterham afsnijden? Ik zal er een minder eten?’

‘Neen, geef mij een boterham min om vier uur,’ zeg ik ras.

En nu bezint ze zich: ‘Geene van ons hoeft er een min te eten. Wij hebben immers een brood meer deze week, een dat madam De Keyser’ - mijn nicht - in haar coupé gesmokkeld heeft.’

Eureka! wij zijn gered!

Om kwart voor twaalf+ komen holperige stappen de trap af.

Daar is de schaliedekker, die naar zijn huis gaat. De meid heeft juist de smouterham met een stuk koud vleesch er op en een pint bier bovengebracht.

‘Baasken,’ zeg ik, het hem toestekend, ‘ik vernam daar zoo even, dat ge van morgen te kort hadt, zie eet dat op, het zal u goed doen.’

Nauw zijn de woorden uit mijn mond of ik berouw mijn dubbele taktloosheid: hem geringschattend bij een verkleinnaam noemen en hem zoo openlijk mijn kennis van zijn ellende blootleggen!...

Hij ziet mij treurig aan met zijn bleeke oogen: ‘Meedragen?’ stelt hij voor.

En ik nogmaals dwaas-onkiesch:

‘Neen, neen, ge zijt veel te goed. Ge zoudt het thuis uitdeelen en niemand zou er iets aan hebben.’

Hij laat zich bekoren en gaat in de serre zitten. Daar is het koesterend warm onder 't glas, daar schijnt de zon...

En nu komt mijn neef en vertelt. De Duitschers hebben zijn salonluchter afgehaakt, ondanks zijn protest en een koffieservies in metaal opgeëischt. Het is een huwelijksgeschenk. Hij weet, dat het in de vijftig frank heeft gekost. Dat alles moest hij zelf doen bezorgen naar de Vischmijn, waar 't metaal wordt afgeleverd. Hij ging mede.

Een officier, die zuiver Fransch sprak, zei: ‘Dien luchter moeten we niet hebben, wat vast is aan den wand, blijft er aan; de opeischer kent zijn opdracht niet. Maar dàt wel,’ en hij duidde het servies aan.

Mijn neef zei, dat hij sinds vele jaren dat servies bezat en het een vriendengeschenk was.

[p. 575]

+‘Sla er op!’ beval de officier voor alle antwoord.

Een deed het ietwat lamlendig.

Hij ontnam hem den hamer.

‘Alzoo niet,’ zei hij en sloeg zelf er op, dat het klonk en de stukken geblutst, plat en gebarsten lagen.

Hij betaalde een mark er voor.

Mijn neef was vooral onder den pijnlijkeren indruk van iets anders, het zooeven geziene: toen hij aan den Kattenberg kwam - een sterk steile kleine straat, welke op de Kortrijksche straat uitkomt en die thans deftigheidshalve de ‘Kanunnikstraat’ heet, schoolden daar menschen samen.

‘Wat gebeurt er hier’? had hij gevraagd. De groep liet hem doorgang. Op de helling lag een werkman gevallen; een kleine jongen met een wagentje - een speeltuig - was in alle vlucht de hoogte van den Kattenberg afgerend en tegen hem gebotst. De kruik waarmede hij stadssoep had gehaald, was gevallen. Het was een blikken kruik, dus niet gebroken. Maar de gansche inhoud - een dikke brei met groote boonen daartusschen - vormt een kleinen plas, die traag naar de laagte begint te vloeien. Vloekend ziet den man den dader wegloopen. Met zijn twee handen, trechtervormig vereenigd, scharrelt hij alles saam, zoo goed als het gaat en gooit alles in de kruik.

‘Hij wankelde van flauwte toen hij de hoogte optrok’ zei mijn neef.

Woensdag 25 april, '17.

Er komt bericht van ooggetuigen, dat heden al de gevangenen van hier, onder geleide van soldaten naar Duitschland zijn gestuurd.

Het Rasphuis van Gent is met dat van Leuven - indien ik mij wat dit laatste betreft niet bedrieg - het verblijf der groote misdadigers.

Het is omtrent den avond. Guur, droog Aprilwêer, stoffig en koud. Het lijkt wel, alsof het in weken niet geregend had.

De Prosper Claeysstraat is nog heel nieuw met alle gelijke huisjes. 't Zijn hofjeswoninkjes, voor oude echtelieden, tot werken onbekwaam. Overal tuintjes voor de gevels. Wat heeft de winter hier feest gevierd: al de struiken - meest kerslaurier - staan heelemaal ros met doodverbrande blaren, die aan de stengels reuzelend fladderen of er afwaaien in den guren wind.

[p. 576]

Een beeld van natuurverval bij al het hier nog voortbestaande menschenverval...

‘Binnen!’ luidt het achter een deur, waaraan ik klop. Eerst een gang, dan een ruime kamer, een kachel, een alcovebed met een grooten Christus aan 't Kruis op den wand.

De huisvrouw - een kokkin+ - die bij enkelen mijner vrienden en ook te mijnent soms van dienst was, zit bij het vuur, want er is nog vuur in die blinkend-zwart gepoetste kachel. Een pot staat er op, waarin ze roert.

‘Mijn soep van de Stad,’ wijst ze aan.

‘Ik leng ze uit, alzoo heb ik er voor twee dagen. Den eenen keer krijg ik soep, den anderen keer boonen of rijst.’

Ze heeft er niet kunnen toe besluiten haar waschketel bij de Duitschers aan te geven.

‘Ze zullen hem komen pakken, Amelie’

‘Zooals het God belieft,’ met een zucht. ‘Ik kan hem niet wegsteken. Hij staat op den zolder; maar uit mijn handen krijgen ze hem niet. Dat ze hem zelve gaan halen, daàr zie,’ besluit ze boos.

Reeds een paar malen heeft ze den oven van haar kachel geopend en er een voorwerp in omgekeerd. Er ligt ook brokkelhout in dien oven.

En merkend, dat ik hare handeling gadesla, bericht ze, een ijzeren teil er heel uittrekkend tot op de neergelaten deur: ‘'t Is een brood, ik bak het hier voor mijn geburen, ze hebben geen beetje kolen meer. Ze zitten zonder vuur.’

Het is een zonderlinge spijs, wat daar in dat plateel ligt, geen mensch zou kunnen raden wat. Zij verklaart het: ‘Een brood van gruis, boonenmeel en aardappelschillen.’

‘Amelie, dat lijkt op geen brood, overigens hoe zou het kunnen bakken in alzoo een oven, die niet heet is? Zie het hout zelf ziet er nattig uit.’

‘Bakken, mijn schaap,’ zegt ze, ‘wie spreekt van bakken! Och Heere, het is om 't wat te drogen alleenlijk, dat ze 't hier brachten. Ze zullen 't met lepels moeten eten.’

‘Hoe stelt Naas het?’ vraag ik.

Naas is in dat slecht weder zes weken geleden naar de vroegmis gegaan, is op de gladde trappen van St. Paulskerk gevallen en heeft het dijbeen gebroken. Hij ligt in 't hospitaal.

‘Met zijn bil gaat het goed. De nonnekens zien hem gaarne, omdat hij zoo godvruchtig en zoo verduldig is. Maar... maar, hij heeft er toch zooveel te kort en zulk een zwakken kost dan nog! Ik draag hem alles wat

[p. 577]

ik kan, 'k ontspaar 't uit mijnen mond. De nonnekens, die 't zoo lastig hebben heel den dag en halve nachten bij tusschenpoozen moeten maken, lijden veel armoe. Vroeger was het niet toegelaten eten mee te dragen, nu vragen ze aan de bezoekers: ‘Breng toch wat voor onze arme zieken, pataters of brood om 't even wat.’

Dienzelfden avond nog vertelde ik het aan mijn neef, die dokter is in de Bijloke - het hospitaal.

Hij loochende het feit. Hield vol, dat de zieken genoeg hadden, wel wat krap, voorzeker, en de nonnen ook. Er zijn menschen, zei hij, die altijd willen eten, of het voor hun gezondheid schadelijk is of niet. En toen voegde hij er bij: ‘Al de zalen liggen overvol... er zijn meer dan achthonderd verpleegden voor 't oogenblik.’ Het trof juist, dat ik ook weldra met iemand sprak, die een lid zijner familie in den raad der Gentsche Hospicen heeft, en hij verklikte, wat een vakgeheimhouding zou hoeven te wezen: onlangs had er in dien raad een bijeenkomst plaats om te onderhandelen over den heerschenden nood in de stadsgodshuizen.

Het besluit was, dat al de inwonenden te kort hadden. Op wie moet de ramp het zwaarst wegen? Aldus werd de vraag gesteld. De meerderheid velde haar vonnis: ‘De nonnen hebben het lastig. Hun hulp is onontbeerlijk, dus niet op hen. De zieken kunnen genezen en in de samenleving nog gelukkig en nuttig zijn: ook uitgesloten. Maar de teringlijders, in nogal groot getal aanwezig, moeten toch dood. Hun toestand vereischt overvoeding. Ondoelmatige kosten, onnoodig hun ellendig leven te verlengen. Besparing op hen, gelijk regiem voor al de kranken.’

Het komt mij zoo gruwzaam voor, dat ik moeite heb om aan het beweerde te gelooven.

2 Mei '17. Woensdag.

Mijn nicht heeft stappen aangewend om de armen - de oud-gehuwden - uit de hofjes in de Prosper Claeys straat ter hulp te doen komen; om ze in de maat van het mogelijke te voorzien van kleederen. Dat is haar beloofd en ik verkrijg het voorrecht het te gaan aankondigen. Het is heel mooi weder, harde zonne zelfs, bijna heet geweest heel den dag en nu met den avond waait een scherpe bries.

Ik zal de kookvrouw als geleide nemen en met de blijde boodschap van huisje tot huisje gaan. Er zijn er twee en veertig. Een - uitgestorven - staat ledig, ofschoon reeds toegezegd. Ze woont in een der laatste. Ze slaat juist den hoek der straat om. Wat is ze beladen! Aan de eene hand draagt

[p. 578]

ze een grooten korf schavelingen, in haar met de andere hand opgehouden dikuitgebuild voorschoot heeft ze sintels en spaanders opgegaard.

Ze komt van den buitenwijk: het Snepken, aan de Leie, alzoo bijna een half uur van harent.

Wij gaan binnen. Ze heeft den korf neergezet en den inhoud van haar schort op den vloer uitgegoten.

‘Hebt ge nog schavelingen?’ vraagt de arme vrouw. ‘Wil ik er u van mededeelen?’ Het is hier de behoeftige, die geven wil!

‘Ja, ja,’ lieg ik, ‘ik heb er nog.’

De sintels was ze aan het rapen met vele rampgenooten, ginder waar de Duitschers barakken zetten. Een soldaat kwam naar haar toe:

‘Vrouwken, ziet ge ginder dien officier staan, die het werk bestuurt? Ge moet eens bij hem gaan.’

‘Ik doe het niet ik heb niets misdreven,’ had ze gezeid, bevend van ontsteltenis reeds.

‘Ge moet,’ beval hij.

‘Ja, ja,’ zeiden de mederapers, half verontrust, half in scherts, ‘indien hij u kwaad doet, zullen wij bijspringen als verdedigers.’

Schoorvoetend trok ze mee.

Het was een jonge, flinke man:

‘Vrouwken,’ zei hij, ‘kijk, staak dat sintels rapen, hier zijn spaanders, raap zooveel als ge kunt dragen. Voor de jonge menschen niets, maar alles voor wie oud is als gij.’

En nu in de huisjes rondgegaan. Ze zijn alle gelijk van omvang, in rooden baksteen, elk met een afsluitings - heel laag - muurken en een tuintje er voor; eerst eene korte gang, dienst doende als portaal ter afwering van den tocht, dan een ruime kamer; achter den insprong van de gang, daarbinnen, vormt de ruimte een alkoof, berekend op 't warme slapen bij wintertij. Sommigen verkiezen echter op den zolder te vernachten.

Overal is het net. Overal wordt hetzelfde aan de bewoners medegedeeld:

‘Morgen om negen uur moogt gij naar de Arme Kamer ('t Liefdadigheidsbureel) gaan met de complimenten van Mme De Keyser en mijnheer den president Steyaert; ge zult er elk een kleedingstuk krijgen.’

Een verbaasde vreugdelach verschijnt beurtelings op ieder tandeloozen of brokkeltandigen mond.

‘Bedenk eens, wat ge 't meest ontbreekt, of 't liefst zoudt krijgen.’

[p. 579]

De een toont hare opgezwollen handen, - ik verneem dat ze Sandrine heet - en zegt: ‘Ik ben kreupel van 't rhumaties, o indien ik een warm rokje had!’

Een man zit blind, de vrouw is uit. Hij heeft moeite om te begrijpen. De kookvrouw schreeuwt het hem toe.

Een lamme vrouw verstaat het ook maar half: ‘Och Heere, ik kan niet gaan,’ jammert ze, ‘ik, arm schaap, zal niets hebben!’

Ja toch, Amelie belooft, dat zij uw trouwboekje - 't identiteitsbewijs - zal mededragen.

Haar man, die er nog vrij flink uitziet, is zoo even aangekomen en draagt een bezemstok. Hij kan evenmin naar de Armenkamer gaan. Hij is parkwachter en misschien de eenige, die nog een geregeld loon verdient.

In een ander woninkje zit aan een tafel een man in kindsheid vervallen. Op die tafel staat een kooi met een kanarievogeltje in.

‘Hij meent, dat hij een kleine jongen is en dat vogelken met een lijmhaar+ gevangen heeft,’ zegt zijn vrouw.

Zij heeft een grooten, nieuwschijnenden, zwartwollen sjaal aan. Hij is het voorwerp van haar hartzeer: ‘Kijk toch eens, ik heb 't koud, ik moet dien schoonen doek in de week dragen, omdat ik er geen leelijken heb!’

‘Ge moet er een bedingen voor u.’

Buiten, uit den oostwind, beschermd door het binnenste van een hoekmuur, zit een vrouw: een afzichtelijk schepsel, in de laatste warmte der ondergaande zon zit ze daar. Haar gelaat is geelachtig, heel opgezwollen; ze is zoo zwaarlijvig, dat haar lichaam langs elken kant de zitting van den stoel overweegt.

Wellicht lijdt zij aan waterzucht. Haar man staat naast haar: grijs, mager, klein met een scherp aangezicht, dat aan een fijn roofdier, een wezel of een fret, denken doet.

‘Vraag gij voor u wat?’ zegt de rampzalige, met een mislukte beweging om het hoofd ter zijde naar hem te wenden.

‘Neen, neen, ge hebt het meer vandoen dan ik.’

‘Hewel, ik zou toch zoo gaarne een lijfrok bezitten, 't is toch zoo koud en altijd zonder vier, altijd,’ zucht ze.

Zal er wel een lijfrok groot genoeg te vinden zijn voor zulk een zware wangestalte?

‘Zonder vuur’ heeft ze gezegd.

En dat is waar. Er zijn twee of drie en veertig huizekens, een staat voor-

[p. 580]

loopig, uitgestorven, ledig; een drietal zijn door afwezigheid bij het aankloppen niet geopend geworden. In al de anderen ben ik binnengegaan. Nergens was het minste spoor van verwarming te ontdekken.

En de blijde ontspanning van de verslenste+ aangezichten, bij de belofte, dat ze misschien elk wat kolen zouden krijgen van het weldadigheidsbureel, getuigde meer dan woorden van den algemeenen nood. Diep aangedaan en erg vermoeid ben ik tehuis gekomen.

9 uur. 's avonds. Woensdag 2 Mei.

Ik mag niet slapengaan zonder mijn indrukken te hebben saamgevat. En nochtans mijn waskaars - de voorlaatste, die 'k nog bezit, is verre leeggebrand. Heel beknopt zijn dus:

Wat heeft het meest getroffen bij die bezoeken?

Is het de onderworpenheid van al die schipbreukelingen van het leven?

Hun onbeschrijflijk persoonsverval?

Hoe komt het toch, dat de natuur en de tijd zoo gruwzaam - onmeedogend hun macht - op enkele uitzonderingen na hier hebben uitgevoerd? Ze zijn toch ook jong en krachtig geweest. Ze hebben toch ook eens in bloei gestaan als iedereen. Geen het geringste spoor blijft er van over. Ik durf het hatelijk woord ‘leelijk’ op die rampspoedigen niet toepassen, ze verdienen het niet, na hun zwoegersbestaan en hun eerlijken wandel - anderen dan onbesprokenen van levensloop worden hier niet toegelaten. Maar het dringt zich onverdrijfbaar aan mij op en ik moet aan hun glimlach denken om te weten, dat er hart en ziel onder zooveel verschrompeling steekt.

En nog iets anders houdt mijn herinnering geboeid, iets onbegrijpelijks: in verbeelding zie ik overal uitsluitend in de woonsteden die netgepoetste, zwartglimmende kacheltjes, en hun aanblik doet mij pijnlijk aan. Waarom toch?...

En door een hersenflits - na 't vergeefsche oorzaak zoeken - openbaart het zich: die ongebruikte kacheltjes zijn een symbool, 't concreete, tastbaar zinnebeeld van hun ontbering: oude, afgeleefde, lijdende menschen, sedert weken, bij voortdurende winterkoude, zonder vuur geweest...

Het slaat tien uur... beneden. Mijn kaars danst leeggebrand. En nu in het donker naar mijn bed.

Vrijdag 25 Mei '17.

Dezen morgen om half zes donderde een ontzaglijke ontploffing door het luchtruim, onmiddellijk opgevolgd door botsende bonzen, hevig los-

[p. 581]

brandend, schier verward dooreen. Ik telde er zeven en vijftig. Geburen riepen elkander toe van op hun balkons en van uit hun vensters. Later vernam ik, dat in de nabijheid van de stad groote putten in den grond geslagen zijn, geen ongelukken aan menschen overkomen.

Al het pluimgedierte - kippen, eendvogels, kalkoenen, ganzen enz. zijn door de politie opgeschreven: koop en verkoop zijn niet vrij. Elk overlijden - heet dat ook zoo bij dieren? - hoeft bij de duitsche overheid te worden aangegeven. Een agent kwam ook mijn kippen opnemen twee en een half - dit laatste een klein engelsch henneken. Voor elke kip moet de eigenaar drie eieren in de week aan de Stad afleveren. Onmogelijk! Bij gebrek aan behoorlijke voeding, leggen de kippen weinig. Ter loops zij gezegd, dat ik in den winter '15- 16 alle kosten van onderhoud aanteekende en tot het verbazend resultaat geraakte, dat ieder, gedurende dien winter gelegd ei, op acht frank kwam te staan. Ik ben door een bijzondere gunst ontslagen van het eierafleveren.

Eenige dagen geleden legde een der twee groote kippen - de witte - een windei. Ze wilde niet eten en zat ineengedrongen. Op hoop van hulp werd ze gedragen bij een dame, die goed bekend is met hoenderkweek.

‘Haar eierstok is gebarsten, ze kan niet genezen, doe ze onverwijld dood,’ luidde het vonnis.

Er werd nog wat mede gedraald. Ze zat in 't gras onder een traliekoffer. Ze kreeg melk en brood, at toch iets, maar legde voort gebroken eierdooiers. Nu naar de apotheekster ermede om raad.

‘Ze is niet erg ziek, houd ze en geef ze ijzersulfaat,’ sprak deze.

Een paar dagen geleden lag ze 's morgens dood: heel afgemagerd, maar met haar kam nog bloedrood.

‘Jammer,’ zei de meid, ‘ze was zoo vet, er zou een arme mensch goed mede zijn geweest.’ Vet? Nu niet meer. Van ze nu nog aan iemand aan te bieden, kon er geen spraak wezen:

‘Steek ze in een put, maar diep,’ zei ik, en wij zochten een geschikte plaats.

‘Hier in de schaduw naast het ijve-looverhuisje,’+ en ik haastte mij weg.

28 mei Maandag 2de Sinxen-dag

Dezen morgen kwam de groentevrouw. Aan de deur kreeg ze de geschiedenis te hooren. Haar eerste vraag was:

‘Wat hebt ge er mee gedaan?’

‘Begraven! O in tijd van nood vleesch in de aarde steken! Geef ze mij.’

[p. 582]

Ik hoorde 't geharrewar en ging beneden. De meid had reeds de spade vast en ging aan 't werk. Ja, ze zat diep, de kip, er lag reeds een heele hoop mulle zwarte grond, voordat het wit der vederen zichtbaar werd. Opgetrokken, afgeklopt, uitgeschud, werd ze in een grauwen zak geborgen. Duizendmaal dank gezegd door de groentevrouw...

Dat zijn welstellende lui, die zoo iets eten! Ik heb alle verantwoordelijkheid afgewezen. Om niets ter wereld zou ik het benuttigen van een gestorven beest aanraden.

Gisteren zeiden al de aanwezige dames in ons kaartspelgezelschap, dat ze geen vleesch meer konden krijgen.

Dezen namiddag opnieuw geweldige losbrandingen in de lucht.

Er mag bij invallenden avond nergens een lampestraal meer zijn te zien. En alle dagen, zelfs gedurende den winter, was en is het dakvenster der meid van rechtover hel verlicht. Het is een zeer groot raam met zes ruiten. Ik zie den schijn van in mijn bed: eerst rood, dan verblindend glansgeel. Wat mag daar toch gebeuren op dat kamertje? Tienmaal zou er tijd zijn om zich uit te kleeden; het licht brandt er tot laat, tot in den nacht.

Het verontrust mij, het is een mikpunt voor de bomben, dat schitterend vierkant in een dak bij zwarte duisternis. Het ergert mij; in 't begin hield ik mij zelve moedwillig voor, dat daar een gevaar bestond en ik drong het mij zoozeer in, dat ik het nu - waar of onwaar - bepaald geloof. Slapen is onmogelijk zoolang het licht daar brandt.

‘De bombevalle staat,’ zeg ik inwendig en kijk en kijk er steeds naar om...

Nu + de dagen lang+ zijn, als het nog heel hel is, moet het reeds aangestoken zijn, want er is eerst een twijfelschijn, die bij volslagen duisternis in glans verandert. Het is die bevallige meid - weduwe, die aldus noodeloos petroleum - hebben de meesten er nog? - of waskaarsen verbruikt...

Naait ze haar kleederen, leest ze, bidt ze rozenkransen voor de zaligheid van haar gesneuvelden man?...

Ellendige bekommernissen van nietigheden, die iemand den slaap benemen!... maar: ‘personne n'échappe à l'obsession de la maison voisine,’ zegt ergens George Sand.

Dinsdag 29 Mei '17.

Er is een vierjarig kind vermorzeld, er zijn talrijke personen gekwetst gedurende den laatsten bomaanval op St. Denijs. Veel soldaten ook

[p. 583]

wordt er beweerd. - Dat weet niemand met zekerheid. In een villa, waar als elders al de ruiten waren uitgeslagen, namen dadelijk Feldgrauen hun intrek... Zou er wel ooit een huis ledig blijven staan? De groentevrouw heeft aan de meid vertrouwd, dat ze de doode hen tegen een goeden prijs aan een dame heeft verkocht!...

1 Juni Vrijdag '17.

Een oorverdoovende knal wekte mij gisteren avond uit den eersten, zwaren slaap. Heel de noorderhemel was bloedrood net als bij opmerkenswaardigen zonsondergang, van uit mijn ramen zag ik het. Bons op bons weerdonderde, heel het uitspansel was éen bombardement.

De meid kwam in mijn kamer geloopen.

‘Het zal wel best zijn, dat wij beneden gaan,’ zei ik, zonder de geringste ontsteltenis, wat aanstekend werkte en maakte dat zij ook haar kalmte behield.

Ik nam in haast een paar sjaals mede. Op de trapzaal - langs den zuidkant - scheen de nog niet volle maan uit een schier daghelderen hemel op het graspleintje, dat als verzilverd glom; ze blonk op het zink der platteformen en teekende de lijnen der dakgoten in lichtstrepen af...

Een heerlijk-pure zomernacht!

‘It is a moment only for the good!’ lispte++ het in mij Byron na... ‘en de menschen schieten moordend op elkaar!!’ Beneden in de suite waren langs elken kant de blinden toe, het was er vatbaar zwart. Tastend vond ik een stoel.

‘Waar zijt gij?’ tot +Suzanne.

‘Hier,’ antwoordde zij, wat mij geen duidelijk bescheid gaf.

Maar nu kwam 't mij voor, dat ik toch iets witachtigs zag schemeren: haar slaaphemd zeker: ‘Hebt ge een doek om ten minste?’

‘Neen, neen, ik heb geen kou,’ maar ik hoorde haar tanden klappend sidderen. Ik hield een mijner sjaals op goed geluk uit en voelde onzekere vingers die naar hem+ grepen. ‘Ontsteek gas, al is 't verboden.’

‘Er zijn hier geen stekskens (lucifers),’ zei ze. En boven onze hoofden, in 't bulderend, ondoordringbaar duister, was het een hevig kruisvuur door het hemelruim: doffe verre slagen, ontploffingen, zoo dicht bij, dat de grondvesten der woning dreunden en de gesloten deuren geschud werden onder het aanhoudend luchtgedaver.

Eensklaps storten glasscherven neer. Ze komen van de aanpalende serre. Er zijn al lang veel ruiten gebarsten. Vallen ze nu van den weerbots der knallen of is er een stuk shrapnell ingeslagen?

[p. 584]

Wij zullen 't morgen zien.

Wij wisten toen niet juist hoe laat het was. En ik begin te berekenen welk half uur - éen klop - daar zoo even op de pendule 't jinkte toen ik op de trapzaal uitkeek, helde de maan reeds naar het westen toe. Enkele starren van eerste grootte alleen, als kleine lichtstipjes waren te zien: Regulus uit den Leeuw niet heel verre meer van den horizont; Arcturus en Spica deze uit het sterrenbeeld van de Maagd in den Dierenriem; zij gaat immers op éen Mei om 9 uur aan de middaglijn voorbij. Ze is er over; de weegschaal - heelemaal onzichtbaar thans - kan er nog niet aan wezen... laat zien: het moet half elf zijn geweest.

Inderdaad, later sloeg het elf.

Er was een schorsing van geschut ontstaan. Toch bleef ik nog beneden, als bij ingeving gewaarschuwd dat het gevaar niet over was. En weldra herbegon het ploffend, krakend ontzettend lawaai, geweldiger dan te voren. Om twaalf uur hield het bijna op.

Het geklepper van de vliegers verwijderde zich. In de verre verte nog door hun vervolgers nagevuurd met doffe en immer doffer schoten.

Terug naar bed. Geen slaaplust meer of beter gezegd lust genoeg maar zonder goed gevolg: Kanon, kanon! dreunend op groote afstand en...

Gedurende heel dat uur van elf tot middernacht was er niet het minste menschengerucht verneembaar geweest. Akelige levensstilte bij verdelgend bommenwerpen en afweergeklets.

Een stuk ijzer - niet groot - scherp getand, lag heden op het grasplein, het heeft een ruit op de serre gebroken en is daarop naar beneden gerinkeld langs het glas. De kinderen spelen met opgeraapte stukken metaal op de straat.

Het is tien uur, - smorgens - terwijl ik dit schrijf wordt er opnieuw geschoten, knal op knal naar vliegeniers - dood-en-verwoesting-aanbrengers.

Een groote troep soldaten trekt op naar 't front. Oorverdoovend klaroengeschal, dat voorafgaat, moet beduiden, dat zij onverschrokken het vuur te gemoet trekken.

2 Juni Zaterdag, '17.

Heden komen in de kranten de namen voor van de slachtoffers te St. Denijs.

Een dezer dagen is Hindenburg in Gent geweest en heeft te Drongen gelogeerd, op het kasteel, dat paalt aan 't buiten mijner nicht. Heel den

[p. 585]

dag waren soldaten vlijtig bezig met het besproeien van den zandweg, die voor den eigendom ligt. Er zijn daar wel zestig officieren van hoogen, zelfs prinselijken rang ingekwartierd, verzekert men.

De prijzen der gebruiks- en eetwaren stijgen niet alleen met den dag, zelfs met het uur: zoo stond gisteren morgen een stuk sunlightzeep - of een nagemaakt - 3,40 in een raam uitgestald, 's namiddags kostte het 4.10. De zeepwinkels zijn ontelbaar; die handel moet winstgevend wezen: in groentewinkels, kruidenierswinkels en tot bij de goudsmeden wordt zeep verkocht. Een kilog. - gedecoreerd met den naam van zeep - bruine - kost twaalf frank en lost in 't water op zonder dat het noodlot haar de genade verleent van ietwat in schuim over te gaan.

Een kilog. cacao wordt zestig frank betaald, macaroni 17 frank. Iedereen klaagt over de schaarschheid van het vleesch, voor geen geld meer te krijgen. Wie belust is op een malsche rat kan ze op de markt koopen ten prijze van 3.50 frank.

Ik heb door een bijzondere gunst een pasport gekregen om eens naar Nevele en verscheidene malen naar Drongen te reizen. Op den vooravond van mijn uitstapje naar Nevele moet er bij de wacht te Drongen melding van worden gedaan. Het is juni en sedert maanden heb ik het veld niet meer gezien; die kleine verplaatsing neemt de evenredigheden van een reis rondom de wereld aan.

Mij wordt verzekerd, dat ik een pasport voor Holland veroveren kan... Holland! Hoe onvergetelijk is de indruk van onze aankomst in den Haag op 24 November 1915! De herinnering aan zulk een liefderijke ontvangst is wel hartevoedsel voor veel jaren lang.

Maandag 4 juni '17.

Om half twaalf van den nacht luchtgedonder bij hellen maneschijn. Het gaat er zoo verwoed toe, dat hoe onaantastbaar voor schrik ge u voelt, het wijste+ is toch een verdieping lager te trekken.

Hoor, daar beginnen de mitrailleuzen hun partij te spelen in het oorlogsconcert: wat een aanhoudend knapperen, het schijnt in de onmiddellijke nabijheid te zijn: waarop gelijkt dat toch? Ik heb het gevonden: het gerucht dat een zware sneltrein maken zou over de brug van den Moerdijk, die op heel haar lengte zou bezet wezen met rechtstaande ijzeren latten, die onder 't gewicht éen voor éen met verbazende vlugheid zouden vermorzeld worden...

Met onderbreking heeft het geschot tot na drie uren geduurd.

[p. 586]

Er zullen er niet veel van de bewoners zijn geweest, die niet in hun kelders zijn gevlucht. Van kelders gewagend; ik heb vernomen, dat de stad er maken moet voor het behoud van de hier vertoevende bezetting en de bewoners bij nachtelijke vliegersaanvallen.

Donderdag 7 juni 1917.

Het is mij gelukt een pasport te krijgen voor Nevele. In open rijtuig er gisteren naartoe om negen uur 's morgens. Hoe zonderling doet het aan de velden na zooveel maanden uitsluitende stadslucht ingeademd te hebben - de wijde, groene, vruchtbare velden van Vlaanderen weder te zien!

Het koren hoog, dichtgegroeid, staat in de aren; de aardappelen blijven ten achter, het steeds zeldzamer geworden vlas ligt op groote vlakten als een effen fluweeltapijt uitgespreid; de boomenkruinen hebben reeds de donkere tinten van het zomertij verkregen; veel ooft staat er op de bogerds. Helaas! Het valt in massa af. De hitte is zoo fel geweest, dat alles dreigt te verschroeien, indien het niet weldra regent. De oogst zal ‘aanslaan’ voorspellen de landbouwers, dat wil zeggen de vrucht zal klein, verschrompeld rijpen, voordat zij den behoorlijken wasdom verkregen heeft. Nog ligt de brug te Drongen in de Leie en degene te Nevele ook in de Vaart. Het is een treurige aanblik die verwoesting van ons land.

Verleden maandag is er te Aelter - twee uren gaans van Nevele - een luchtgevecht ontstaan. Ooggetuigen vertellen met gruwende bewondering, hoe indrukwekkend het schouwspel was: tal van vliegtuigen omsingelden elkander, zwenkten hoog en laag, kringvormig neerbuitelend, naderend en tijdelijk vluchtend onder de donderende knallen in het bliksemend wederzijdsch vuur. Het eene vliegtuig na het andere stortte regelrecht naar beneen, onder het beangstigend+ waarnemen der toeschouwers. Ze waren ten getalle van vier...

Met broeiende onweerslucht keerden wij voor valavond terug. Nu en dan dreunde er een schot op eenigen afstand uit de richting achter ons... Wat had het te beduiden? Wij wisten 't niet.

Aan al de halten van de buurttram stonden en zaten smokkelaars met zakken, korven en pakken bij zich. Bestoven, bezweet, rood, verhit, vermoeid zagen ze er uit, mannen en vrouwen, armoedig gekleed, sommigen barvoets, met de schoenen in de hand.

Daar waar de steenweg de spoorbaan doorsnijdt, staat een meisje met een vierkant pak, dat ze in de plooien tusschen haar rok houdt.

‘Zijn er markepakkers te zien?’ vraagt ze, blijkbaar beangstigd, aan een

[p. 587]

voorbijgaanden jongen, met een mand opgeraapt paardemest beladen.

‘Neen, dwaashoofd,’ antwoordt hij, ‘hoe schuwer ge u toont, hoe eerder, dat ge zult geknipt worden.’

Het rijtuig moet wachten om een trein door te laten. In al de wagens zitten en staan soldaten, dicht op elkaar gedrongen, reispakken liggen opeengestapeld.

Ach! Het was een aangename dag... en toch met een nasleep van diepen weemoed... een bewustzijn van algemeenen nood. Een ingeving van lust om zich te verschuilen, om te vluchten in de eenzaamheid van het gewone, afgezonderd leven in de groote stad, een leven, waar men niet aan mededoet: een stem zegt in uw binnenste: ‘Ge wildet naar Nevele gaan, ge zijt er geweest,... alles is goed afgeloopen, doch... keer er niet meer weder, zoolang de oorlog duurt.’

Vrijdag 8 juni '17.

Nu wordt het geweten, dat maandag drie duitsche vliegtuigen en een fransch in den strijd te Aelter zijn neergeveld.

Een auto met een krijgsgevangene is door Nevele gereden. Men beweert: een Franschman: andere zeggen een Kanadees. De burgemeester, omgeven van een menigte dorpsbewoners, die dezen vlieger vallen zag, meende eerst+ dat hij dood was. Doch hem ziende opstaan, riep hij in verrukking: ‘Bravo, bravo!’ nageëchood+ door het volk. Onmiddellijk werd de burgemeester (Goeminne, heet hij) in hechtenis genomen. Hij is naar Duitschland gestuurd. Aelter is gestraft. Ik weet niet hoe.

 

Bij een der laatste vliegersaanvallen op Gent, is er een bom terechtgekomen in het tuintje van den pastoor van het Klein Begijnhof en wel op de plaats, waar hij eenige seconden te voren voorbij kwam. Al de ruiten van zijn huis, langs den tuinkant, zijn uit. Elders is er ook nogal ruitenschade in de stad, er zijn een of meer dooden en zwaar- en lichtgekwetsten.

Maandag 11 juni '17.

Al het fruit is opgeëischt en moet eerstdaags aan de bezetting afgeleverd worden. Het gerucht loopt, dat de haven van Oostende door de engelsche en japansche vloot erg beschadigd is en dat de helft van Brugge plat ligt.

Veel treinen met gekwetsten komen hier toe. Groote houten barakken worden op 't speelplein van 't Park opgetimmerd. Ettelijke zalen in 't bur-

[p. 588]

gerlijk hospitaal zijn ontruimd, ten behoeve van?... Het groot Klooster - meisjespensionaat - Doorezele genaamd - is ook ledig en wordt, men weet niet of voor lazaret of voor vluchtelingen ingericht. Een dame van de St. Denyslaan is als enkele anderen met haar dienstplichtigen zoon naar Schotland gevlucht. Sedert sept. '14. Haar villa werd dadelijk door soldaten ingenomen. In den tuin heeft de vijand - misschien een jaar geleden - heel groote kelders laten metselen, waar, naar vermoed wordt, buskruit en allerlei munitie ligt. De bom heeft op eenige schreden afstand van de plaats een diep gat in den grond geboord.

 

De gemeente Drongen heeft tafelgerief en kunstzilver moeten aankoopen voor den dienst der hooge personen - de General Stab van 't zesde leger, - die in 't kasteel van baron Casier is gelogeerd.+

Degenen, die op den doortocht wonen van de krijgsambulanciën naar 't kerkhof van de Brugsche poort, zien toch in tegenstrijd met wat ik vernam dagelijks begrafenisstoeten voorbijtrekken: een soldaat vooraan, dan de rouwwagen, begeleid langs elken kant door zes soldaten. Tuilen en kronen liggen vaak op de kisten. De oude man - Amelies echtgenoot - uit de Prosper Claeysstraat - die sedert verleden Nieuwjaar met een gebroken dijbeen in het gasthuis lag, is weggezonden. Er is geen plaats meer voor genezende zieken.

Hij kan nog niet loopen, zijn vrouw moet hem zoo goed of zoo slecht als 't gelukt uit het bed helpen. Ze kwam 't mij melden dezen morgen.

Eenige dagen geleden van den tram afgestapt aan 't station van St. Pieters, trad ze den weg aan naar haar woning over 't Maria- Henrietteplein. Ze had er geen acht op geslagen, dat gekwetsten uit aangekomen treinen in ambulance-wagens werden geplaatst. Een gendarm rende op haar toe, snauwde haar aan: ‘Langs daar niet!’ en gunde den tijd niet om zich weg te haasten.

Hij gaf haar een stamp, dat ze met het gelaat op den mosaiekvloer tuimelde en gekneusd aan verscheidene lichaamsdeelen door voorbijgangers werd weggeleid. Een dezer kreeg voor die hulp een slag op het been met het plat van de bajonnet, dat hij hinkte.

Mijn dokter deelde mij mede, dat hij onlangs, de kade van 't Moederhuis volgend, een oud armoedig gekleed ventje in 't midden voortsukkelen zag. Een auto kwam snel aangerold; de inzittenden, officieren, riepen: ‘Uit den weg, uit den weg!’

Het baasje, misschien doof, ging maar altijd door. De auto moest ver-

[p. 589]

tragen... geheel inhouden.

Toen stond een kolonel of generaal - te oordeelen naar zijn galons en eerelinten - op en deelde met forsche vuist een paar stokslagen op den rug van den ‘schuldige’ toe.

Deze viel, de auto zwenkte zijds vooruit. De dokter hielp het ventje op:

‘Wie zijt gij? Hebt ge u zeer gedaan, waar gaat ge naartoe?’ Hij schreeuwde 't luid aan zijn oor.

Verwond? Neen, gelukkiglijk, doch zenuwachtig, bevend van ontsteltenis: een behoeftige uit 't Oudmannenhuis:

‘Pas op, baasken, houd u dicht naast de muren, ga niet zoo meer in 't midden van de straten.’

Er kwam geen antwoord uit dan:

‘Och Heere, och Heere toch!’ terwijl de grijsaard als duizelig voortstrompelde.

Dezelfde heer was er ook getuige van dat een officier, zijn onwilligen, heel grooten hond op de straat kastijdde door hevig, herhaaldelijk met de vuisten op de oogen te slaan van het dier, dat erbarmelijk jankte. - Dit feit moet een uitzondering wezen, want gewoonlijk schijnen de Duitschers liefderijk met hun honden om te gaan.

Heel de stad loopt vol van verpleegsters in 't grijs met het witte mutsje en den mauve of zwarten sluier op den rug, en burgers met een band van zwart wit en rood op den arm.

Er zijn oefeningvliegers gevallen, niet ver van 't Arsenaal. Ze zijn met hun gevaarten tot pulver opgebrand, onder de niet te vermijden blikken van aldaar voorbijgaanden.

De 5den dezer is hier in de Schijfschieting een timmerman van Landskouter door den kop geschoten: ‘misbruik van wapenen,’ heet het op 't uitgeplakt vonnis.

Op 13den dezer is te St. Denijs een werkvrouw begraven welke, in een brouwerij aan 't werk zijnde, door een bom werd gedood. Ze laat zeven minderjarige kinderen achter en was weduwe. Ettelijke andere personen werden aldaar insgelijks gekwetst.

Een paar nachten geleden heerschte er een onbedarende grommeling in de verte: Kortrijk, dat gebombardeerd werd, loopt het gerucht.

Al het koper opgeëischt wezend, zoo moesten ook de beroepsplaten in beslaggenomen worden.

Het was een erbarmelijk schouwspel op alle deuren en groote poorten, die nagelaten ruw houten vierkanten te zien met de diepe gaten der uit-

[p. 590]

gedraaide schroeven als een aanklacht van geweldenarij op machteloozen gepleegd. Veel beter is de aanblik nu niet: het heeft iets zoo armentierig, die vervangingsplankjes aan te kijken, geokerd of met andere waterverf geel gekleurd en dofzwarte letters daarop, naam en hoedanigheden der bewoners aankondigend. Olieverf is hier niet veel meer te krijgen, andere bestanddeelen evenmin.

De buis van de keukenkachel was te mijnent kapot. De smid verscheen, stond met het ros, afgebrokkeld stuk ijzer in de hand en schudde mismoedig het hoofd: ‘Niets mee te doen,’ verklaarde hij:

‘Welhoe een nieuwe buis?’

‘Wij mogen geene maken.’

‘Dan er wat aangezet.’

‘En waar het noodig ijzer te krijgen?’ Hij was zoo geërgerd, dat het onbewust klonk als een verwijt aan mij.

‘Wij mogen geen genoegzaam gas verwenden en kunnen geen vuur meer branden in die kachel. Wat er mede te doen?’

‘Wat doet een ander?’ vroeg hij barsch. Hij stond daar als een athleet: gezet, breed, forsig, vuilzwart in 't aangezicht. ‘Toe kom, man, zoek een middel, ge zijt sinds zoolang gewend hier te werken,’ vleide ik. De meid jammerde: ‘Hoe moet ik nu het eten koken!’

‘Kook niet,’ snauwde hij haar toe.

Welk een stouterik!... Maar hij had zich bedacht, steeds het voorwerp van 't geschil in de handen bekijkend en heen en weder bewegend.

‘Ja,’ stelde hij voor, ‘indien ik de achterplaat van de kachel wegneem, het geheel om de helft verklein... het versleten deel wegneem... zoo, zou 't kunnen gaan.’

En het geschiedde naar zijn woord.

 

Oorlogsprentje:

 

‘Stovehout! Stovehout!’ riep onlangs een schrille kinderstem langs de straat. Suzanne hoorde 't niet. Er mocht geen tijd verloren worden bij zulk een buitenkans. Haastig opende ik zelve de voordeur. Juist werd een handkar in 't midden der straat voorbij gestooten.

Op een wenk van mij schoot de voerder toe. Het was een twaalfjarige jongen met een fijn, opvallend-wakker aangezicht. Hij liep barvoets en had voor alle kleedij niets aan dan een grauw linnen hemd en een grauwlinnen broek. Zijn bloot hoofd was kort geschoren.

[p. 591]

‘Hout?’ vroeg hij.

‘Ja, jongen.’

Met handigen greep, vlug als een kat, trok hij een tot boven toe gevulden, en met een touwtje toegesnoerden zak brokkelingen neer en zette dien op de stoep.

‘Hoeveel?’

‘Twee frank vijf en zeventig of twee frank vijftig den zak,’ zei hij, als ik bij elken een boterham krijg.’

‘Hebt ge honger dan?’

Die bedinging opende horizonnen van nood, treffender dan de bitterste klacht;

‘En wat hebt ge 't liefst: de vijfentwintig centimen of de boterhammen?’

‘De boterhammen,’ zei hij zonder aarzelen. En hij gaf de verklaring: ‘Ge moet weten, dat ik vandaag nog niet gegeten heb.’

‘Vanwaar komt ge?’

‘Van over Gentbrugge, meer dan een uur van hier.’

Die kleine jongen was al een sluw handelaar: ‘Koop veel,’ ried hij aan, ‘want er is schier geen hout meer te krijgen, koop alles, wat er nog op mijn kar ligt.’

De meid was intusschen bijgekomen: ‘Hoeveel weegt zoo een zak?’

‘Wel twintig kilog.’ loog hij, den zak eens met schijnbaar groote krachtsinspanning opheffend en neersmakkend.

‘Hoe durft ge 't zeggen!’ verweet zij hem.

‘Toch wel tien,’ beweerde de kleine guit, in eens tot de helft afdalend.

‘Hoogstens vijf of zes, deugeniet.’

Hij lachte eens met sprankelend vernuft in de oogen: ‘Waar moet ik de zakken dragen?’ vroeg hij, recht op zijn doel af.

‘Boven.’ Ze ging hem voor, en bleef boven tot hij er een drietal - een telkens - had aangebracht. Ik wachtte in de gang.

Toen kreeg hij van haar 't verschuldigde en de boterhammen. Het was wel waar, dat hij honger had: zoo gulzig en zoo diep beet hij in het brood, met de vrije hand zijn ledige kar de hoogte opsjouwend.

Woensdag 20 juni '17.

Ik ben ziek, zenuwziek in hooge mate: ‘Kalmte, veel slaap, geen ontsteltenissen, geen bekommeringen,’ zeggen de dokters - want ik heb er twee, de huisdokter en een specialist.

[p. 592]

‘Rust, kalmte.’

In dezen beroerden tijd! Ha ha ha!...

‘Welk is de oorzaak mijner kwaal?’ heb ik gevraagd - waarom het vragen? Ik weet het zelve wel!

‘De huidige levenstoestand,’ anders niet’ luidt het antwoord.

Ziehier het schetsje van een oorlogsnacht: doodvermoeid word ik gedrongen vroeg naar bed te gaan. De wijzer duidt een kwart over negen aan. Dus in waren tijd moet het ongeveer acht uur wezen. Nog is het dag, een verduisterende dag, die allengs wijkt voor de schemering en weldra gaandeweg voor 't donker plaats maakt.

Om elf uur is het zwarte nacht. Reeds meermalen onrustig op de chaise- longue gaan liggen.

Wat is het duister toch! Hoe onbegrijpelijk voor een korte zomernacht er brandt geen licht op de straat - de maan is in het laatste kwartier - het is reeds laat - over een drietal uren zal de morgenklaarte aanbreken. Waarom bleef er vanavond gedurende eenigen tijd toch geen ziertje naschitter van zonsondergang?

Het wonderlijkste van al is - als ik aan 't venster sta en omhoog kijk, - dat de hemel zoo helder is, als dat een enkele star er een lichtstipje in maken kan. Maar dat licht is als het licht der maan, die vlakke plaatsen beschijnt maar door geen hinderpalen dringt. Dit ook laat de kamer donkerzwart.

Kanondondering en echo's, die elkander hun akelige groeten zenden, doorbooren de ruimten ten allen kant...

Indien men insluimeren kon, al ware 't enkel voor eenige oogenblikken,... indien men de gedachten verjagen kon aan broedermoord, aan bloed, aan graf, aan wonden en aan doodsnood!

Treinen schuifelen naderend en verwijderend, treinen met gekwetsten, stervenden en gestorvenen.

Het slaat middernacht.

De zenuwaandoeningen zijn ten hoogste... ginds in de schuiflade ligt veronal... het verbruik er van is mij wel verboden... maar ik ben reeds opgestaan, ik tast naar mijn weg. Achter mij is het middenraam: omkijkend ontwaar ik het zwak in twijfelschijn afgeteekend tegen het zwart; hier de kleine lavabo. Mijn hand ligt er op, - vlak naast het ander raam staat de groote lavabo. In de bovenste schuiflade liggen de poeiers.

O geluk! Ik vind het doosje met lucifers; er steekt nog een stukje bougie in de kaarspan, een van een halven vinger lang.

[p. 593]

Het brandt. Alle voorwerpen worden zichtbaar, een levensopwekking gelijk een blijde tijding is!

Het gereed staand glas water - een groote pint - schittert als kristal+. De poeier wordt in een klein vol gevuld glas uitgeschud, omgeroerd en uitgedronken...

Maar... eensklaps weergalmen luide krijgszangen in mijn straat... ze naderen, stappen schrappen de steenen... soldaten, optrekkend naar het front.

Och, och, het is verboden licht aan te steken, moesten ze eens mijn deur instampen!... De kaars wordt uitgeblazen. Door den plotsen overgang schijnt het donker nog tastbaarder dan 't zoo even was.

Hoe vind ik nu mijn bed zonder aanstooten van meubels en stoelen?

Voet voor voet tot aan de chaise-longue; vandaar weet ik den weg, den Kalvarieweg, dien ik - bij slapeloosheid - zoo menigen nacht aantreed, heel recht voor mij dan door. Ik ben, ja zeker... aan 't midden raam, er zijn er drie...

En omkeerend met de handen vooruit treed ik op het ledikant toe. Ik ben er, meen ik. Neen, een bons, een rinkeling van gevallen voorwerpen: het staandertje+ met mijn horlogetje, het nederregenen van lucifers, het pintglas met water, dat neertuimelt en op den grond valt met een doffen klank, die wonder genoeg, aanduidt, dat het niet gebroken is, en... o het tafeltje, waartegen ik ben aangebotst, en dat in zijne rust verstoord, een reeks van bokkensprongen doet, doordat het zijn evenwicht wederkrijgt...

Ik voel de sponde, ik ben gered; maar heel de looper is doorweekt... niet lekker voor den blooten voet.

En ik verzink in de peluw met een lamme overgave aan levensschorsing en een oprecht - neen, een onoprecht - verlangen om nooit meer uit den sluimer op te staan.

22 juni '17. Vrijdag

Een dezer dagen gingen twee juffrouwen rond om geld in te zamelen voor een liefdadig doel, genaamd het ‘Half Kluitjes Werk.’ Ze belden ook aan bij oogmeester S. Hij zat in zijn kabinet, waar ze werden binnengeleid. Hij rees niet op. Een hunner meldde hem het doel der komst. Ze sprak Fransch.

‘Kent ge geen Vlaamsch?’ vroeg hij.

‘Ik ben gewend Fransch te spreken.’

‘Ha, ge spreekt Fransch! Zijt ge niet beschaamd voor de dochter van

[p. 594]

een vlaamschen notaris?’ zei hij en allerlei scheldwoorden vloeiden uit zijn mond. Hij was opgestaan en sloeg zijn vuist uit en trof in haar aangezicht. Een ongelukkige slag. Het bloed spatte uit haar neus. Hij moest het stelpen met een prop. De meisjes liepen de deur uit, de eene heel bebloed; in de hevigste ontsteltenis kwamen ze bij hun ouders aan. Op bevel van een gehaalden dokter moest de gekwetste te bed blijven. Een geding is ingespannen.

Voortdurend koud weder, geen zomer te krijgen, niets dat in het tuintje+ behoorlijk groeien kan.

23 juni '17 Zaterdag.

Volksbetoogingen hebben plaats gegrepen: werkvrouwen en eenige mannen doorliepen in stoet de straten, schreeuwend: ‘Eten willen w'hên!’ Er moet een afvaardiging hunner bij den burgemeester zijn geweest.

In de nabijheid van het Stadhuis zijn de manifestanten door de duitsche politie met helmhoed en blinkende borstplaten toegerust - brutaal verspreid geworden.

Nu is het volgend bericht aangeplakt:

Gent 23 juni '17:

‘Al wie deelneemt aan een samenscholing of een ophoop van menschen op de straten of plaatsen wordt bestraft met gevangenis tot vijf jaar, zoo volgens de algemeene strafwetten geen hoogere straf zal worden toegepast.’

De Etappen-Kommandant

Von Wick.

Eigenaardige verschijnselen doen zich voor in de betrekkingen tusschen meesters en dienstboden. Vele dezer zijn op een beduidend minder maandloon gebracht, andere; die te doen hebben met vrijgevigen of personen, wier inkomen door den oorlog niet verminderd is, blijven evengoed bezoldigd. Tevens verkeeren ettelijke meesters in een benarden toestand: zij hebben hun waardijen gedolven of op vaste schuilplaatsen verstopt; hun voedselvoorraad ergens ingemetseld of onder den plankenvloer verborgen. Zulks geschiedt doorgaans niet zonder de hulp of de bespieding der bedienden. En nu gebeurt dit: een knecht komt den zondagavond dronken thuis. Eertijds kreeg hij een vermaan, zoodra hij 's

[p. 595]

anderdaags nuchter bevonden werd. Schuldbewust moest hij het hoofd buigen, dorst den mond niet opendoen.

Maar thans: wee den heer of de dame, die het wagen zou een aanmerking daarop te maken!

Verklikking! de Kommandantur! dat schrikbeeld van een ieder! Dreigement van inbeslagneming, boete, gevang!

Het eerlijkheids betwijfelen eener meid wordt zekerheid, de eieren verdwijnen uit de schrapaai of de hennen schijnen niet meer te leggen... de boter, nu buiten prijs - slinkt bij oogenzien en spreken durft de huisvrouw niet. Waagt zij het en heeft ze het te doen met een onbeschoft schepsel, zoo krijgt ze voor antwoord, dat ze maar te zwijgen heeft want+‘Anders!...’

En ze zwijgt, de dame, ze verkropt hare verontwaardiging en hare gramschap, in haar afhankelijkheidsbewustzijn.

Donderdag, 12 Juli '17.

Te Nevele bevinden zich veel bewoners van Meenen - vluchtelingen - sinds eenigen tijd. Op bevel hebben zij hun stad verlaten, zijn bij boeren en burgers ingekwartierd, arm en rijk, met niets aangekomen dan een pak of een klein reiszakje. En nu kwam een tweede bevel, dat zij allen wegmoeten. Waarheen? Dat weet niemand. Proviand voor twee dagen zullen ze hoeven mede te krijgen.

Verleden vrijdag ben ik naar Drongen gaan logeeren. Koud regenweêr. Aan den ingang van het buiten komt een ordonnans toegeschoten, neemt het weinig reisgoed, dat ik medeheb en reikt de hand om uit de victoria te stappen. Er zijn daar hooge officieren gelogeerd geweest. Een ordonnans blijft er voorloopig. De onbruikbaar gemaakte telefoontoebehoorten liggen onder het bed in de kamer, waar ik slaap, een bewijs, dat de wederkomst van den vijand wordt verwacht. Twee paarden staan er nog op stal: een hanoversch en een trakène.+

Later spreek ik eens met dien ordonnans, Ignatz, welke mij die paarden toont en de kenteekens van hun rassen aanwijst. Hij is van Posen, eenvriendelijke, zeer beschaafde, jonge man, soms zit hij in de keuken bij de meiden en den koetsier en - naar ik uit hun gesprekken opmaak - treft het mij weder, hoe goed de Duitschers en de Vlamingen elkanders taal verstaan.

De vrouw van den tuinman komt van de kom van het dorp - een halfuur gaans tot daar. Ze heeft er een paar uren moeten hare beurt afwach-

[p. 596]

ten tot het verkrijgen van 't wekelijksch rantsoen vleesch. Ze toont het op een papiertje: een klein stukje: waarvan de helft knokken. Het kost 0.48 centimen en dit voor haar, haar man en twee aankomende zonen; dat dient voor een gansche week.

Den zondagmorgen rijd ik terug naar de stad. Onderweg ligt een deel van een aardappelveld heel verwoest. Al de vruchten gestolen - onvolwassen nog. De eigenaar had 's nachts gewaakt, maar was te vroeg naar huis gekeerd. De dieven waakten ook. Er wordt verteld, dat schurken met scharen het koren afknippen uit haat tegen de boeren. Er zijn in 't geheim nieuwe aardappelen te koop. Ze kosten twee frank den kilog.

Heel de Albertlaan stond dezen morgen vol opgeëischten met hun armzalige pakken op den rug, bestemmelingen voor dwangwerk,