[p. 1]

Sophie.

Eerste deel.

I.

Moeder lag op sterven.

De twee dochters stonden bij het bed.

Dat was zoo geheel in eens opgekomen. Gisteren was zij nog gezond en frisch. Het was van ouderdom niet - negen en vijftig - en nog nooit was ze ziek geweest. De slag trof onverwachts.

Zij lag in de achterkamer van haar klein, net huis te Zompelgem, met het venster op een kiertje en de bedgordijnen wijd vaneengeschoven. Hare ademhaling was moeielijk, haar aangezicht zeer rood, haar mond half open; de tong scheen verlamd. De oogen waren gesloten: het was gedaan met moeder.



[p. 2]

‘Gedaan, gedaan!’ huilde de oudste, getrouwde dochter, Camille, in wanhoop de handen wringend terwijl de tweede, Sophie, sprakeloos hijgde en hare smart onderdrukkend, strak op de stervende nederzag; tranen rolden over hare wangen.

‘Zoo snel, zoo onvoorziens!’ zuchtte zij.

Camille wierp zich op de knieën; zij sloeg met geweld haar hoofd tegen de sponde, zocht den klammen pols onder de deken en kreet:

‘Moeder, moeder, hoort ge mij?’

Neen, moeder scheen haar niet te hooren.

‘Och God, och Heere!’ riep zij, weder rechtspringend uit, en stak hare armen in de hoogte.

‘Maar bedaar toch,’ bad Sophie stil, haar in het middel vastgrijpend, ‘indien zij u hoorde, hoe zou het haar ontstellen op dit oogenblik!’

Hare oudere zuster ging echter voort in het uiten van weeklachten, nu eens rechtstaande, met de twee ellebogen op het kasken geleund, dan met hangende armen op eenen stoel neerzinkend, en het hoofd op de borst gezegen, die door hevig snikken werd geschokt.

‘Toe, Camille, toe, wees redelijk,’ smeekte Sophie, de hand op haren schouder leggend.

In het kamertje, waar zij zaten, stonden meubelen van verschillende waarde: de stoelen en het bed getuigden van vroegeren welstand, terwijl het

[p. 3]

overige juist geen tegenwoordigen rijkdom scheen aan te duiden. Buiten den fijn gebeeldhouwden Christus op de schouwplaat, was er alles als bij zeer geringe lieden, van het kleinere kruis, dat nevens een wijwatervat met palmtakje op de nachttafel stond, tot de gekalkte muren, de pleisteren Lieve-Vrouw en de versleten mat.

Eene reutelende ademhaling, na eene poos der onheilspellendste stilte, deed Camille zich met kracht uit de armen harer zuster losrukken, en de twee vrouwen weer naar de sponde ijlen.

De stervende opende de wimpers, sloot ze nogmaals, verroerde de lippen, scheen te willen spreken, doch vermocht het niet.

‘O moeder!’ zuchtte Sophie, met de tranenvolle oogen ten hemel geslagen: zij geleek op het beeld der Maria Magdalena onder het kruis, zooals de meesters der schilderkunst ze ons voorstellen.

‘Moeder, moeder, spreek toch,’ schreide de andere, ‘ik ben het, uwe oudste dochter, Camille, o gij moogt niet sterven, neen, neen, ik heb u lief,’ en zij vatte de slappe hand in hare beide handen en drukte ze op heur hart, ‘moeder, bezie mij nog eens als daar zoo even, spreek één woord, één enkel woord van liefde, zeg, dat ge mij bemint... moeder, vergiffenis!’ kreet zij met halfgesmoorde stem.



[p. 4]

Helaas, er komt een oogenblik, dat zelfs eene moeder op den klaagtoon van haar kind niet antwoorden, en geene vergiffenis meer schenken kan!

Vergiffenis had zij gevraagd, dit werd een lichtstraal voor Sophie: het was wroeging, wat hare zuster het meest kwelde op dit oogenblik, wroeging, omdat zij hare verarmde moeder verongelijkt, en achteraan had gezet.

Het was hier de plaats en het oogenblik niet om verwijten bij het zelfverwijt te voegen, en Sophie vond in al hare smart nog woorden van troost:

‘Indien moeder spreken kon, zou zij u zeggen, hoe lief zij u heeft, hoe zij ons beiden steeds heeft liefgehad,’ snikte zij sussend.

De andere sprak niet meer; zij weende niet meer; hare oogen stonden strak en stijf; hare ademhaling was gejaagd....

Sophie zag haar met onrust en bevreemding aan. Och God, indien Camille eens krankzinnig werd! Jaren geleden, toen haar oudste zoontje gestorven was, had zij een korten aanval van waanzin gehad... zoo de onverwachte slag van moeders dood hetzelfde uitwerksel hebben moest? twee rampen in plaats van ééne!...

Intusschen verroerde de stervende niet. Zweetdruppels parelden op haar voorhoofd, Sophie wischte

[p. 5]

ze af en zich naar hare neergeknielde zuster buigend, vroeg zij fluisterend:

‘Weten de kinderen het?’

Dit was het sein tot nieuw en onstuimig misbaar:

‘De kinderen!’ kreet Camille, rechtspringend, ‘mijne kinderen, Valentine en Emilie en Louitje, o zij moeten bij grootmoeder nog eens komen, zij moeten ze zien sterven ten minste!...’ en woest ijlde zij den huize uit.

II.

In het midden van den grootsten storm komt soms een oogenblik van bedaren, als hadden de elementen hunne woede uitgeput, als moesten zij eene poos rusten, aleer met vernieuwde kracht en heviger dan te voren los te breken.

Zoo ook in het menschelijk wee: de geweldigste uitingen der smart, het vlijmendst besef van lijden kan door eenen stond van gevoelloosheid worden opgevolgd. Is deze schorsing noodzakelijk tot ons voortbestaan; is zij eene voorzienigheid der natuur, waardoor onze krachten gespaard worden, of eene harer gruwzaamheden te meer, het ondraaglijk pak vluchtig van onze schouders op te heffen om het er nog verzwaard weder te laten op neervallen?



[p. 6]

Ik weet het niet.

Sophie was alleen bij de stervende gebleven. Zij blikte machteloos neder op dat ontstoken gelaat. Zij hoorde den adem grollend opkomen en met nagenoeg gelijke tusschenpoozen achterblijven; zij hoorde het uurwerk tikken in de plaats daarnevens, en de brandende lichtmiskaars op het voutkamertje knetteren; zij hoorde zelfs eene vlieg tegen de ruiten aangonzen. Het was als hadden al deze geruchten hetzelfde gewicht, dezelfde beduidenis, of beter gezegd, als hadden zij er altemaal geene. Zij hoorde en zag alles; zij voelde niets meer. Zij had zooveel geleden sedert den morgen, zooveel geweend, dat haar lijdensvermogen en hare tranen voorloopig waren uitgeput.

Deze toestand heeft iets verschrikkelijks: het is de kalmte in den storm; het is het krachtenverzamelen voor nieuwe en eindelooze smart.

Wee hun, die hem kennen!

Zij sloot de oogen en zat roerloos, als versteend; doch haar overspannen geest verkreeg eene wonderbare helderheid, die haar later onbegrijpelijk voorkwam, eene soort van tweede ziensvermogen. Heel het verledene ontrolde zich vóór haar; de beelden volgden elkander pijlsnel, afwisselend, doch duidelijk en kleurig als in eenen spiegel op:

Zij zag het grootere huis, dat zij te Ploegvelde

[p. 7]

bewoonden, den schoonen tuin vol bloemen met dichte struikgewassen in den achtergrond, het blatend schaap op het grasplein; zij zag al de bedrijvigheid van den handel achter en nevens de woon: steenen lossen en binnenbrengen uit schepen, die in de vaart lagen; groote voeren bouwmaterialen onder de wagenpoort wegrijden; kalk stuiven; wit bepoederde werklieden dooreenwemelen; vader van de eene groep naar de andere gaan, bevelen uitdeelen of misnoegde gebaren maken; modder, boeren, honden, kruiwagens, karren op het voorhof; groote stukken arduin, waarop zij en Camille, onbemerkt van de ouders, des zondags speelden; varkens- en paardenbakken en drempels, ook in arduin, te allen kant opeengestapeld. Zij herdacht het schoolgaan met Camille; den welstand in huis; de beurzen vijffrankstukken, die vader klinkend op de tafel uitgoot; de bergen kopergeld, waar moeder kardoezen van maakte. De meid, de knechts in de keuken, zij zag ze als in levenden wezen; daarna het pensionaat en later de normaalschool van Veldt. Zij herinnerde zich het verlangen om moeder en vader weer te zien, de vreugd als een van beiden kwam, de nonnen, de leer- en speeluren, de gezellinnen - eene bijzonderlijk: Bernardine Tingels, eene rijke boerenjuffer, die pensionnaire was in het gesticht, - ze lag nu ook op sterven....



[p. 8]

En dan verrees voor het oog harer verbeelding een tweede tijdvak: het schielijk overlijden van vader, terwijl zij van huis waren; haar terugkeeren; de droefheid, de leemte, de stilte, de groote poort gesloten; geene bedrijvigheid meer; onduidelijk besef van naderenden ondergang als onweerswolken in de lucht, welke den adem beklemmen en een onaangenaam gevoel van onbepaald lijden doen ontstaan, waarvan men niet aanstonds de oorzaak kan raden; bekommernis van moeder, menschen met rekeningen; vervolgens de deurwaarder; een notaris, telkens met haar alleen in de kamer trekkend; de komst van een prijzer. Zij wist toen nog niet recht, wat het beduidde, zij was te jong, maar begreep toch, dat het niets goeds voorspelde. Daarna de verkoop van al de eigendommen, en eindelijk weer wat opheldering aan haren levenshemel: de ramp was minder groot, dan elk vermoed had, er bleef genoeg over om te leven in een kleiner huisje. Het geld werd door bemiddeling van den pastoor op hoogen interest geplaatst.

Camille was jong door de fortuin begunstigd: zij was nog geen twintig jaar, toen Jozef Monteine haar ten huwelijk vroeg. Hij was brouwer te Zompelgem, en rijk. Sophie bleef met moeder alleen, want zij had aan haar voorlaatste examen zijnde, hare studiën in de normaalschool moeten opgeven, om weer naar

[p. 9]

het dorp te komen. Thans was het stil en vreedzaam in huis; want Camille had een moeielijk karakter: ze was niet boos van inborst, maar overdreven in alles, stout tegen moeder soms. Waarom had zij na vaders dood de zaken niet voortgezet; waarom zich tijdens zijn leven niet op de hoogte van het bestuur gehouden; waarom heel den boedel voor niemendal uit hare handen geworpen?...

Onnoodige verwijten, die moeder weenen, en Sophie, gedurende haar verblijf in de vacantie tehuis, bedarend tusschenkomen deden:

‘Zwijg, Camille, laat het verleden rusten, alles is gedaan om wel te doen,’ en Camille zweeg dan en had spijt over hare haastige woorden.

Nog immer tikte het uurwerk in de keuken; nog immer brandde de lichtmiskaars in de voutkamer; nog immer ging de adem der stervende traag en zwaar; nog altoos zat Sophie onbeweeglijk, en dwaalden hare gedachten buiten haar weten en willen van het tegenwoordige af.....

Een gerucht van binnenkomenden aan de voordeur deed haar opschrikken, en bracht haar tot het besef der werkelijkheid terug. Zij sprong recht, zij drukte de hand op het voorhoofd van moeder, de andere op haar eigen hart: de stilstand was voorbij, de storm daarbinnen hernam met hevig woeden...



[p. 10]

III.

Een priester kwam met rasse schreden van den eenen kant der straat naar het huisje der stervende, terwijl van de tegenovergestelde zijde twee mannen naderden. Zij waren juist allen gelijktijdig aan de deur; de eene was Jozef, de schoonzoon der weduwe: bruin van aangezicht, gezet, breed van borst en vlug in zijne bewegingen, met het voorkomen van eenen buitenheer in dagelijksche, eenigszins slordige kleederdracht. Zijn gezel was een man van jaren, fatsoenlijk van houding, recht nog en flink. Zijn aangezicht was frisch en rood, en zijn haar - want hij had den hoed afgenomen - krulde hoog, dik en sneeuwwit boven zijn voorhoofd: het was meester Ottevare, de onderwijzer van Zompelgem.

Hij opende de voordeur, die, naar landelijk gebruik, slechts op de klink stond, boog ootmoedig en trok zich achteruit, om den priester te laten binnengaan. Jozef wachtte eveneens met de klak in de hand, en was al zijne onbevangenheid kwijt. De geestelijke waardigheid geeft overal recht tot den voorrang: het was dus heel natuurlijk, dat de priester zonder plichtplegingen, de twee mannen groetend, eerst in het huis trad. De

[p. 11]

grijsaard en de brouwer volgden hem, doch niet verder dan in de voorplaats, welke tot keuken of woonkamer diende. Als een geestelijke kranken bezoekt, zou geen der huisgenooten zich verstouten bij het bed te blijven, veelmin een vreemde of aangetrouwde er hem heen durven vergezellen. Zij stonden dus te wachten en leenden het oor aan het gerucht in de kamer, of spraken zachtjes uit eerbied voor de kranke, doch evenzeer uit ontzag voor den priester.

Ook Sophie, zoodra ze dezen in het deurgat bemerkte, maakte eene beweging om het sterfbed te verlaten, doch terwijl hij op de teenen naderde, deed hij haar een teeken met het hoofd en de hand, dat ze blijven mocht.

Het was een kloeke, groote man. Zijn schoon gelaat getuigde van zielskracht, zijn wakker oog van schranderheid, zijne gebaren waren zacht en deftig. Zijn donker kroezelhaar begon te spikkelen; hij was niet zoo jong meer, als men van eenen hulppriester vermoeden zou: want het was de coadjutor van het dorp, mijnheer Angelman, de biechtvader der stervende weduwvrouw.

Des morgens in allerijl geroepen, had hij haar buiten kennis gevonden, en enkel het Heilig Oliesel kunnen toedienen.

De angstige dochter zag hem vragend aan; doch

[p. 12]

zijn blik ontmoette niet den hare: blijkbaar was hij meer met de ziel dan met den lichamelijken toestand der stervende bezig.

Hij prevelde binnensmonds eenige Latijnsche woorden, nam het palmtakje van de nachttafel, doopte het in het gewijd water en sprenkelde dit in den vorm van een kruis over het bed; dan keerde hij zich om, als zocht hij iets onontbeerlijks.

Sophie begreep hem; met de oogen en den vinger duidde zij de voutkamer aan:

‘Zij brandt ginder, mijnheer de coadjutor,’ fluisterde zij verlegen, en maakte eene beweging naar de trap toe.

Het was de lichtmiskaars, welke de doode den weg der eeuwigheid wijzen moest.

Weer deed hij een geruststellend teeken, dat het zoo ook goed was.

Middelerwijl hadden de twee mannen geduldig in de keuken gewacht.

De voordeur was intusschen zacht opengegaan en een meisje verschenen met de gebruikelijke vraag: ‘Is er geen belet?’ wat enkel een beleefdheidsvorm scheen, want reeds was zij binnen, aleer het antwoord gegeven werd.

Vlug op den gang en rondglurend, bezat zij nochtans geheel het voorkomen van een kwezelken: zij

[p. 13]

was zeer tenger, met magere armen en een lijf als een boomstammetje, onder de schouders en in het middel even dun; hare wangen waren kersrood, rond en dik, en blonken, als spande de huid er over; het neusje wipte naar omhoog, trok de lip op en liet de tanden zien.

Het was Zieneken (1)  , de buurmeid.

‘Wat begeert gij?’ vroeg de brouwer halfluid, doch wat stuursch, zich omkeerend.

Dit weinig aanmoedigend onthaal, verblufte haar:

‘Ik kwam eens kijken, hoe het nu gaat,’ zei ze bedeesd.

Hij antwoordde niet, maar, terwijl hij haar den rug toewendde: ‘Wij hebben hier geene kwezels van noode,’ sprak hij tot den onderwijzer, luid genoeg om gevaar te loopen, dat zij het hooren mocht.

Doch zij had het niet verstaan. Zij stond en draalde en wist niet, of ze blijven moest, noch hoe ze vertrekken zou.

‘Gij begrijpt, dat het thans geen gepast oogenblik is voor bezoek,’ hernam Jozef, zich weder tot haar keerend, ‘gij moogt gaan.’

En zij haastte zich heen.

Juist nu kwam de geestelijke uit de kamer en richtte

 (1)  Zieneken = Regina.


[p. 14]

zijne schreden naar den uitgang. Meester Ottevare groette diep; de brouwer liep bereidwillig vooruit, opende de deur en boog met eerbied; dan eerst traden zij het ziekenvertrek binnen.

IV.

Het zicht van verwanten en vrienden vernieuwt gewoonlijk de smart: Sophie schreide bitter en wees hun moeder aan. Jozef stond als verplet en kon niet spreken; de onderwijzer nam als blijk van belangstelling tot vragen zijne toevlucht:

‘Hoe is dat gekomen, Sophie?’

Ze zei hem, dat moeder gezond was gaan slapen, dat ze zelfs wat langer opgebleven waren dan naar gewoonte, omdat zij een naaiwerk te voleinden had.

‘Ga naar bed,’ had Sophie geraden, ‘ik kom achter, maar moeder wilde niet. 's Morgens aan het ontbijt had zij haar meermalen de hand boven op het hoofd zien brengen om in de rondte er over te wrijven: ‘Moeder, wat doet gij?’ had ze gevraagd, en toen ze geen antwoord kreeg, nader komende, had zij den arm op haren schouder gelegd en haar aangezien. Moeder wilde spreken en kon niet, haar

[p. 15]

mond vertrok, hare oogen draaiden, zij greep de hand harer dochter en duwde ze op haar hart. Zij trachtte op te staan, Sophie ondersteunde haar, doch machteloos was zij op den vloer gezegen en ineengezakt. Onmogelijk haar op te krijgen. Sophie had in hare verwarring en hulpeloosheid op den muur geklopt en geroepen. Zieneken van daarnevens was toegesneld; met haar tweeën kregen zij de kranke nog niet recht. Toen was Zieneken om den coadjutor, en naar de brouwerij geloopen, en terwijl zij den dokter was gaan zoeken, hadden Sophie en Jozef en Camille moeder eindelijk in 't bed geholpen. Eene beroerte!

‘Zij heeft wel een uur op de koude steenen gelegen,’ snikte het meisje, en dan bedenkelijk: ‘zij heeft niet kunnen biechten, de coadjutor heeft haar het Heilig Oliesel gegeven.’

De onderwijzer schudde deelnemend het hoofd; de schoonzoon leunde met de ellebogen op de sponde aan het voeteinde; hij sprak niet.

‘Hoort, hoort!’ zei de dochter, met vernieuwden angst: de adem was gansch achtergebleven, op de borst der stervende reutelde het geheimnisvol; het gelaat was van rood paarsblauw geworden.

Juist op dit oogenblik kwamen drie kinderen binnen: twee tienjarige, rozekleurige meisjes met eene

[p. 16]

lange vlasblonde vlecht op den rug en een kort kleedje aan. Zij geleken sprekend op elkander. Haar broertje was tenger, veel jonger, met kromme beentjes en een bleek gezichtje.

‘Waar is mama?’ vroeg Sophie fluisterend.

‘Zij komt achter,’ fluisterden zij ook.

Sophie schaarde ze alle drie voor het bed.

De kinderen hadden nog nooit eene stervende gezien; zij keken nieuwsgierig op grootmoeder neder: zij was zoo gansch anders, dan zij haar gekend hadden...

En weder reutelde het op hare borst.

‘Wat gebeurt er?’ vroeg nu Monteine, ‘het is toch zeker dàt niet?’ hernam hij ontsteld tot den onderwijzer gewend: hij ook was niet gewoon aan het zicht der dood.

‘Ja wel, het is dàt,’ antwoordde de grijsaard, langzaam knikkend; hij trok Sophie van het bed af.

Toen zagen de kinderen een nooit vergeten schouwspel: het wit der dood verspreidde zich over het voorhoofd van grootmoeder; het daalde langzaam, langzaam neder in eene breede lijn over de oogen, over de kaakbeenderen en de wangen, en bereikte eindelijk de kin, als werd met den rug van een onzichtbaar lemmer de kleur van het gelaat geschrapt; een traan rolde uit het gesloten oog.



[p. 17]

Grootmoeder was niet meer.

Camille kwam binnengestormd, zij ijlde naar het ledikant, zij was te laat. Sophie schreide, de kinderen schreiden, meester Ottevare vaagde aan zijn wimpers, de brouwer scheen geschokt, maar Camille overtrof hen allen in woeste uitingen van smart.

V.

Gij moet het ook bemerkt hebben: tegenspoed in geldelijke zaken maakt den mensch nederig; ziekte ontmoedigt of verteedert of verbittert hem; het zicht der laatste ademhaling van een geliefd wezen treft boven alles, het doet de knieën knikken en rukt als het ware iets weg uit het hart. Een toestand, welke ons bijzonder vatbaar maakt voor weeke indrukken en dankbare stemming bij ieder blijk van medegevoel, hoe gering het zij en vanwaar het ook kome, volgt er op. Wij zoeken troost, en - wonderbaar genoeg - wij vinden hem, niet bij magen en vrienden alleen, maar zelfs bij enkele bekenden; doch wat de dood van bloedverwanten schier algemeen opwekt, is eene behoefte aan zelfverheffing, - ik zou bijna zeggen een gevoel van ijdelheid, indien het woord niet zoo leelijk, en voor

[p. 18]

geene verkeerde uitlegging vatbaar ware. - Ja de dood, die om ons heen grijpend, al het vergankelijke onzer natuur aantoont, en zoo gruwzaam onze onmacht doet uitschijnen, boezemt aan de overblijvenden eene ziekelijke zucht naar praalvertoon in. Ik geloof, dat dit voortkomt uit liefde tot de overledenen zelven; want ieder huldeblijk aan hunne herinnering gewijd, bevredigt ons, als een rechtmatigen tol aan hunne deugden betaald.

Was het niet zonderling, dat Camille, die gedurende het leven harer moeder zoo vaak te kort was gebleven, als het blijken van eerbied en liefde gold, thans na dezer dood ze door alle mogelijke middelen ophemelen wilde?

Toen vrouw Overmeire, na den eersten rampspoed in hare zaken, een nieuw, aanzienlijk geldverlies onderging, door den val van het bankhuis, waar de pastoor hare fondsen had geplaatst, wilde zij te Ploegvelde niet blijven. Het vernederde haar uit den kleinen burgerstand, waarin het ongeluk haar gebracht had, thans nog eene trede lager te moeten dalen. Hare oudste dochter was rijk getrouwd te Zompelgem; het was aan haar, dat ze dacht in dien bedrukten toestand, niet om dezer welvaart uit te buiten, maar om zich als het ware met haar jongste kind, Sophie, maatschappelijk onder hare bescherming

[p. 19]

te plaatsen. Zij huurde het kleine huisje te Zompelgem. Camille verkropte hare vernedering; zij vergaf het moeder niet, haar eene tegenwoordigheid op te dringen, welke haar in de oogen der wereld verlaagde. Sedertdien trok zij haar, evenals hare zuster, weinig aan, en kwam er zelden, voorgevend, dat haar man het niet wenschte. Sophie, bedreven in alle vrouwenhandwerk, ging uit naaien; zij en moeder voelden de krenking diep, doch klaagden niet; ook de kinderen kwamen er te weinig.

Camille had zich door haren hoogmoed laten verblinden; in den grond droeg zij haren huisgenooten meer genegenheid toe, dan ze zelve wist, en de waarheid was, dat zij nooit de mogelijkheid van moeders plotseling overlijden had ingezien. Met al de haar aangeboren hevigheid deed zij thans eenen terugkeer in haar zelve, en deze was verschrikkelijk door kwellend naberouw. Ze zocht bevrediging in aardsche eerbewijzen.

‘Den hoogsten dienst, ik wil den hoogsten dienst,’ zei zij met verdwaalden blik, als de begraving geregeld werd.

Sophie hoorde het met genoegen, zij ook had een onbepaald besef van den troost, welken huldeblijken aan dierbare dooden bewezen, in zich besluiten, en ving die woorden gretig luisterend op.



[p. 20]

Haar zwager maakte evenwel eene opmerking:

‘Moeder heeft eenvoudig geleefd, laat haar eenvoudig begraven: hooge diensten, was en kerkzangen, dat is enkel geld in den zak van den pastoor,’ zei hij.

‘Neen, neen,’ antwoordde zijne vrouw, zonder de zaak te onderzoeken, ‘ik wil drie pastoors, ik wil de doodshoofden, ik wil vier en twintig kaarsdraagsters, ik begeer witte was en brood op het lijk (1)  .’

Haar aangezicht gloeide, hare oogen blonken; zij sprak ras en afgebroken, als ter prooi aan eene hevige ontsteltenis. Sophie hield haren adem in van bange verwachting.

De zaak was kiesch voor Jozef: het was eigenlijk met zijn geld, dat alles betaald zou worden en het gold hare moeder.

‘Welaan,’ sprak hij, ‘doe zooals ge verkiest,’ maar om toch ook eene zijner bepalingen op te dringen, voegde hij er bij ‘vermits de uitvaart meteen plaats grijpe.’

‘Ja, en de maaltijd ten onzent,’ bedong zijne vrouw, met verwilderd gelaat, als vond zij er behagen in misbruik van zijne toegevendheid te maken.

 (1)  Uitdeeling van brood aan de armen onmiddellijk na de begraving.


[p. 21]

Tranen welden Sophie in het oog, tranen van opgewekte liefde voor moeder, tranen van voldoening over het te wachten eerebetoon, tranen van dankbare verteedering. Neen, neen, Camille was niet verstokt voor goede gevoelens, nu bewees zij het, hoe gaarne zij moeder had gezien!....

De hoogste dienst voor moeder, die, zonder te kunnen biechten gestorven was, wat balsem voor haar hartewee!

VI.

De kerkelijke plechtigheid geschiedde met luister.

Tehuis bij Monteine waren veel genoodigden aan het maal. Luidruchtig ging het er toe in dit gemengd gezelschap. Sophie was diep geschokt: tegen elk in het bijzonder had ze moeten spreken; aan menige verwante het gebeurde, de laatste oogenblikken van moeder verhaald, en telkens daardoor hare droefheid weder opgewekt.

En Camille?

Ja, hoe zonderling: toen de kist in de groeve was neergelaten en men er ratelend de koorden van onder trok, sprong Camille vooruit met wild misbaar, zij wilde in den put, bij hare moeder,

[p. 22]

schreeuwde zij. Sophie, zelve hevig ontroerd, en Jozef, beschaamd over deze stoornis van den dienst, poogden haar te stillen en hielden haar terug. In het geweld, dat ze deed om zich los te wringen, schoot de haak van haren mantel af; hare kinderen ook, bij het zicht dezer wanhoop, schreiden bang en klemden zich aan haar. Zij was als waanzinnig geweest op dat oogenblik. En thans, dat de aanval over, en zij tehuis was, scheen eene behoefte aan bedrijvigheid zich van haar te hebben meester gemaakt. Zij wou niet nederzitten. In haar zwart zijden kleed, bracht zij groote stukken vleesch aan; nam zelve de borden weg, ter bevreemding der gasten, en liep naar alle tafels en diende rechts en links, met eene buitengewone nauwgezetheid en vlugge bewegingen op en af.

Sophie sloeg haar van uit haar hoekje met angst en kommer gade. Dit voorspelde niets goeds, en Camilie zag zoo rood! Dan, het verwonderde haar niet, toen na eene poos de meid haar eensklaps wenkte te komen. Onopgemerkt, doch met eenige moeite baande zij zich eenen weg tusschen de stoelen der neerzittenden en den muur, en vond hare zuster op dezer slaapkamer weder in eenen aanval van wee. Opnieuw betichtte zij zich zelve: zij wilde moeder zien, riep zij verwilderd uit, haar om vergeving bidden. Sophie poogde haar te troosten, te stillen, doch het beterde

[p. 23]

slechts, als de bedroefde hare krachten had uitgeput. Thans, met behulp van Marie, de meid, kreeg hare zuster haar te bed; zij dekte haar toe, hield hare hand vast, en zag, dat ze de oogen sloot.

‘Indien ze wat slapen kon!’ en ‘als zij het beneden maar niet gehoord hebben!’ sprak zij de vrees uit.

De meid trad op hare kousen tot aan de trap en luisterde: beneden klonken de glazen, verwarde stemmen en tabaksreuk stegen naar boven:

‘Neen,’ kwam zij terug met het gunstig bericht. Sophie gaf haar een teeken, dat ze aan hare bezigheden mocht gaan, en bleef alleen bij de ingesluimerde.

Hoelang dat duurde, wist ze niet; maar niemand scheen haar beider afwezigheid te bemerken, of haar gezelschap te missen. Geen mensch kwam zien. Zachtjes aan verging de tijd. Zij zag de schaduw voor de zon plaats maken op den gevelmuur rechtover. Zij hoorde een paard uit den stal halen; een karretje aanspannen - nog een - ze wegrijden van het hof: diegenen van Muilem en Vroden zeker. Beneden was het gerucht verminderd; stemmen waren onduidelijk aan de voordeur verneembaar geweest; en nu weerklonk alleen nog het verdoofd geschater der spelende kinderen in den gang. De gasten waren heen; de dag was afgeloopen, de droevige, glorierijke dag van moeders begraving!



[p. 24]

Camille sliep nog immer, of lag in eenen staat van bewusteloosheid. De schemering was gansch gevallen. Sophie stond op, verliet de kamer op de teenen en ging beneden:

‘Stil, stil, mama slaapt,’ fluisterde zij den kleinen toe. ‘Waar is mijn mantel?’ vroeg zij aan de dienstmeid.

Jozef had zijne vrienden van Crocke een eind weegs uitgeleid gedaan.Terugkomend vond hij Sophie op het punt van te vertrekken. Hij vernam het gebeurde met Camille, het bevreemdde hem niet:

‘Altijd hetzelfde, juist als toen ons eerste kind begraven is... ach God!’ zuchtte hij hoofdschuddend. Die zucht behelsde het voorgevoel van nieuwe rampen. ‘Maar gij gaat niet weg, gij blijft hier slapen, zeker?’ vroeg hij Sophie.

Ja wel, zij ging.

Wat gedachte, gansch alleen in haar huisje! ‘Gij kunt heel goed hier slapen,’ zei hij, ‘ten minste den eersten nacht.’

‘Neen,’ antwoordde het meisje, ‘later zou het nog slechter zijn, ik moet mij van heden af tegen mijne vrees voor eenzaamheid verharden,’ en hare lippen trilden.

De kinderen ook omringden haar en baden, dat ze blijven zou:



[p. 25]

‘Toe, tante, slaap hier!’ smeekten de tweelingzusjes, en Louitje trok haar terug bij haren mantel.

Zij omhelsde de kleinen en zou morgen weerkomen, beloofde zij.

Jozef leidde haar tot aan de voorpoort: ‘Veel volk, niet waar? Eene schoone begrafenis,’ merkte hij tevreden op.

‘O ja, heel Zompelgem, geloof ik,’ antwoordde zij met fiere ontroering, ‘en van het omliggende ook zooveel.’

Het was reeds gansch duister. Hij wilde haar tot aan haar huisje vergezellen. Dit deed haar half glimlachen: als zij uit naaien ging, keerde zij altijd alleen, en vaak veel later terug.

VII.

Het huis, dat Sophie aan den uitkant van het bebouwde dorp bewoonde, was eene tweewoonst, die met den gevel naar de straat gekeerd stond; de vensters hadden zicht op een erf, omringd door eene haag, met in het midden eenen noteboom en de pomp daaronder, ten gebruike der twee huishoudens.

Zij stapte in het donker, want te Zompelgem, gelijk op vele andere gemeenten, was men zuinig met de

[p. 26]

petrolium: de lantarens brandden niet, als er volgens den almanak maneschijn was; en ofschoon de maan verachterde en wellicht maar rond elf uren zou opstaan, werd deze hoop op latere klaarte voldoende gerekend om de wandelaars reeds van in den vroegen avond voor te lichten.

Nu en dan ontmoette zij eenen onbekende; aan den hoek van het Molenstraatje ontwaarde zij zwarte, onduidelijke gestalten, daar stond altijd volk des avonds: namelijk de werklieden, welke na het maal uit hunne dampige huisjes gekomen, wat lucht schepten en praatten aan den hoek. Gloeiende stipjes ter hoogte van hunnen mond duidden in den donkeren hunne brandende pijpen aan.

‘Goën avond,’ klonk het vreedzaam uit de groep, als het meisje voorbijkwam.

In de eerste woning op haar hof zag Sophie licht, in de andere niets. Helaas! toen moeder op haar wachtte, scheen de weerglans der lamp in eene spleet onder de deur en boven door den waaier; het stoofje brandde, opgekoterd tegen hare aankomst. Moeder kende haren tred en hare stille wijze van het opheffen der klink, dit laatste om aan te kondigen, dat ze daar was; want het deurtje bleef zorgvuldig gesloten, zoodra de avond viel.

‘Zijt gij het?’ vroeg moeder uit gewoonte.



[p. 27]

‘Ja, ik,’ antwoordde Sophie, en de grendel werd achteruitgetrokken. Dit was zoo jaren geschied. En nu kwam niemand haar te gemoet. Nu was de hand versteven, die het vuur aanwakkerde; nu was de stem verstomd, die haar het welkom toeriep. Sophie opende de deur bij middel van haren sleutel, zocht tastend naar de stekjes en ontstak de lamp. Den heelen dag had er geen vuur gebrand, en de vloer was geschuurd in hare afwezigheid: Zieneken, het kwezelmeisje, welke de gebuurte genoodigd had naar den dienst, had de taak op zich genomen het huisje schoon te maken, zoodra men met het lijk voort zou zijn. Toen hare bezigheid volbracht was, had zij den sleutel der voordeur naar de brouwerij gedragen. Dit was geschied, tijdens Sophie zich boven bij hare zuster bevond. De jonge naaister liet zich ontzenuwd op eenen stoel neervallen. Nooit had een dergelijk gevoel van grenzenlooze eenzaamheid zich van haar meester gemaakt. Het was de eerste maal van haar leven, dat zij bij een verlaten haard zat, en thans zouden al hare dagen aldus zijn: koud, somber en troosteloos...

Zij keek als verdwaasd voor zich heen. De lamp, in eens te hoog opgedraaid, berookte het glas en verspreidde een benauwenden geur. Zij bemerkte het niet. Zij had hare schoenen uitgetrokken, en hare voeten rustten op de roode steenen: deze waren nog

[p. 28]

vochtig en kil. Zij gevoelde het niet. Hare droefheid was zoo diep, en van zoo dorren aard, dat zij geene klacht noch tranen vond.

Wie weet, hoelang zij daar aldus zou gezeten hebben, ware zij aan haar zelve overgelaten gebleven; maar de deur naast haar huis werd geopend, een trippelende klompkensstap naderde, een tik werd op hare deur gegeven, en onmiddellijk daarna klonk eene stem van buiten:

‘Sophie, doe open, ik ben 't, Zieneken.’

Dit trok haar uit het stom beschouwen harer zielesmart.

Werktuiglijk liet zij de bezoekster in: het was dat zelfde meisje met het kwezeltjes voorkomen, dat op den sterfdag van vrouw Overmeire, door Jozef zoo ruw aan de deur was gezet.

VIII.

Met eene vlugge beweging draaide zij het rookend wiekje neder, en sprak opgewekt: ‘Wij hebben u hooren thuiskomen, moeder zei: ik verwacht haar hier, ze zit daar zoo alleen, maar gij bleeft weg en daarom kom ik om u.’



[p. 29]

Een flauwe glimlach van dankbaarheid verscheen op de lippen van Sophie, maar had de macht niet zich over haar gelaat te verspreiden.

‘Gauw,’ zei Zieneken en deed eenen stap naar den uitgang, ‘gij moet ten onzent eten en er blijven slapen ook, moeder heeft het gezegd.’

Doch Sophie dankte haar, zacht afwijzend, evenals zij haren zwager en de kinderen gedankt had.

‘Maar ge zult schuw zijn,’ voorspelde haar het meisje.

Dat juist moest ze overwinnen, beweerde Sophie, zij kon niet heel haar leven elders gaan slapen, daarom was het best zich reeds van den eersten nacht aan haar lot te gewennen.

‘Wacht dan een weinig,’ zei Zieneken, ‘maak de deur niet vast, ik kom dadelijk terug,’ en zij liep heen, maar was daar weder na eenige oogenblikken. Zij droeg iets onder haar voorschoot, dat ze zegepralend op tafel zette: goudblonde, smaakbekorende wafels.

‘Gij moet eten,’ zei ze, ‘Marie heeft mij gezegd, dat ge dezen middag niets hebt genut en van morgen, als ik hier was, heb ik u evenmin zien ontbijten; gij moet eten, of anders wordt ge ook ziek.’

De gedachte schoot Sophie met wrangheid te binnen, dat er voor haar niets aan gelegen ware ziek te

[p. 30]

worden en te sterven, maar tegenover de liefderijke bezorgdheid van haar buurmeisje, ware het onvriendelijk geweest dit uit te spreken:

‘Ik kan niet,’ zeide zij.

‘Kijk, hoe schoon ze zijn,’ bekoorde haar Zieneken, eene wafel opheffend, ‘onze Agatha heeft ze daar zoo even uit de pastorij gebracht voor mij en moeder; maar gij moet ook uw deel hebben, gij deelt ons ook altijd van alles mede,’ zeide zij bewogen.

‘Hoe gaat het nu met mijnheer den pastoor?’ vroeg Sophie, die haars ondanks in dit gesprek afleiding vond voor hare smart.

‘Altijd gelijk,’ antwoordde Zieneken, ‘gij weet op zijne jaren, en zwaarlijvig als hij is, dat eene zeere knie niet gauw geneest; maar de dokter zegt, dat het toch eenmaal beteren zal. ‘Toe,’ hernam zij, ‘ge moet eens proeven.’

Zij sloeg haren arm om het middel van Sophie en dwong haar neer te zitten; ‘ha, gij hebt zelfs uwe pantoffels niet aan,’ en zij zocht ze en stak er hare voeten in.

Sophie liet haar begaan: deze zorgen herinnerden haar aan moeder, die altijd eene versnapering voor haar had weggezet; die haar zoo dikwijls, ofschoon zij elders het avondmaal nam, bij hare terugkomst nog op een gebraden appel of een lekker kopje koffie

[p. 31]

vergastte; en de dorheid harer smart maakte plaats voor verteederd zelfmedelijden en erkentenis; en stille tranen begonnen over hare wangen te biggelen.

‘Ja, schrei eens,’ suste haar het meisje, ‘dat zal u goed doen,’ en zij trok het hoofd der diepbedrukte op haren schouder.

IX.

Sophie weende lang; en Zieneken zweeg eerst en dorst geene beweging wagen, noch een woord spreken: die smart scheen haar geheiligd, zij voelde instinctmatig, dat die tranen weldadig waren als de regen op een verdroogden akker, en zij die uitbarsting van wee niet stuiten mocht, evenals eene moeder den slaap van haar kind niet stoort.

Het was Sophie, die zich het eerst oprichtte, en naar het een en ander van stoffelijk belang begon te vragen. En Zieneken gaf bescheid over alles, wat zij in hare afwezigheid al had verricht: het beddegoed had ze in het stalleken gedragen; al de vensters wijd opengezet; de kamer en de keuken geschuurd; het koper en de stove opgewreven. Middelerwijl had zij een bord aangebracht; zij stak Sophie eene vork in de hand, omklemde

[p. 32]

deze met hare vingers, zooals men doet, als men een kind leert schrijven en daartoe zijn handje vasthoudt; aldus bracht zij de gesneden stukjes aan den mond harer buurmeid. Zieneken had zich dicht bij haar nedergezet, knie aan knie, haar linker arm rustte op de rugleuning van Sophie's stoel; zij zag ze minzaam aan van onder op in de oogen: ‘toe,’ vermaande zij, en schonk haar ondertusschen water in.

Hetzij nu de natuur haar recht begon te eischen, of deze daad van zusterlijke liefde verkwikkend werkte op het geschokt zenuwstel der bedroefde, althans zij at; het was de eerste maal na moeders dood. En al waren de wafels zoo koud, dat de boter er niet op smelten kon, toch smaakten ze haar.

Zieneken bleef tot elf uren,dat is laat op den buiten:

‘Indien moeder mij niet tehuis noodig had, zou ik hier blijven slapen,’ zeide zij en begon toen van de schoone begrafenis te spreken, van al het volk, dat er geweest was en al het hartroerende, dat er op het beeldeken te lezen stond. De onderwijzer had het opgesteld, zei Sophie, en dan vroeg zij, of Zieneken niet wist, of de armen tevreden waren en of het uitgedeelde brood goed was geweest.

Ja, Zieneken was er getoond van een paar bedelaressen, zij hadden niet te klagen: het was schoon, wit brood. Maar nu moest zij afscheid nemen, en Sophie

[p. 33]

bleef alleen, en grendelde na veel dankzeggingen hare deur:

‘Liefderijk Zieneken, braaf buurmeisje!’

Sophie's hart was een weinig verlicht, de bitterheid over moeders verlies wat verzoet, de herinnering aan Camille wat verduisterd. Haastig stapte zij door het vertrek, het hoofd van het bed afgewend, en trok de trappen van haar voutkamertje op. Zij sloot hare deur, legde zich ter ruste, en door al de gebeurtenissen en aandoeningen van den dag uitgeput, sliep zij dadelijk in.

‘Gij moet maar op den muur kloppen, zoodra ge schuw zijt,’ had Zieneken gezegd, ‘ik zal het hooren en bij u komen.’

Daar scheen geene vrees voor te bestaan, dacht Sophie, insluimerend. - En echter in het midden van den nacht moest zij onder den invloed van een ras vergeten, bangen droom zijn ontwaakt: zij was opgesprongen en naar moeders sponde geijld. Daar stond ze nu tot bewustheid gekomen en huiverde van koude of angst. Daar stond zij voor het ledig bed, waarin moeder gestorven was, met de twee armen de gordijnen openhoudend. In de kamer was het duister, maar helder scheen de maan door de bovenste ruiten, en teekende de zwarte kleine ramen in blanken, spookachtigen schijn op de naakte planken van het ledikant af.



[p. 34]

Schrik beving haar hart en deed haren adem vertragen; zij klopte niet op het muurken, zij zou het niet gewaagd hebben de stilte van dien nacht te storen; maar vluchtte op haar voutje, in haar bed, klappertandend als iemand, die aan hevige koortsen lijden gaat, en trok de deken over haar hoofd.

Zij zag moeder sterven; zij zag ze in de kist leggen door de twee timmerlieden, waarvan de eene haar bij de schouders, de andere bij de beenen hield: stijf was ze als eene plank; Sophie zag het hoopje schavelingen, waarop het hoofd der doode rustte; zij spreidde het laken over haar bleek gelaat; wendde zich weenend af, zooals het was geschied, en hoorde het deksel toevijzen; zij zag de kist in de groeve zinken, ach! voor immer; zij hoorde de aarde hol er op donderen in het eerst - terwijl Camille weeklachten uitte - dan doffer en doffer nedervallen, en terugkeerend naar het kerkhof, vond zij het graf gansch toe, voor eeuwig.... neen, neen, o schrik! voor eeuwig niet; want daar verrees haar geest: zij was uit haar graf gekomen, moeder, die den tijd niet gehad had te biechten.... een schrikbeeld in den diepen nacht!...

Moeder, die zij zoo bemind had, moeder naar wie zij zoozeer verlangde, moeder stond daar nu voor haar, en wat deed zij? zij dook het hoofd in haar kussen, Sophie was bang voor hare moeder!



[p. 35]

X.

De zondagnamiddag was helder en warm.

Sophie zat met het venster open; een bloeiend morellentakje strekte zijne sneeuwwitte bloempjes naar heur toe; de zoele lentelucht stroomde binnen; gekwetter van zwaluwen ontstond bij tusschenpoozen op de kroonlijst; en de kinderen harer zuster speelden onder den noteboom op het hof.

Zij zat en droomde, de zachte blauwe oogen in het onbestemde gericht. Kalmte lag op haar gelaat verspreid, en dat gelaat was schoon: eenigszins langwerpig, met kleinen rozemond en ronde kin. Ja, Sophie was schoon, de schoonste van het dorp wellicht, al scheen ze 't niet te weten, of er zich niet over te bekreunen. Als zij voor de eerste maal te Zompelgem in de hoogmis tegenwoordig was, had iedereen haar bekeken, wanneer zij vóór het sermoen haren stoel omwendde. Zij stak wel een half hoofd boven alle anderen uit; en er lag iets zoo ingetogen en deftigs, en tevens zoo vrouwelijk zacht in gansch haar wezen, dat men onwillekeurig sympathie voor haar voelde.

‘Zij ziet er uit als eene schilderij,’ zei Reinildeken

[p. 36]

Bal, - het kleindochtertje van Doca, Zieneken 's moeder - welk geen ander begrip van eene schilderij had dan dat van het Mariabeeld op het Lieve-vrouwen-outer, en hetwelk, naar kenners beweerden, van eenen onzer groote Vlaamsche meesters zijn moest.

Het was zonderling, dat de dood van moeder alle vroeger, vergeten verdriet bij Sophie had opgewekt, alle voorgaande verliezen inniger voelen deed: het was haar, als treurde zij over vader en moeder te gelijk, als had ze beiden nu eerst verloren. En dan ook over hem, den vroegeren verloofde... niet over hem, o neen, zij had hem uit haar hart gebannen, - maar over het verstoorde ideaal harer droomen, dat zij vergeefs in hem had gezocht: Eduard Tingels, den broeder harer schoolgezellin...

Waarom dacht zij aan hem met nawee; was zij het niet, die met hem had afgebroken? Had hij niet alles in het werk gesteld om haar terug te krijgen? En thans, indien hij nogmaals kwam, zou zij met al hare behoefte aan verkleefdheid, en het bewustzijn van haar eenzaam leven, hem de gevraagde hand reiken?

Neen.

En toch, zij moest in eene weeke stemming wezen: zijn beeld verrees voor haar; de verbroken band stemde haar hart tot droefheid en deed tranen in hare oogen wellen. Was het, omdat zij hem daags te

[p. 37]

voren bij de offerande had gezien? maar..... van al de aanwezigen, was hij misschien de eenige, dien zij er liefst gemist had.

XI.

Eduard Tingels was een rijke boerenheer, een vriend van Jozef Monteine. Hij bewoonde op het Neerland, - eene verre wijk van Zompelgem - de grootste en schoonste hoeve van het omliggende. Hij was welsprekend, goed geleerd, hij had in het college gewoond.

Zij herinnerde zich hare kennismaking met hem: het was op een buiigen Maartschen avond; zij verbleef toen nog met hare moeder te Ploegvelde. Bernardine, zijne zuster, was gansch onverwachts den dag met haar komen doorbrengen: zij was 's morgens aan hare deur uit den wagen gestapt, die voort met eene levering graan naar Gent reed; - want Ploegvelde ligt op den kasseiweg, die van Zompelgem naar de hoofdstad van Vlaanderen leidt. De wagen zou haar 's avonds weer afhalen. Bernardine vertelde, dat Jozef en haar broeder Eduard er ook op zaten, en Sophie berichtte hare vriendin, dat zij juist 's anderendaags

[p. 38]

meende naar Camille's te gaan. Zij moest er tot het einde der week blijven.

‘Welaan, kom dan maar van heden af mede,’ had Bernardine gezeid; moeder ried het ook aan.

Het was eene der grillen van den toen nog levenden vader Tingels geene zoogezegde chais op zijn hof te dulden, en eene der kwellingen van broeder en zuster er geene te mogen koopen als anderen, die minder dan zij in stand waren. Ook beviel de wagen als vervoermiddel maar half aan Jozef Monteine, die zijne eigen rijtuigen: een schoon omnibusje en eene tilbury had. Op die wijze kon hij echter zijnen vriend gezelschap houden, en van de gelegenheid gebruik maken om onderweg de herbergen te bezoeken, waar hij bier leverde.

Dit vertelden de twee mannen, toen zij in het huis van de weduwe Overmeire afgestegen waren.

Bij de invallende duisternis kwamen zij luidruchtig binnen, jong en levenslustig en met het zelfvertrouwen, dat onder buitenheeren het gekend fortuin geeft.

Zij toonden zich verheugd, dat Sophie medeging. Zij waren wat opgewonden, - wellicht van den drank - doch Sophie was toen nog te onkundig in zake van menschendoorzicht, om het op te merken.

Eduard Tingels stond met de zweep in de hand, en kon zich schier niet inhouden er mede te kletsen.

[p. 39]

Het was een flinke jongeling, sterk gebouwd, met heldere bruine oogen, een bruinen baard en de witste tanden, die men vinden kon. Sophie was wat verbluft door zijne levendige opgeruimdheid, zij, die aan zooveel stilte gewoon was. Zij zag hem met bevreemding en eene soort van bewondering aan, en Bernardine, ingenomen met haren broeder, antwoordde, als op eene onuitgesproken bemerking harer vriendin:

‘Hij is altijd zoo, een echte zot... het is een liberaal,’ vezelde zij haar in het oor.

‘Ziet eens, wat schoon koppel,’ zei Jozef, en wees de beiden aan: Sophie stond juist nevens hem, zij was schier zoo groot als hij.

Eduard lachte schel, Bernardine scheen het ook kluchtig te vinden, aan Sophie kwam het wat onbescheiden voor, en zij spoedde zich naar den wagen, nadat moeder, die hen lichtte en deed, alsof zij de bemerking niet hoorde, haar een kruisken tot afscheid gegeven had.

XII.

De duisternis was gansch gevallen. De wegen waren schier onbruikbaar. Eduard, die voerde, was van den wagen gesprongen en de twee meisjes hoorden zijne

[p. 40]

zweep klappen als begeleiding van zijn tieren op de paarden, die bij enkele plaatsen door diepe plassen schenen te waden; de wielen bleven soms in de modder steken, en het slijk spatte tot op de plek, waar ze zaten: ‘Hu, ju,’ ging het dan met eenen vloek, dien Sophie liefst niet had gehoord, maar dien zij verschoonde uit hoofde van den hachelijken toestand, waarin Eduard zich bevond. En met eenen ruk geraakte het voertuig los om wat verder in een nieuw moeras te dompelen. In de jeugd lacht men om alles, en zulke avonturen hebben voor jonge meisjes iets bijzonder aantrekkelijks: zelfs Sophie, hoe bedaard en ingetogen zij ook was, schiep behagen in deze avondreis. Zij voelde de Maartsche sneeuwvlokken van onder de opening der weit op hare wangen kleven en smelten. Zij prikkelden hare huid en deden ze gloeien van frissche levenskracht; de wind blies soms wel wat scherp in haren nek, doch zij achtte het niet. Bernardine had zich dicht bij haar gedrongen; de sneeuw begon door de weit te druppelen. Zij hadden een regenscherm geopend, waaronder zij beiden schuilden; maar dit werd ook nat en zijpelde ook door; en intusschen lachten zij hartelijk om Jozef, die slecht geluimd was, of zich aldus stelde uit scherts; om Eduard, die zooveel last met zijne paarden had; om hare eigene voeten, die begonnen te tintelen van

[p. 41]

koude. Het was pikdonker. Zij konden volstrekt niet gissen, waar of ze zich bevonden.

Dat ware ook moeielijk geweest, want zij reden niet door Crocke langs de kassei, maar lieten dit dorp links liggen, en volgden den aardeweg naar de verre wijk, waar de hoeve van vader Tingels stond; vandaar moest de brouwer met Sophie te voet naar Zompelgem-binnen.

‘Als men mij nog ooit in zulk een hok krijgt!....’ klaagde Jozef, ‘ik geloof, dat Eduard het opzettelijk doet om ons in den steek te laten in het midden der sparrenbosschen, want wij zijn er in,’ voegde hij er bij om de meisjes bang te maken.

Zij hoorden wel aan zijnen toon, dat het niet ernstig gemeend was, en lachten schaterend, doch met stijve kin, om zijne soms zeer zoutelooze opmerkingen.

‘Hola, waar voert gij ons nu naartoe, zijn wij bij struikroovers en gaat men ons uitplunderen?’ riep de brouwer, als de wagen, na op eene kleine hoogte te zijn gereden, eensklaps stilhield en in de tastbare duisternis een licht verscheen.

‘Wij zijn aan den Speurgoal (1)  ,’ - dat was eene herberg in het bosch - zei Eduard, ‘komt,’

 (1)  Speurgaal = Sperwer.


[p. 42]

- tot de meisjes - ‘gij moet u wat warmen. Welnu, wat zegt gij van zulk eene spelevaart?’ en hij schaterde als zij, sloeg de sneeuw van zijne schouders af en stampte ze van zijne voeten, en ging haar vooraan in het huis.

‘Allo toe, dochterkens, komt maar in, ge moet niet verlegen zijn, warmt u,’ riep de vrouw zeer luid, als sprak zij tegen dooven, met dien hollen toon, eigen aan degenen, die afgezonderd wonen, ‘allo toe, zet u,’ en zij wierp groote armvollen rijshout op het vuur, dat helder opflikkerde. Eduard, doornat en gansch beslijkt, stond in het licht der vlammen; onvermoeid van den zwaren tocht, wilde hij niet eenmaal neder-zitten. Sophie zag hem aan: hij scheen haar nog grooter en forsiger, nog levenslustiger dan te harent. Zij voelde zich tot hem getrokken; zij wist niet waarom, zij wist zelve nog niet hoezeer: zijne waaghalzerij kwam haar voor als heldenmoed, en - maar dit dorst zij aan zich zelve niet bekennen - tot zijne al te krachtige uitdrukkingen op de paarden toe, droegen bij om haar te vervullen met eene soort van beangstigend ontzag en geheimzinnige nieuwsgierigheid.

‘Wat inval toch,’ verweet hem Jozef weder, ‘den aardeweg te kiezen, of waarom den knecht niet met den wagen weergezonden? wij konden de spoorbaan

[p. 43]

nemen. Ge zoudt ons verongelukken, gij. Zie, dat ge mij nog meekrijgt!’

Eduard nam deze verwijten licht en vroolijk op:

‘Zwijg, jongen, zwijg, ik weet dat al beter. Wie zou die twee naar Zompelgem gevoerd hebben, indien wij met den trein van uit Gent weergekomen waren? - wat gaat gij drinken?’ vroeg hij tot zijne gezellinnen gekeerd.

‘Niets,’ zeiden zij, zooals meisjes zeggen in zulk geval.

‘O gij moet, gij moet! Vrouw, breng wat gij hebt, halvetjes punch, munt, om het even wat zoets; voor mij en mijnen kameraad een glas jenever,’ beval hij.

De haardvlam deed Sophie goed aan hare voeten en op hare knieën; het even geproefde geestrijk vocht verwarmde haar van binnen. Men hoorde de hagelsteenen tegen de ruiten aantrommelen en den wind in de denneboomen loeien....

‘Maar luistert toch eens!’ zeiden zij beurtelings.

De herbergier was intusschen binnengekomen, druipend nat:

‘Zijt gij op wildstroopen uit geweest?’ vroeg schertsend Eduard, en klopte hem op den schouder.

De man verschrikte over deze aardigheid meer dan men zou vermoed hebben; hij begon zich te ontschuldigen

[p. 44]

en te verzekeren, dat hij nog nooit eenen haas had gepakt...

‘Drink eens mede, wij zullen dat potje gedekt laten,’ lachte Eduard.

En de beide echtelieden dronken al de volle glaasjes likeur het eene na het andere uit:

‘Als men het voor niet krijgt, wie zou dat weigeren!’ zei de vrouw.

Eduard en Jozef vroegen nog druppels jenever.

‘Zij drinken te veel,’ had Sophie stil de bemerking gemaakt.

‘Alle mannen doen dat, als ze langs de baan zijn,’ zei Bernardine.

Hoe zonderling, dat Sophie zich thans dit alles herinnerde!

XIII.

Zij herinnerde zich ook, dat zij en Bernardine bij het henengaan in eene wieg keken, welke in eenen hoek van het vertrek stond, en er een buitengewoon mager kindje in ontwaarden: zijn aangezichtje was gansch ontvleesd en, voor zooveel zij in den schijn der lamp konden zien, geelachtig en gerimpeld. Verschrikt

[p. 45]

weken zij achteruit, zagen elkander aan en wilden zich stellen tegenover de moeder, als hadden zij haar akelig wicht niet bemerkt. Doch zij zelve kwam nader:

‘Ja, meisjes, beziet het maar,’ zeide zij, ‘het arme krekeltje, de druk is er aan te scheppen. Wacht, ik zal het u eens toonen,’ en met zachte, omzichtige beweging nam zij het kleintje uit de wieg.

Thans zag het er nog verschrikkelijker uit: zijne groote oogen stonden wijd geopend in zijn aapjesgelaat, en een stil gekreun kwam uit zijn mondje, - zeker had het de macht niet meer om luid te schreien.

‘Hoe oud is het?’ vroeg Bernardine.

‘Acht maanden,’ werd haar geantwoord.

‘Ziet eens die handjes,’ hernam de moeder en hield er een op den rug van hare groote, ruwe hand: de vingertjes waren blauwachtig en de huid slodderde rondom de dunne knookjes.

Sophie voelde tranen van medelijden in haar oog wellen.

‘Wat heeft dat kind?’ vroeg Eduard, die ook getroffen scheen.

‘Het kwijnt aan den ouden man,’ deelde de vader mede.

‘Wat doet zoo iets op de wereld?’ bemerkte Eduard heengaande, terwijl de vrouw het schepseltje

[p. 46]

weder in zijn wiegje legde en het ‘ons zoet ventje, ons braaf, klein manneken,’ noemde.

‘Zwijg,’ beval hem Bernardine, ‘zwijg, de moeder zal het hooren.’

‘Dat zij het hoore!’ hernam haar broeder brutaal, ‘'t is waar ook, zulk een gedrocht in huis houden, een geraamte willen opkweeken! Dat zij het liever den nek omwringe!’

Sophie verschrikte bij dezen uitval, hare vreugde was heen voor het oogenblik. Zou Eduard een ongevoelige, een woestaard wezen? Och, naderhand praatte hij weder zoo vriendelijk met haar in den wagen, zich omkeerend, terwijl hij den toom vasthield.

‘Hij meent geen woord van hetgeen hij over dat kind gezegd heeft,’ lispte Bernardine aan haar oor, als hadde zij den twijfel harer vriendin geraden, of als wilde zij den teweeggebrachten indruk uit-wisschen.

‘Och neen, hij meende het zeker niet!’ dacht Sophie, omdat zij behoefte had in zijne degelijkheid en goedheid te gelooven, ‘och neen! dat is onmogelijk... jongelieden zeggen zooveel uit louter zwetserij!...’



[p. 47]

XIV.

Hij was rijk, hij was jong, hij was schoon, hij had vernuft, hij beminde haar, hij vleide haar; want sinds dat eerste samentreffen, had hij haar opgezocht. Geen wonder, dat het meisje zich aan hare onvrijwillige sympathie overgaf.

Eduard was nochtans een liberaal. Sophie wist het, hij verborg het overigens niet, en zij was in de vrees des Heeren en der liberalen opgegroeid. Tehuis en in de catholieke normaalschool werden deze laatsten als halve duivels afgeschilderd. Het waren de navolgers van de mannen der Fransche Revolutie, die de kloosterlingen weggejaagd, en de goederen der geestelijken in beslag hadden genomen; zij waren het, die den koning van Frankrijk en zoovele onschuldigen hadden doen onthoofden. Het waren vrijmetselaars, 't is te zeggen, dat zij zich in geheime genootschappen vereenigden om den huidigen staat van zaken op godsdienstig gebied te ondermijnen...

Ja, zij wist dit alles van moeder en de geestelijke dames, hare leermeesteressen. En Eduard behoorde ook tot die partij! Maar huwelijken tusschen ongeloovigen en godvruchtigen waren niet verboden: men had haar

[p. 48]

voorgehouden, dat eene dochter, eene zuster of eene vrouw, die van goede catholieke begrippen doordrongen is, een weldoenden en bekeerenden invloed op de mannen harer omgeving uitoefenen kan, en het eene parel aan hare kroon is, als zij hen op het rechte spoor terug weet te brengen. Dit zou zij beproeven met Eduard. Wel viel hij uit op de geestelijken en den godsdienst, en ofschoon zij vermoedde, - wat zij echter niet had durven onderzoeken - dat hij een zondag, als het paste, geene mis hoorde en wellicht in de stad op vastendagen eenen biefstuk dorst eten, toch wist zij ook, dat hij zijne Paschen hield, en zijne christelijke plichten in het algemeen volbracht.

Trouwens, alle liberalen waren niet slecht: Jozef, haar zwager, behoorde ook niet tot de clericalen, al was hij min hevig dan Eduard; hij stemde tegen hen, zei men, en zie eens, hoe braaf hij was! Beter echtgenoot, liefderijker vader bestond er niet.

Men kwam haar vertellen, dat Eduard des nachts laat uitzat, dat hij dan dronken naar huis keerde; dat hij zijn moederlijk erfdeel verkwistte; zij geloofde het niet, zij had hem nooit dronken gezien: het was de nijd, die hem betichtte, had zij gedacht. Moeder hield niet van Tingels, dat vloeken kon ze niet verdragen, Sophie evenmin, dit stiet haar van hem af, terwijl hare natuurlijke neiging haar tot hem trok: die dubbele

[p. 49]

gewaarwording had iets zeer pijnlijks voor het meisje:

‘Vloek toch niet meer!’ bad zij hem somtijds.

Hij hield zich in; doch de godslastering ontsnapte aan zijne lippen, zonderdat hij er zich rekenschap van gaf.

‘Ik zal u noch raden noch ontraden,’ sprak hare moeder, ‘maar dien vent zou ik niet willen, ware ik in uwe plaats, al stond hij in 't goud.’

Och, het was niet wegens zijn fortuin, bijlange niet! Zij minde hem met het hart, terwijl de gezonde rede haar van hem verwijderde.

Bernardine trok zijne partij; Sophie dorst evenwel niet openlijk met deze over hare gevoelens te zijnen opzichte spreken.

XV.

Vader Tingels was gestorven; zoolang hij leefde, kon er van geen huwelijk sprake zijn. Thans was de hoeve voor Eduard. Bernardine, jong, rijk en lief, zou niet lang bij hem blijven. Zij zette de beiden tot trouwen aan, dit was echter niet noodig: de verloofden wenschten niets beter, en in den landbouwersstand draagt men den rouw niet, en wordt het huwelijk der kinderen soms niet lang wegens het sterven der ouders

[p. 50]

uitgesteld. Dit gebruik komt wellicht hieruit voort, dat de overlevenden het bestuur der boerderij aan geene vreemde handen toevertrouwen kunnen; of is het, omdat men in dat midden uit menschelijk opzicht de smart over eenen doode niet langer tijd huichelt, dan zij werkelijk bestaat? Maar wat Sophie meer dan al het overige getroffen en ontsteld had, was dat Eduard, zoo kort na den dood zijns vaders - nauwelijks een dag of zes - in den Lansier, eene kroeg uit de gemeenste wijk - den zoogezegden Kasseihoek - twist met den baas had gekregen en op de straat was geworpen: hij had de ruiten verbrijzeld en tempeest voor de deur gemaakt; de herbergier was gekwetst geworden. Eduard werd met een proces bedreigd, en het was aan de vriendelijke tusschen-komst van Jozef te danken, dat de zaak niet voor het gerecht was gebracht, althans de waard had zich met het betalen eener groote schadeloosstelling tevreden gehouden. Sophie was diep gekrenkt in haar gevoel van eigenwaarde. Eduard, wat terneer-gedrukt, vertelde zijn avontuur op gansch andere wijze: hij was onschuldig, voor wat de mishandelingen op den baas gepleegd aanging; ondanks het oordeel der openbare meening, waren andere woestaards de plichtigen; het is waar, hij was er bij, en dronken geweest, dit bekende hij, daarom

[p. 51]

had hij liever te betalen, wat er toe stond, dan de zaak voor het publiek op te helderen...

Hij was weder zoo innemend, hij kon zoo welsprekend zijn! Hij was zoo goedhartig, dacht zij; hij had berouw; het zou beteren, als zij getrouwd waren, verzekerde hij. En zij vergaf hem nogmaals, en het huwelijk werd verhaast.

De dag, waarop zij samen naar den pastoor en het gemeentehuis zouden gaan om ondertrouw te doen, was aangebroken, zij moesten om drie uren in de sacristij zijn. Camille, fier over de fortuin, die hare zuster te beurt viel, had er op aangedrongen, dat het huwelijk te Zompelgem zou ingezegend worden; ook de gebruikelijke wafelpartij, ter gelegenheid van het gaan zekeren (1)   gegeven, en waarop de naaste bloedverwanten uitgenoodigd waren, zou na de plechtigheid te harent plaats grijpen.

Het uur brak aan en Eduard bleef weg: hij was te middag naar huis niet komen eten, berichtte Bernardine, die alleen verscheen, dit gebeurde vaak op merktdagen:

‘Hij zal zich wel ergens in de eene of andere herberg een stuk hebben doen gereed maken,’ zei ze, van dat uitzitten sprekend, als iets zeer natuurlijks.

 (1)  Kerkelijke verloving.


[p. 52]

Sophie voelde zich vernederd; zij schaamde zich tegenover hare moeder, hare zuster en de familie. Vrouw Overmeire zweeg beduidenisvol, Camille ging herhaaldelijk naar de voordeur zien:

‘Ha, daar is hij, de vluchteling, eindelijk!’ hoorde Sophie deze uitroepen, nog aleer zij binnen waren.

Eduard verscheen aan den ingang der kamer, en allen zagen op naar hem: zijn halsdoek hing los; zijne oogen stonden verdwaasd; zijne wangen waren vuurrood; zijn mond half open; hij wilde spreken: zijne tong was belemmerd en een hik hief zijne borst op; hij trachtte zich recht te houden, doch naar zijne muts grijpend, vermoedelijk om het gezelschap te groeten, verloor hij het evenwicht en viel op het lijstwerk, waartegen hij een oogenblik als bewusteloos leunen bleef.

Hij was dronken!

Sophie vluchtte langs de achterdeur den huize uit. Sinds dit oogenblik had zij hem onverbiddelijk van de hand gewezen...

XVI.

En thans ook keerden hare gedachten naar heur tegenwoordig leven terug: zij was te oud om weder in de normaalschool hare onderbroken studiën te hernemen, en bij Camille zou ze niet gaan inwonen:

[p. 53]

er bestond weinig sympathie tusschen beider karakter, en hare vrijheid was haar boven alles lief....

Camille, och God! wat was die nog immer zenuwachtig opgewekt! Rust was het beste voor haar, zei dokter van Beukel, daarom had Sophie dien eersten zondag na moeders dood de kinderen medegebracht.

Onbezorgd en uitgelaten speelden zij op het erf. Zij zag ze door het venster koordedansen; doch in eens hielden Valentine en Louitje met draaien op en bogen het hoofd. Emilie, die in het midden sprong, vluchtte achter den noteboom.

Wat mocht hen zoo ontzetten of hun zulken angst inboezemen? Sophie werd het aldra gewaar: een ruischende stap naderde; eene schaduw verving den zonneschijn in het open deurgat, en de breedgeschouderde coadjutor stond mild glimlachend voor haar.

Zij ook verschrikte: de komst van eenen geestelijke verwekt overal eene zekere opschudding en als een zelfbesef van onwaardigheid bij alle rechtzinnige catholieken, of de gedachte aan gevaar bij hen, die het niet zijn.

Hij kwam eens zien, hoe zij het stelde, en of ze wat getroost was. Hij nam plaats aan het andere uiteinde der tafel en keerde evenals Sophie den rug naar het open raam.

Getroost? och neen, hij zag het aan hare lippen,

[p. 54]

welke trilden op deze vraag en aan den teruggehouden traan, die aan hare wimpers schitterde.

‘Gij moogt den moed niet laten vallen, het is de wil van God,’ sprak hij opbeurend.

‘Indien moeder had kunnen biechten, maar die twijfel, die Schrikkelijke twijfel!...’

‘Het oordeel is aan den Heere,’ hernam de geestelijke, ‘geloof en vertrouw, moeder kan evengoed als iemand zalig zijn. Wij mogen van Gods genade niet wanhopen.’

Dat deed het meisje ook niet: ‘Ik ben echter zoo alleen, zoo gansch alleen!’ zuchtte zij.

‘Gij hebt nog goede vrienden, gij hebt uwe zuster en hare kinderen, ge ziet wel, dat ze hunne tante gezelschap houden,’ sprak hij, zich omkeerend, en tot afwisseling wenkte hij de kleinen, die het hernomen spel staakten, en alle drie kwamen binnen geloopen.

Hij klopte op den schouder van het krombeenig ventje:

‘Hoe heet gij?’ vroeg hij, zich naar hem buigend.

‘Louis Monteine,’ antwoordde de knaap.

‘Hoeveel Goden zijn er?’ vroeg hij weder; want zoodra een geestelijke een kind ziet, begint hij uit gewoonte of ambtsplicht vragen uit den catechismus te stellen.



[p. 55]

‘Drie,’ zei de kleine.

‘O!’

‘Vier,’ verbeterde hij, schalk en eenigszins verlegen glimlachend.

De beide meisjes lachten ook, de coadjutor schudde het hoofd:

‘Gaat die knaap dan naar de leering niet?’ onderzocht hij; want dit was hem onbekend, daar het mijnheer Teeuwis, de onderpastoor was, die de christelijke onderrichting gaf.

‘Niet geregeld,’ moest Valentine bekennen.

Hij neigde zich weder tot den kleine.

‘Er is maar één God, mijn kind, onthoud dit,’ sprak hij met nadruk, ‘een looner van het goed en een straffer van het kwaad. Laat eens hier zien,’ tot de meisjes, ‘zijt gij al opgeteekend voor uwe eerste communie?’

Ja, zij waren het.

‘Wat is de mensch?’ vroeg hij.

En als twee papegaaien, ras, onduidelijk, zonder klemtoon, antwoordden beiden te gelijk: ‘Een redelijk schepsel Gods, hebbende eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam.’

‘Spreekt trager,’ zei hij. ‘Tot wat einde is de mensch geschapen?’

De zustertjes openden weder gelijktijdig den mond,

[p. 56]

doch hij deed eene beweging met de hand om Valentine het zwijgen te gebieden, ‘gij alleen,’ beval hij aan Emilie, den vinger naar heur uitstekend.

Verward en snel te zamen opzeggen moest het gemakkelijkste zijn, want het meisje scheen verbijsterd of beschaamd; toch kwam zij goed tot aan het einde: ‘Om in zijn leven God te dienen en hem namaals eeuwiglijk te aanschouwen.’

‘Zeer wel geantwoord.’

Louitje volgde met begeerig oog de bewegingen van den coadjutor: deze had zijn brevier uitgehaald en doorbladerde het zoekende. Het kind zag er vergulde beeldekens in blinken. Zou hij ondanks zijn verkeerd antwoord er een krijgen als Valentine en Emilie?

Ja.

‘Maar gij moet het goed onthouden, dat er slechts één God is,’ glimlachte nog de coadjutor, ‘en nu moogt gij weder gaan spelen,’ want hij bemerkte, dat alle drie trippelden van verborgen ongeduld.

Zij liepen met de gekregen santjes heen en hernamen weldra hunnen dans onder den noteboom.



[p. 57]

XVII.

‘Is het niet spijtig,’ maakte Mijnheer Angelman de opmerking, ‘dat men de kinderen hunne les leert opzeggen, zonderdat zij er den zin van begrijpen?’ en als sprak hij voor zich alleen: ‘De mensch is geschapen om in zijn leven God te dienen en hem namaals eeuwig te aanschouwen, - 't is te zeggen: om het kwaad in hem zelven uit te roeien, de deugd te beoefenen, opdat hij waardig worde hierna God - de rechtvaardigheid - te zien heerschen. Schoone leering!...’ en hij blikte nadenkend en als bedroefd ten gronde.

‘Ja,’ zei Sophie, ‘en dan het beginsel: zijnen evennaaste beminnen als zich zelven, gelukkig dezen,’ ging zij voort, harmonisch met hem voelend, of mededeelzaam geworden, ‘wier roeping het is hun leven voor dat hunner medemenschen op te offeren. - O indien het niet was, dat die drift tot toewijding niet immer met de noodige kracht ter volharding gaat gepaard, reeds lang... hoe lang reeds! zou ik aan al het aardsche verzaakt hebben uit liefde tot de ramp-zaligen, om in een klooster te gaan...’



[p. 58]

‘Neen, dàt niet!’ onderbrak hij hare rede op beslisten toon, met een verbiedend gebaar der hand, en zag haar zonderling en beteekenisvol aan, ‘dàt niet, aldus zoudt gij een gansch verkeerden weg inslaan.’

Wat wilde hij zeggen, de coadjutor?

‘Ik zou wenschen te doen als gij,’ hernam het meisje met naïeve oprechtheid, ‘de deugd aanprediken, de ware leer verspreiden, de verdwaalden den goeden weg wijzen, de gevallenen ophelpen, de onwetenden onderrichten...’

‘Spot niet,’ sprak hij op zulken bitteren toon, dat zij verschrikte, ‘evengoed kondet gij aan iemand, wiens armen en beenen toegebonden zijn, bevelen: ga en red eenen drenkeling uit het water, of aan eenen krijgsman, die in de gelederen tegenover den vijand staat: spaar het leven van uwen evenmensch. Neen, als partij zijn wij, geestelijken, sterk, als individu vermogen wij niets, en moeten wij vaak datgene uitvoeren, waartoe ons geweten met al de kracht der verontwaardiging opstaat!’ en de groote, kloeke man liet ontzenuwd de opgeheven vuist gebald op de tafel neervallen.

En daar het meisje bevreemd en ontsteld bleef zwijgen, hernam hij weder: ‘Ha, gij meent, dat wij het goede kunnen doen! ha, gij denkt, dat wij

[p. 59]

vrij mogen handelen naar de ingevingen van ons eigen hart! Neen, wij dragen eene slavenketen: wij hebben onzen wil verbeurd, als wij in het seminarie traden; wij zijn de onderdanige uitvoerders van de bevelen onzer overheden. Gehoorzaamheid, gij ondergeschikten: dat is de leus! Het hoofd gebogen, het verstand aan boeien gelegd, het geweten doen zwijgen, zoo niet breekt men u als eenen stok!’ en met zijne krachtige handen deed hij eene beweging, als iemand, die een voorwerp in twee doet springen.

Bevreesd zag Sophie door het raam, of wellicht de kinderen dien uitval hoorden.

‘Zij spelen,’ zei hij geruststellend, zich insgelijks omwendend, ‘kon ik uit mijn vaderland weg,’ hernam hij, kalmer doch met evenveel bitterheid, ‘ik zou geenen dag langer in die boeien gekneld blijven, ik trok over zee, verre van hier... bij de wilden desnoods, om er het geloof te prediken...’

‘Gij kunt,’ zei het meisje, ‘gij zijt vrij.’ ‘De mensch is nimmer volkomen vrij, hetzij stoffelijk, hetzij zedelijk: hij hangt in zekere mate steeds van anderen af, en zijne genegenheid bindt hem soms aan streken, die hij om andere redenen verafschuwt en zou willen ontloopen... ik heb nog mijne moeder,’ sprak hij eenvoudig; maar die weinige woorden behelsden de uitdrukking eener grenzenlooze liefde.



[p. 60]

‘Uwe moeder?’ vroeg Sophie, deels uit belangstelling, deels uit nieuwsgierigheid, ‘uwe moeder, leeft zij nog, waar woont zij, mijnheer de coadjutor?’

‘Te Zavelbeke,’ antwoordde hij, ‘bij een jongeren broeder, die onderwijzer is.’

Mijnheer Angelman was opgestaan:

‘Ik had u dat beter altemaal niet gezegd,’ sprak hij, ‘ik heb mij door mijne drift laten medesleepen; maar moest gij weten, wat het lot is van hem, die zich als priester niet wil verlagen om op politiek gebied te strijden! Kondet gij zien aan wat kleingeestige vervolgingen zijner gelijken, aan wat onrechtvaardigheid vanwege zijne overheden hij blootstaat!... doch genoeg.’ Hij gaf zich weder aan zijne misnoegdheid over, hij voelde het. Hij haastte zich heen, het meisje aan de grootste verwarring der gedachten overlatend.

XVIII.

Waarom had hij dien uitval gedaan, wat had hem daartoe bewogen? kon hij daar eenig nut voor anderen uit trekken, vond hij zelf er mogelijks troost bij? Altemaal vragen, die hij zich kwellend stelde, zoodra hij het huis verlaten had.

Hij stapte veldwaarts en opende zijn brevier. Was

[p. 61]

het om de gebeden hem voorgeschreven te lezen; was het uit gewoonte; was het als eene straf, die hij zich om zijnen overmoed oplegde, ten einde met geweld den opstand van zijn hart te dempen, of enkel om zich eene houding te geven, en zijne gedachten den vrijen loop te laten?

Hij wist het zelf wellicht niet.

Zompelgem heeft magere gronden en sparrenbosschen langs den kant naar Crocke toe, maar bezit tevens misschien de vruchtbaarste, rijkste landouwen van heel Vlaanderen, het schoone, groene, weelderig Vlaanderen!

Zacht scheen de voorjaarszonne als door een licht, zilvergazen floers, dat over een deel van den hemel was uitgebreid; onzichtbaar in de hoogte jubelden de leeuweriken; het koren reikte reeds tot aan de knieën: donkergroen met rechte, nauw nog afgeteekende voren, tusschen de goudgele strepen van het bloeiend koolzaad, strekte het zich uit over het eenigszins golvend akkerland, op sommige plaatsen zoo verre het oog zien kon; elders werd het van dichterbij door houtgewas begrensd.

Hooge populieren stonden langs weerskanten der baan. De hier en daar verspreide hoeven met hare witbesneeuwde en roodbottende boomgaarden, geleken op zoovele reusachtige bloemtuilen en weergalmden

[p. 62]

van den zoetsten lentetoon. Maar de geestelijke gaf geen acht op de heerlijkheden der natuur rondom hem, en beantwoordde nauwelijks de eerbiedige groete van een zeldzamen voorbijganger. Evenmin las hij in zijn open boek: hij las in het boek zijner verbeelding, in het boek van het verleden, het boek zijner ontgoochelingen en zijner miskenning. - En die lezing was niet aangenaam, al verdiepte hij er zich in....

Met hoeveel ijver tot het goede bezield, was hij in het seminarie gegaan, met hoeveel droombeelden nog van mogelijke toewijding aan de menschheid er uit gekomen! met wat waarheidsliefde had hij zich op zijn vak toegelegd, als hij in het college te M. tot professor van geschiedenis was benoemd! Aan alle bronnen had hij geput, en zich eene eigene meening nopens personen en daden uit het verleden gevormd, en ze aan zijne leerlingen medegedeeld. Doch niet aldus verstonden het zijne overheden: ‘Naar deze en gene schrijvers zult gij u richten; dit en dát en niets anders zult gij onderwijzen, dan wat de godsdienst gedoogt en wat hem bevordert.’ - ‘Maar indien het onrecht aan beide zijden lag, indien de hoofdmannen der catholieke partij ook hebben gefaald?...’ Hem werd gehoorzaamheid opgelegd, en hij had zijne spijt verkropt en gemeend, dat hij gehoorzaamde; maar zijne onafhankelijkheid moest niettemin in zijne lessen doorgestraald,

[p. 63]

of hij anders zijne overheden mishaagd hebben: hij werd zijn professorschap ontnomen, en naar een afgelegen, arm dorp - mogelijks het armste van heel het bisdom - als in ballingschap gezonden. Hij liet den moed niet zinken: dáár, in die afgezonderde gemeente, zou hij het woord Gods doen hooren, het werk der beschaving en menschenliefde helpen verspreiden. Hij predikte zijn eerste sermoen: het liep over de verdraagzaamheid en de broedermin. Het haalde hem een verontwaardigd tegensermoen onder vier oogen van den pastoor op den hals. Wist hij dan niet, dat een onderpastoor zich beperken moet tot het uitleggen der sacramenten en der lessen van den catechismus?

En weder werd hij in zijne zucht tot het goede gestremd, en predikte gedwee: het nut der biecht, de noodzakelijkheid van het doopsel, de kracht van het vormsel, de heiligheid van het priesterschap; hij leerde zijne toehoorders (of verfrischte dienaangaande hun geheugen) het verschil tusschen de sacramenten der levenden en die der dooden kennen...

Dát was het niet, wat hij als apostel der verlichting gedroomd had.

Er kwam een kiesstrijd; hij weigerde alle tusschenkomst.

En weder daalde hij eene trede lager in den priesterlijken

[p. 64]

stand: hij werd kapelaan in de parochie van X., te Gent genoemd, hij mocht nog mis doen en de communie uitdeelen, biecht hooren en prediken was hem tijdelijk ontzegd.

Met bitterheid overdacht hij het, hoe al die mannen, met welke hij zijne studiën had gedaan, tot eer en aanzien gekomen waren, hij alleen achterblijvend: een hunner, slechts weinige jaren ouder dan hij zelf, was reeds vicaris-generaal in het bisdom; een andere professor te Leuven; meest allen stonden als pastoor op rijke of groote gemeenten zooals Crocke, Muilem, enz. of waren onderpastoor in de stad met hoop op spoedige bevordering, en hij, wat was hij?... hij, die meer dan zij allen, die licenciaat in de Godgeleerdheid was! Men had hem als coadjutor naar Zompelgem gezonden!...

Plotseling bleef hij staan; hij bracht de hand aan het voorhoofd, een licht ging voor hem op: het was de hoogmoed, de gekrenkte eigenliefde, die hem daar zooeven tot dien onzinnigen uitval had verlokt om den steen des twijfels in het spiegelgladde water van dat meisjesgemoed te werpen. Ja, nu wist hij, vanwaar zijne verbittering kwam, zijne nieuw gewekte bekoring tot opstand, nadat hij sinds zoolang voor goed het hoofd onder de slagen van het noodlot meende gebogen te hebben: het was eene benoeming tot aalmoesenier in het celgevang te Z., die hij 's morgens in den Bien

[p. 65]

public gelezen had, die hem aldus verbitterde. Dien post had hij begeerd en gevraagd, daar zou hij wellicht het nut kunnen stichten, dat hij in de wereld niet vermocht... maar neen, hier ook was hij van de hand gewezen.

Hij ging verder met verhaasten stap: ‘Nederigheid en zelfbeheersching,’ gebood hij zich zelven, ‘moedig den last des levens getorst en in de maat onzer krachten het goede gedaan!...’

XIX.

Mijnheer Angelman was aan den ingang eener boerenhoeve gekomen en stapte het hof op; alles had hier buitengewone evenredigheden: de uitgestrekte boomgaard zoowel als de breede wallen, de groote schuren en de ruime stallingen; het kloek ijzeren hek met de vergulde pieken en de stevige pijlers, alles getuigde van rijkdom en praalzucht; het huis ook was hoog van dak met heldere vensterramen.

Een geketende hond sprong uit een gemetseld hok en blafte den geestelijke aan.

Hij sloeg er weinig acht op en trad de woning binnen: de keuken was luchtig en blonk van reinheid.

[p. 66]

Eene dienstmeid leidde hem sprakeloos op hare kousen tot aan de deur eener even ruime kamer.

In een bed van mahoniehout, onder witte gordijnen, door eene witte, gebreide sprei gedekt, lag een jong meisje, of liever zij zat half tegen eenen berg kussens aangeleund. Donker haar krulde in lokjes van onder haar mutsken over haar bleek voorhoofd; hare grijsblauwe oogen schitterden: zij waren bijzonder groot en het wit ervan vlekkeloos, evenals de twee rijen blanke tanden, die haar flauwe glimlach bij het binnenkomen van den geestelijke liet zien. En gelijk de boom, die vallen moet, door rood krijt op den stam is geteekend, en de voor het mes bestemde lammeren eener kudde door een rood merk op de wol zijn aangeduid, evenzoo had de dood in eene roode tint op elke harer wangen zijn onmiskenbaren stempel gedrukt.

Het was Bernardine Tingels, de voormalige schoolvriendin van Sophie.

De coadjutor zat neder aan het bed.

Het was wel treurig, dacht hij, op hare jaren!....

‘Bezie eens mijne hand,’ zei het meisje, den indruk bespiedend, die zich op zijn gelaat vertoonde, en hield hem hare linkerhand voor: zij was gansch poezelig en rond, als eene spotternij der ziekte, ‘en nu de andere:’ deze was slap en ontvleesd.

Mijnheer Angelman was niet verhard door het zien

[p. 67]

van het lijden en voelde, wat wij allen voelen bij het doodsbed eener stervende, die van het leven nog niets dan de begoochelingen kent, en dat leven druppel voor druppel ontsnappen ziet: medegevoel, gepaard aan eene soort van verontwaardiging over het gruwzame der natuur, en onze eigene machteloosheid tegenover deze.

Hij vermande zich echter. Hij liet de aandoening zijne stem niet beheerschen en troostte haar: zij mocht den moed niet laten vallen, zei hij, beterschap was nog immer te hopen; elk had zijne beproevingen op de wereld, maar Gods goedheid was groot, zijne macht alvermogend....

Zij luisterde naar die woorden en lachte hem dankbaar toe. Hij wilde ze niet vermoeien, hij stond op: morgen zou hij wederkeeren, beloofde hij.

Met onhoorbaren stap verliet hij de kamer.

In het midden der keuken zat thans een jonge man; een bord met nog bloedend, gebraden rundvleesch stond voor hem op eene kleine, daar zooeven geplaatste, vierkante tafel, nevens eene pint schuimend bier. Die jonge man zag zeer rood. Hij keek uitdagend op naar den priester, steunde de twee ellebogen op de tafel, in de eene hand zijne vork, in de andere zijn mes omhoog houdend, en nam de pet niet af, die hij nog op had, als de bezoeker, licht groetend, hem

[p. 68]

voorbijtrad, maar bromde binnensmonds eene onverstaanbare vermaledijding: het was Eduard Tingels, de vroegere verloofde van Sophic, de broeder van Bernardine.....

XX.

De coadjutor had nog geen half uur de groote hoeve verlaten, of: ‘Kijk, weeral een pastoor!’ zei eene arme vrouw, die met eene andere aan den hoek van haar hutteken stond, ‘het. ziet er hier zwart van, mijne waarheid!’

‘Indien wij ziek werden, zouden er zooveel niet komen, he, Wanne?’ bemerkte deze, en hoofdschuddend zagen zij den geestelijke na.

Hij had het smalle pad tusschen het koren gekozen, dat, den afstand verkortend, dwars door het akkerland, recht naar de hoeve leidde. Ondanks zijne zwaarlijvigheid stapte hij licht en lustig door. Hij was iets meer dan dertig, eerder klein dan middelmatig van gestalte, of scheen het wellicht, omdat hij zoo kort van hals was? Zijne huid glom hooggekleurd, zijne wangen waren zoo dik, dat zijn fijne neus van ter zijde niet zichtbaar was; zijne breede kin rustte van weerskanten genoeglijk over de met blauwe paarlen

[p. 69]

omzoomde priesterbef: het was mijnheer Teeuwis, de onderpastoor van Zompelgem.

Hij trof het zieke meisje, in dezelfde houding zittend, aan. Evenals den coadjutor verwelkomde zij hem met een treurigen glimlach, en ook aan hem zegde zij:

‘Bezie eens mijne hand!’

Er bestond geen gevaar, dat die aanblik den levenslustigen man ontroeren zou: ‘Het water,’ maakte hij even de bemerking.

Bernardine wist het zoo goed als hij, en echter scheen die uitgesproken bevestiging haar te treffen, en:

‘O, nu heb ik den moed opgegeven, ik wenschte wel, dat ik dood, en van al mijne rampen ontslagen ware,’ zei ze terneergedrukt.

‘Dat is geen christelijke wensch,’ berispte haar de geestelijke, ‘naar den dood moogt gij verlangen, niet om van uwe aardsche kwellingen los, maar om in den hemel te zijn.’

‘De hemel!’ herhaalde de kranke met twijfel, wie waarborgt mij, dat ik in den hemel gaan zal?... het moet zoo zuiver zijn, wat voor God blinkt!’

‘Gij hebt eene generale biecht gesproken, eene akte van berouw verwekt, de heilige absolutie gekregen en onzen Heer ontvangen: wie geene doodzonden op het

[p. 70]

geweten houdt, gaat eenmaal in het rijk der hemelen.’

‘Niet immer rechtstreeks. O de hel vrees ik niet, maar ... maar het vagevuur!’ en zij huiverde.

‘Gij toondet mij daar zooeven uwe hand,’ sprak de onderpastoor, ‘en weet gij, wat ik daarhij dacht?’

‘Neen.’

‘Dat het eene waarschuwing van Onze-Lieve-Vrouw is, een moederlijk vermaan, waarbij zij u aanspoort niet langer te verschuiven, wat gij voor uwe ziel wenscht te doen. Door gebeden, goede werken, kerkelijke diensten verkrijgt men aflaten, en aflaten koopen ons vrij voor de pijnigingen van het vagevuur!’ Hij zag haar aan met al de oppermacht, die hij als priester, als gezond mensch, als gezagvoerend leermeester over de bedroefde, ontmoedigde kranke bezat.

‘Ik heb er voor gezorgd,’ lispte zij nauw hoorbaar, ‘mijn broeder heeft mij beloofd zes zakken brood aan de armen uit te deelen, indien... het mij niet moge gegeven zijn van te genezen...’

Mijnheer Teeuwis haalde de schouders op; een lach van zichtbare minachting verscheen om zijn kleinen mond en drong zijne dikke wangen achteruit, nochtans was het met zachtheid, dat hij antwoordde:

‘Lieve engel, ik bedoel uwe eigene ziel.’

De kranke meid begreep hem, en meende zijne

[p. 71]

vrees zegepralend te weerleggen door de volgende mededeeling:

‘Mijnheer de onderpastoor, in onze familie is de hoogste dienst, eene uitvaart en dertig missen daarna altijd gebruikelijk geweest, mijn broeder zal er voor zorgen, in geval... hij mij verliest.’

‘Uw broeder is een liberaal, dat weet gij wel, een hevige tegenstander van al wat den godsdienst aangaat.’

Ja, zij wist het, en sedert geruimen tijd was, niet zonder oorzaak, zooniet hare liefde voor hem, ten minste haar betrouwen in de degelijkheid van zijn karakter zeer verzwakt:

‘Maar,’ zeide zij met zekerheid, ‘al ware het maar uit menschelijk opzicht, nooit zou hij mij de gebeden en diensten onttrekken, die mij toekomen.’

‘Waarom, op ongeloovigen steunen? waarom zelve geene voorzorgen genomen, als men kan?’ en hij hief zijne oogen en zijne twee witte, ronde handen op met de beweging, die de priesters maken in de mis, bij het uitspreken van het dominus vobiscum.

Er volgde eene poos van stilte. Bernardine scheen na te denken op zijne woorden:

‘Wat raadt gij mij?’ vroeg zij eindelijk:

‘Wat ik u raad, lieve engel,’ hernam hij levendig doch niet luid, ‘dat is iemand te zoeken in wien gij betrouwen

[p. 72]

stelt, met een woord, zeker te spelen,’ voegde hij er bij, oneerbiedig buiten zijn weten, eene gemeene uitdrukking op eene heilige zaak toepassend, ‘de som, die gij aan diensten, missen, goede werken wilt besteden ter lafenis uwer ziel, niet in de handen van een wispelturigen broeder te laten, maar aan iemand anders - buiten huis - in bewaring te geven.’

Gretig ving zij zijne woorden op. Met krachtsinspanning en langzaam gelukte het haar eenen bos sleutels van onder haar kussen te voorschijn te brengen, zij zocht en toonde hem den kleinsten:

‘Open gene kast, als 't u belieft,’ sprak zij hijgend, ‘en in den hoek op het tweede rek zult gij eene portefeuille vinden, wilt gij mij die eens geven,’ en terwijl zij sprak, volbracht hij hare bevelen.

‘Het is mijn spaargeld,’ zeide zij treurig, met hare magere en hare poezele hand, die allebei sidderden, de bankbriefjes overbladerend; doch als ware dat werk nog te zwaar, ‘ach,’ bad zij achterover tegen de kussens steunend, ‘tel het zelf eens, ik kan niet, ik weet het niet juist, maar er moet over de negenhonderd frank in zijn.’

De onderpastoor had de tesch behendig in den zak verborgen: ‘Waarom uwen geest met aardsche belangen gekweld, kindlief, ik zal het tehuis gerust natellen.’



[p. 73]

‘Maar er is te veel,’ zei de kranke, die toch nog iets van haren schat wenschte te behouden,’ en zij stak de hand uit.

‘Stel uwe zinnen op God,’ antwoordde hij bedaard, ‘wat dan? zoudt gij te gierig zijn om uwe eigene ziel uit de vlammen van het vagevuur te redden!...’

‘Welaan,’ kon zij nog nauw verneembaar uitbrengen, ‘draag het in bewaring mede, mijnheer de onderpastoor, en... indien mijn broeder... u met de gebruikelijke diensten belast, zeg hem dan, dat gij het geld op voorhand hebt ontvangen... en geef hem het overschot weder... belooft gij het mij?’

‘Ik beloof het u - niet!’ antwoordde mijnheer Teeuwis op trouwhartigen toon, het laatste onhoorbaar uitsprekend. ‘Op die wijze kan ik nog andere verdienstelijke werken doen, indien het mij goeddunkt,’ zei hij bij zich zelven, aldus zijn eerlijk gegeven woord en zijn geweten overeenbrengend.

XXII.

Terugkeerend klopte hij aan eene van de eerste deuren in het dorp, want er was nog een klopper op die groene deur. Het huis had opgemetselde

[p. 74]

dakvensters en vensters van ongelijke grootte en onregelmatig, als zonder plan of door menigvuldige verbouwingen, in den voorgevel aangebracht. Aan de twee hoogste ramen hingen sneeuwwitte geborduurde gordijnen, vermoedelijk het salon aanduidend; het andere, kleine, zeer dicht bij de deur, was van blauwe jalouziën voorzien. De persoon, die opende, moest hier gezeten hebben, want niet zoodra had de bezoeker aangeklopt, of hij werd ingelaten.

‘Dag, mijnheer de onderpastoor.’

‘Dag, juffrouw Trinette.’

Het was de eigenaarster zelve, juffrouw Trinette van Boven. Laatstovergeblevene uit een talrijk huisgezin, waarvan niemand gehuwd was geweest, bezat zij een nog al aanzienlijk fortuin. Zij moest ten minste vooraan in de vijftig zijn. Zij droeg een effen stoffen kleed, een zwartzijden voorschoot, eene zwartzijden pelerine en een wit paarlenkraagje. Een zwarte toer stond zeer verre op haar voorhoofd, zoodat maar een klein, driekant hoekje onbedekt bleef; hare oogen, ofschoon levendig, waren van het bleekste blauw.

Wat er ook over geschreven en gezegd is, blauwe oogen en blonde haren vallen niet in den smaak onzer buitenlieden: De bles van juffrouw Trinette was haars ondanks blond en immer zeer dun geweest; grijs geworden, achtte zij deze het daglicht onwaardig. Zij had

[p. 75]

ze onder eenen toer verborgen, en de keuze haar thans vrijstaande, dien zoo zwaar en zwart mogelijk gekocht: dit zette iets onuitlegbaars en hards aan heure trekken bij. Grijze, stekelige haartjes, die zij van tijd tot tijd met eene schaar afknipte, stonden op hare kin als de stoppels op een afgemaaid korenveld.

Zij was zeer dik, en kortgestuikt en kortgerokt.

De vierkante en tamelijk groote voorzaal had wellicht eertijds tot winkel gediend; zij liep uit op eenen gang met eene deur van gekleurd glas aan het einde; tegen den muur stond eene bank; hooge, donkergroene oleanders en een witte bloeiende lauwer-thijm in houten bakken waren op den vloer bij het raam geplaatst.

Juffrouw Trinette leidde haren bezoeker door den gang, en opende eene achterkamer, die uitzicht op het hof had: aan de deur bleef zij staan, bukte diepgroetend, en de onderpastoor trad licht buigend binnen met den steek in de hand.

‘Karlientje is uit,’ berichtte zij hem, als verontschuldiging, dat zij, haren rang te kort doende, zelve de voordeur geopend had. ‘Zet u,’ zeide zij, en zonder overgang, stout of gemeenzaam, ‘hewel, hebt ge mijn geld mede?’

‘Wat geld?’ vroeg mijnheer Teeuwis, zich verbaasd toonend.



[p. 76]

‘Allo, allo, ge weet het wel,’ sprak ze, en kon zich niet inhouden schalk te lachen; en daar hij het nog niet scheen te begrijpen en haar vragend aanzag, ‘mijn kroos van de duizend frank, die ge voor mij hebt geplaatst. Gij weet, dat ik er nog geenen centiem van heb getrokken.’

‘De eerste twee jaren hebt ge immers kwijtgescholden of, beter gezegd, mij het geld gelaten om er goede werken mede te doen, en zoudt gij nu uwe verdiensten verminderen?’

‘Wat hebt gij er mede gedaan?’

‘Ik heb het immers gezegd: een deel is er van ter uwer intentie aan behoeftige paters gegeven, die beneden den prijs mis doen, het overige schonk ik aan bedekte armen.’

Juffer Trinette antwoordde: ‘Ik eisch zes maanden interest; - het gaat te ver ook, ik weet niet eenmaal, waar het kapitaal naartoe is.’

‘Goed geplaatst, ik vergeet immer het bewijs mede te brengen,’ zei hij, ‘gij moogt gerust zijn.’

‘Wat gaat gij drinken?’ vroeg zij met hare gewone ruwheid, in eens van onderwerp veranderend.

‘Wat hebt gij ten beste?’ lachte hij.

‘Niet veel,’ zei de juffrouw, ‘want er is water in den kelder, tot aan de stelling: Karlientje kan zelfs geen bier meer tappen; maar de sterke dranken zijn in mijn bereik, ze staan boven.’



[p. 77]

‘O water!’ antwoordde de priester, ongeloovig, als had hij maar dàt gehoord, ‘water! vanwaar zou het komen? het staat in alle grachten heel laag integendeel, ik heb het daar bemerkt langs den weg van 't Neerland.’

‘Wilt gij het zien, waarachtig het is zoo,’ sprak juffrouw van Boven, en reeds was zij in den gang, en had de kelderdeur geopend, ‘ik kan niet anders denken, dan dat het door den muur lekt van de beek hiernevens.’

Inderdaad, de onderpastoor zag beneden een zwartachtig vocht: schuim lag hier en daar er op, terwijl eene kille lucht, met een reuk van goor, uit de opening naar boven steeg.

Hij stapte een paar treden dieper; dat huiselijk meer scheen hem niet af te schrikken: ‘Ginder ligt de wijn,’ zei hij, zich buigend, met het oog door het halfduister peilend en nadenkend de hand aan de kin houdend, ‘ja, er staat nog al wat water in... maar nochtans zou ik er mij wel zien door te geraken...’

‘Als gij tot aan de knieën er in waadt,’ lachte juffer Trinette.

‘Bijlange niet, wilt gij mij laten begaan? Ik zal dadelijk wijn boven brengen,’ pochte hij met overmoed.



[p. 78]

‘Zeker om eene verkoudheid op te doen? neen!’ antwoordde zij, en trok de krijschende deur half toe.

Maar mijnheer Teeuwis gaf den strijd nog niet op:

‘Wie spreekt van zich nat te trappen? er zal geen draadje aan mij zijn, wat niet droog blijft.’

‘En hoe zoudt ge het aan boord leggen?’

Voor alle antwoord liep hij terug in de kamer en bracht twee stoelen mee; hij keerde zich op zijde, den eenen vooruitstekend, den anderen achter houdend, en trad de trappen af. Juffrouw van Boven zag hem bewonderend en glimlachend na:

‘Wat gaat hij uitrichten?’ zei ze luid.

De twee stoelen werden in het water geplaatst: het reikte bijna tot aan de zitting. Moedig stelde de priester zich op den eenen, zette den anderen dieper in den kelder, ging er op staan, dengene die hij verlaten had, weder verder trekkend en bereikte aldus, immer overstappend, veilig het wijnrek.

‘Waar ligt de witte, die van 't zoogezegde jaar elf?’ riep hij zegepralend: zijne stem klonk hol onder het laag gewelf. Hij volgde de aanduidingen der oude juffrouw, en bracht op dezelfde wijze, als hij er in getrokken was, eene potflesch uit den kelder, waarop de spinnewebben en het stof van lang verblijf aldaar getuigden. De stoelen liet hij in het water staan.

‘Ziet ge wel?’ zeide hij met zelfvoldoening.



[p. 79]

‘Gij zijt fijner dan wij,’ was juffer Trinette gedwongen te bekennen.

De wijn werd ontstopt.

‘Het is eene zalve!’ verklaarde de onderpastoor, na traag eene teug gedronken te hebben, en streek met zijne mollige hand over zijne borst.

‘Ge zijt niet gelijk de casjetor, ge moogt wijn, gij,’ merkte juffrouw Trinette met welgevallen aan.

En met welgevallen glimlachte hij ook.

‘Ik heb hem daar weer voorbij zien trekken, zonder inkijken - o, dat acht hij beneden zich. Juffrouw, ik drink geenen wijn, ging het, als hij, nauwelijks op Zompelgem aangeland, hier - zeker op bevel van mijnheer den pastoor - een bezoek bracht. Juffrouw, ik heb niet veel tijd, ik ga weinig in de huizen, als ik hem verzocht om nog te komen. Ha, ha, ha! mijnheer de casjetor drinkt geen wijn, hij gaat niet in de huizen! Is dat nu een geestelijke? wat beteekent zulks? hij is te hoovaardig, dat hij iemand aanspreekt.’

Mijnheer Teeuwis onderdrukte een glimlach van zelfvoldoening; het gevoel van solidariteit, dat hem als priester aan Angelman verbond, nam echter het overwicht, en ontwijkend antwoordde hij, de oogen neerslaande en de hand een paar malen zacht naar omlaag bewegend: ‘Juffrouw Trinette, de heilige

[p. 80]

Geest heeft op alle gezalfde hoofden niet in gelijke mate zijne gaven uitgestort.’

Nadat de flesch meer dan de helft geledigd was, moest de gedachte aan haren schat de oude meid wel weer in het brein spelen, of de lust om hem te plagen in haar opkomen:

‘Sa, en mijn geld?’ vroeg ze nogmaals.

Tot hare verbazing tastte mijnheer Teeuwis in den zak, en haalde vier vijffrankstukken te voorschijn, die hij in de opene hand haar aanbood:

‘Daar, daar,’ sprak hij, ‘indien gij zoo geldzuchtig zijt, neem ze.’

Doch insgelijks tot zijne verbazing greep zij ze niet; eene heldere uitdrukking van triomf verscheen op haar gelaat:

‘Houd ze,’ sprak ze, ‘ik wilde u enkel tot gehoorzaamheid dwingen, ik schenk ze u, doe er goede werken mede.’

Vlug als de weerlicht waren de zilverstukken opnieuw verdwenen.

De voordeur werd met den sleutel geopend, en Karlientje kwam zonder aankloppen in de kamer. Zij was niet alleen, Zieneken volgde haar: de twee meisjes hadden haar kapmanteltje aan en stapten omzichtig als in eene ziekenzaal. Bedeesd groetten zij den onderpastoor.



[p. 81]

‘Drinkt ook een glas,’ zei juffer Trinette.

De geestelijke, hooggekleurd, nam zelf de flesch en schonk de bekers vol.

‘Wij zijn met vieren, gaan wij een potje kaarten?’ stelde plotseling de meesteres des huizes voor, en hare oogen glinsterden van verlangen.

‘Ik ben tevreden,’ antwoordde mijnheer Teeuwis, en wat opgewekt door den drank, sloeg hij ten teeken van toestemming de vuist tamelijk hard op de tafel.

Karlientje haalde een kaartspel te voorschijn: het was van zeer gemeene qualiteit en daarenboven erg bevuild:

‘Zijn dat nu kaarten!’ merkte de onderpastoor aan, als zij allen neerzaten, en hij ze opnam. ‘Zij schuiven niet meer, en vele zijn van buiten kennelijk, we zijn toch wel een nieuw spel waard, juffer Trinette,’ besloot hij gemoedelijk.

‘Niemendalle,’ zei ze, afwijzend, ‘ze zijn nog niet versleten, wat meent gij dan, dat ik het geld aldus zou wegwerpen!’ en zij telde zuinig en zorgzaam eenige centen, en legde ze voor mogelijk verlies in een hoopje voor haar, want zij speelden met geene fiches.



[p. 82]

XX.

‘Het zijn straffen van God,’ verklaarde de oude Doca, de moeder van Zieneken, de hand omhoogstekend, zoodat hare te wijde mouw afsloofde, en een ontvleesde arm zichtbaar werd.

Zij spraken van vrouw Monteine, zij wisten, dat deze niet goed bij haar verstand was.

‘Men heeft geene eigenaars van kloostergoed weten welvaren: hare mans voorouders, de Monteinen, hebben er in den tijd durven koopen, vandaar hun rijkdom en vandaar ook hunne ongelukken. Mijn grootvader heeft insgelijks zulke gelegenheid gehad, hij was een wever, hij had wat geld ter zijde gelegd; men bood hem de proosdij aan - het gedoe, waar Monteine nu woont - voor een niemendal; had hij het gewaagd, wij zouden rijk zijn; maar hij wist, dat onrechtvaardig goed geen geluk bijbrengt; hij wilde niet, hij had gelijk, bij den Heere mag hij rusten.’

Zieneken zat met haar rond kantkussen op den schoot: Het meisje maakte bloemen, welke daarna op tulle bevestigd worden en kostbare prachtsieraden vormen. Eertijds was er veel mede te verdienen, thans viel dat handwerk af. Zij luisterde naar moeder, terwijl zij aandachtig de draadjes van een gering getal

[p. 83]

kloskens dooreensloeg, met een zeer fijn haakje verzamelde, knoopte, of korte miniatuurspelden tot aan den kop in het kussen stak, dat zij onder het arbeiden ronddraaide.

De oude Doca plakte grauwe papieren zakken: eene bezigheid, waarmede een kruidenier haar uit medelijden veelmeer dan uit eigenbelang iets verdienen liet. Het was eene groote, zeer magere vrouw, met fijne trekken en een zwart oog, dat onder de overhangende wenkbrauwen nog niets van de scherpte der jeugd verloren had. In huis was alles zindelijk: eene menigte heiligenbeeldekens en prentjes onder glas, met klatergoud, kleurig papier en bolletjes watte voorzien, namelijk relikwieën - deze laatste over hoek hangend - maakten het sieraad van den muur boven het kasken uit.

‘Geene afstammelingen dier goddeloozen hadden voorspoed,’ hernam Doca, ‘ik wil het aan Sophie niet zeggen om haar niet te bedroeven, maar hier ligt de knoop. Overigens het spijt mij zelve, Camille was braaf,’ - achter den rug noemde zij haar gemeenzaam aldus, en sprak reeds van haar in het verledene, - ‘als wij nergens karnemelk kregen, hadden wij er daar, 't is jammer!...’

‘Wellicht zal het nog beteren,’ zei Zieneken luchtig, ‘Sophie meent, dat het alleen aan den dood

[p. 84]

harer moeder te wijten is, dat zij een spiritus in den kop krijgt; de dokter heeft nochtans aan Marie gezegd, dat ze zeer licht stond van over lang, en zij in het een of ander, om 't even wat, hare zinnen zou hebben gestoken.’

Doca schudde van neen: ‘Straffen des Hemels,’ herhaalde zij, ‘God gave, dat het er mocht bij blijven, maar er zal nog veel te hooren zijn: het rijk van den Antichrist is aangebroken, gruwelijke teekens zijn in de lucht te zien... het einde der wereld nadert!’

Deze woorden ontstelden Zieneken wel eenigszins, doch slechts voor korten duur: hetzij de gewoonte ze van jongs af te hooren er de kracht van verzwakte, of zij te lichtzinnig en blijgemoed van aard was, althans zij rolden over haar heen als de regendruppelen over een koolblad:

‘Och moeder, zwijg,’ zeide zij, of stelde tot afwisseling voor den rozenkrans te lezen.

Sophie kwam er dagelijks: zij zat 's avonds een half uurtje met de vrouwen te praten; voorzeker waren dezen niet op de hoogte harer ontwikkeling, maar eerlijk en braaf en fijngevoelig; daarenboven, de mensch heeft behoefte aan mededeeling en vertrouwelijkheid: indien de keuze haar had vrijgestaan, zou zij wellicht het gezelschap dier twee niet hebben uitgezocht om over hare smart te spreken; maar het toeval

[p. 85]

had ze in hare onmiddellijke omgeving geplaatst, zij bevond zich alleen, en de dankbaarheid voor liefderijke buurschap was levendig in haar hart opgewekt.

Evenals Zieneken luisterde Sophie naar de voorspellingen der oude profetes: het was haar, als vernam zij eene stem uit de andere wereld. Stellig hechtte zij er geen onbepaald geloof aan; en wellicht omdat zij geenszins op hare hoede was, bleven die voorzeggingen niet zonder uitwerksel op haar. Soms weerlegde zij ze uit moedwil:

‘Maar, Doca, de zon staat voor de goeden en de kwaden op, niet immer varen de eersten het best, wij zien zooveel onrechtvaardigheden ongestraft blijven...’

‘God heeft zijne eeuwigheid,’ antwoordde deze met bezielden blik en den wijsvinger omhoog.

Een andermaal zeide Sophie: ‘Doca, hoe verklaart gij het, dat de bliksem meest altijd op kerken en torens valt?’

De oude vrouw ontweek de moeielijkheid:

‘De ketters voeren dien bewijsgrond aan als een wapen tegen de almacht van den Schepper,’ sprak zij, het hoofd buigend.

Sophie zweeg of veranderde het gesprek; maar de eenzaamheid van het uur, het ongezellig koude van haar eigen huisje, dat op haar wachtte, de treurnis van haar hart, en heel de richting harer opvoeding,

[p. 86]

alles werkte mede om haar voor angstverwekkende indrukken vatbaar te maken. En zonder het te weten, gaf zij zich aan hare aangeboren neiging tot dweepzucht over: zij begon meer en meer troost in den godsdienst te zoeken.

XXII.

In de week was schier al haar tijd genomen; beurtelings ging zij uit naaien: bij den onderwijzer, bij den dokter, vervolgens bij madame Haantjens - de zuster van Jozef Monteine - of elders. Overal werd zij om hare goede opvoeding op voet van gelijkheid behandeld, en aan de tafel der meesters geplaatst. Den zaterdag behield zij voor zich zelve, en verrichtte dan haar eigen huiswerk. Alle dagen, die zij vrij had, of wanneer de klanten toestemden om haar te ontslaan, bracht zij thans bij hare zuster door. Treurig was het er: Camille, soms opgewonden of beangstigd, liep rusteloos in huis rond, praatte onophoudelijk en onsamenhangend, of bewaarde uren lang het halsstarrigste stilzwijgen, en wilde vaak het bed niet verlaten. Zij sliep thans beneden in eene achterkamer, met zware ijzeren staven aan de vensters voorzien. Want eens

[p. 87]

had zij gepoogd te vluchten in het midden van den nacht: de dood achtervolgde haar, zeide zij, zich loswringend uit de armen dergenen, die haar tegenhielden.

De kinderen werden verwaarloosd; ook de zaken leden, en Jozef, die altijd zoo vroolijk was geweest, liet het hoofd hangen; reeds een paar malen was hij 's avonds laat teruggekeerd. Hij zat uit met Eduard Tingels, deze verkwistte alles en sloeg zijne boerderij niet meer gade: sinds den dood van Bernardine was hij wel nog eens zoo slecht geworden.

Wat hartzeer voor Sophie! O, indien zij aan Jozef had mogen voorhouden, het gezelschap der ondeugenden te vluchten! Helaas, zij dorst niet!

Zij had willen helpen, troosten, raden; zij kon het evenmin. Zij had zich gansch aan hare zuster willen toewijden, doch hare tegenwoordigheid werd niet begeerd, of ten minste niet immer, want Camille was zeer grillig:

‘Waarom komt ge niet, waarom laat ge mij alleen, als ge weet, hoe ziek ik ben?’ deed zij haar weenend het verwijt, en een andermaal keek ze nauwelijks op bij het binnentreden van Sophie:

‘Wat komt gij hier altoos doen?’ vroeg zij verbaasd.

‘U bezoeken, Camille.’



[p. 88]

‘Ha,’ sprak zij onverschillig en wendde het hoofd af.

Sophie had de tranen in de oogen.

Haar verblijf in de brouwerij werd ook door gedurige vrees verbitterd: zij zat er als op de vlucht, immer luisterend, of zij Eduard Tingels niet hoorde binnenkomen; want hem wilde zij niet meer zien, en zoodra hij langs de voordeur in huis trad, liep zij langs de achterdeur heen.

Zij ging vlijtiger ter kerk.

Na een onrustbarend bezoek bij Camille, deed de stilte in het huis Gods haar goed: zij vond er kalmte en den verloren vrede terug. Het lof had des zaterdags tegen den avond plaats, als het daglicht, dat uit de groote ramen viel, afnam en donkere schaduwen zich nevens de pijlers, onder den predikstoel en rondom het lijstwerk legerden. Zij verzuimde nooit er te gaan: achter haar dreunde het orgel en weergalmde kerkgezang; in de diepte flikkerden de lichtjes; het wit gewaad van den dienstdoenden priester schemerde van verre, nu hier dan daar zich verplaatsend ann het hoogaltaar. Zij zag het als in eenen droom, want hoe innig zij ook, neerknielend, begon te bidden, zoo was het haar na korten tijd onmogelijk hare aandacht aan iets bepaalds te wijden; zij verzonk onwillekeurig in eene oneindig zoete mijmering: het schemerde voor

[p. 89]

hare oogen; haar denkvermogen werd als in eenen nevel gehuld, en zij als in het rijk der zaligheid medegevoerd. Alles droeg bij tot het harmonische van dezen toestand, en indien de geestelijke op het outer daartoe noodig was, zoo was het ook de nevens hem onverstaanbare antwoorden prevelende koorknaap, evenals de lichtjes het waren, het gezang en het orgel, en de gewone, dungezaaide bezoekers zelven: links de vijf of zes nonnekens in den hoek van den predikstoel, als zoovele beweginglooze, donkere schimmen; juffer Trinette voor haar in haren kapmantel; de kuch van Doca en het gekend stoelomkeeren van Zieneken zijds achter haar; het witte hoofd van den onderwijzer in de lijst - het langst van al een helder stipje in het duister blijvend, - en eenige andere gestalten, die zij immer op dezelfde plaats ontwaarde.... totdat de zegen met den wijwaterborstel gegeven werd; een weggalmen van stappen, een klompengerommel van kinderen en behoeftigen achteraan in de kerk, en het opentrekken en toevallen der deur het einde van den dienst aankondigden.

Een voor een doofde de domper op een hoogen stok, door eene onzichtbare hand gehouden, de lichtjes uit. Er viel niet meer te blijven en Sophie vertrok..... de voorlaatste, want juffer Trinette wachtte om haar op de hielen te volgen.



[p. 90]

Men was in het langste der dagen. Het was zondag on heerlijk weder. Sophie ging na de vespers eens tot aan de brouwerij:

‘Tante, tante!’ riepen de kinderen, opspringend van de tafel, waar zij alle drie met het ganzenspel bezig waren.

‘Zwijgt,’ fluisterde barsch, binnenkomend, de meid en gaf een lichten duw aan Louitje, die zich naast haar bevond.

‘Och, ze doen geen kwaad, Marie,’ zeide zeer stil Sophie en nam den kleine bij de hand: deze tuchtiging, voorzeker niet erg gemeend, maar onverdiend, deed haar zeer. ‘Hoe gaat het?’ vroeg zij door een teeken.’

De meid schudde het hoofd en hief de handen en de oogen bedrukt op:

‘Wij hebben hier opnieuw een leven gehad: altijd, altijd weer van moeder!’ berichtte zij halfluid, ‘nu ligt ze stil, rust is het eenige, dat haar tot bedaren kan brengen, zegt de dokter. Zwijgt,’ beval zij nogmaals, zich dreigend omkeerend tot de kinderen, die hun spel hernomen hadden en over een punt begonnen te twisten, ‘ze moeten stil zijn vandaag, ze weten het, ze mogen geen gerucht maken.’

Maar zij konden niet stil zijn, en gerucht maken was zoo natuurlijk in hunne jaren! Arme kleinen; het

[p. 91]

werd hun verboden op straat te spelen, het hof ook was hun heden ontzegd, want mama's venster stond open en van daar kon zij hen hooren. Zij moesten in huis zitten en het weder was zoo schoon!

Jozef kwam binnen; hij schudde bedenkelijk met het hoofd.

‘Ik ga eens tot bij haar,’ zei Sophie.

‘Ja, maar spreek niet,’ bad hij, ‘laat ze met rust.’

Zachtjes stiet zij de deur met eene spleet open: Camille zat recht in het bed, onverstaanbare woorden mompelend, terwijl zij aandachtig in stukken getrokken reepjes van haar laken een voor een op hare sprei rangschikte.

Een treurige aanblik, die jonge zinnelooze, wier kinderen door anderen met de beste inzichten der wereld miskweekt werden!

In de woonkamer teruggekeerd, vroeg Sophie aan Jozef: ‘Gaat gij uit?’

‘Neen, ik heb rekeningen te schrijven, Marie zal overigens ook te huis zijn; leid ze eens mede,’ antwoordde hij, op de kinderen doelend, want hij begreep, dat dit haar inzicht was.

Zij ging met hen de velden in. Zij huppelden vooraan en nevens haar.

De twee kleine meisjes waren blond als de rijpende

[p. 92]

gersthalmen; zij droegen een linnen kleedje van gelijke blonde kleur, omzoomd met hetzelfde rood als de kollen, die ze lazen, en hare oogen waren blauw als de korenbloemen, waarvan zij reeds een heelen tuil verzameld hadden.

Zij waren immer achteloos verder geloopen, want thans hadden zij iets nieuws ontdekt: namelijk pluimgras, dat overvloedig in gene akkers groeide. De bloemen werden aan tante gegeven en de kleinen plukten lustig door: zij wilden elk genoeg hebben om er eenen bezem van te maken, zeiden zij met geestdrift, langs het smalle korenwegeltje elkaar verdringend.

In eens aan den ommedraai bemerkte Sophie tusschen de struiken van eenen elskant hooge schuren en de vergulde pieken van een ijzeren hek: de hoeve van Tingels, de hoeve, waar zij op dien buiigen, Maartschen avond was afgestapt; waar Bernardine, die zij in hare ziekte uit vrees voor eene ontmoeting met den broeder niet had durven bezoeken, onlangs gestorven was; de hoeve, voorbestemd om de hare te zijn!... en allerlei tegenstrijdige en verwarde gevoelens ontstonden in haar.

‘Komt, kinderen, we zijn te verre,’ zei ze, ‘het is tijd om terug te keeren!’

Zij volgden haar met hunnen voorraad pluimgras in

[p. 93]

een grooten tuil voor zich gehouden: hun hoofdje verdween er achter.

Zij sloeg de breede straat in, rechts af, om met eenen omweg het dorp en de brouwerij van achter te bereiken. Hooge populieren klapperden van weerskanten der baan, die met geene hoeven omzoomd was; hier en daar zong een eenzame groenvink zijn eentonig lied. Van verre zag zij reeds weder de torenspits van Zompelgem boven de boomen uitsteken en, rechts en links verspreid, roode boerendaken in dichte boomgaarden verdoken.

Wat was die stilte, die afzondering in harmonie met haar gemoed! Wat zou ze daar gelukkig geweest zijn met Eduard in andere omstandigheden!...

Aan den kruisweg op eene kleine hoogte stond een kapelletje in het midden eener groep olmen; het had een portaal met grauwe arduinen kolommen en was met schaliën gedekt. Sophie kende het wel: het kapelleken van 't Neerland.

Zij trad binnen met de kinderen: eenige geloovigen, oude vrouwen en jonge meisjes, zaten geknield met den paternoster in de hand of de armen geopend in kruisgebed. In den hoek links, nevens den ingang stond eene soort van ijzeren toestel als een boompje, van pinnen voorzien; schier op elke dezer pinnen brandden lichtjes, een geur van rook verspreidend;

[p. 94]

niets was daarbinnen verneembaar dan het kraken der vlammetjes en het ruischen van den zomerwind in het korenveld en de olmen.

Eene gestalte in een zwarten mantel gehuld, zat onbeweeglijk voor een tafeltje dicht bij het toestel: Sophie tastte in den zak en tikte op den onzichtbaren schouder; eene magere hand kwam te voorschijn, nam het aangeboden geld aan, greep daarna eenige keersjes, die in pakjes gereed lagen, ontstak ze aan het naaste lichtje en plantte ze op de vrijgebleven pinnen. Zij deed een knikkend teeken met het hoofd en bleef roerloos en stom in den hoek zitten. Het was Doca, hare buurvrouw, de bewaakster van het kapelleken.

Sophie had de tuilen op den drempel van het portaal gelaten, en de kinderen voor zich doen nederknielen op den marmeren vloer, want er waren geene stoelen ledig. Zij ook wierp de armen open in kruisgebed en bad voor moeder... en voor Camille.

Aan den muur onder de hooge vensterraampjes en terzijde hingen houten krukken van alle grootte: te beginnen met de kloeke, zware manskrukken des lammen en de korte handkruk van den grijsaard of den manke tot de dunne kinderkrukjes met hunne kleine schouderholten, die het bewijs leverden, wat tenger lichaampje zij ondersteund hadden. Wassen hartjes en voetjes lagen op het outer voor het Lieve-Vrouwenbeeld.

[p. 95]

Dit bestond uit een bruinachtig, vormloos aangezichtje, met iets, dat op eene muts geleek. Daaronder was een stijve zijden lap, aan den hals smal en zich van weerskanten verbreedend als een ontplooide waaier, met een gouden galon omzoomd: dat maakte de kleedij van het beeld uit, het miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw van 't Neerland. Want het was een miraculeus beeld, naar hetwelk de geloovigen van wijds en zijds toestroomden. Het had zijne legende, en deze luidde nagenoeg gelijk alle legenden van dien aard: voor oude-oude tijden had op die plaats een dorenstruik gestaan; een koewachter, die zich zeker alleen verveelde, was tot tijdverdrijf, of wellicht omdat hij een meer navorschenden geest bezat dan zijne voorgangers, in den struik gaan kijken. Hij vond er een houten beeldeken zonder armen of beenen in; hij nam het mede naar zijn huisje, maar 's anderendaags was het verdwenen.

Door zijn voorgevoel of eene ingeving van den heiligen Geest geleid, zocht hij het in den dorenstruik en droeg het aan den pastoor, die het in afwachting, dat er grooter eer aan werd bewezen, op het Lieve-Vrouwen outer, in de kerk van Zompelgem stelde. Doch de dorenstruik moest wel eene sterke aantrekkingskracht bezitten, of het beeldeken zeer stijfhoofdig zijn: althans, hoe vaak men het ook uit zijne schuilplaats

[p. 96]

haalde, telkens toch keerde het er heimelijk terug, zoodat men ten laatste begreep, dat het dáár en nergens elders begeerde aangebeden te worden. De toenmalige barones van Zompelgem liet er eene kapel bouwen en het beeld toonde zich voldaan, wan