terug  begin  verder

[p. 18]

school der poëzie

 
ik ben geen lieflijke dichter
 
ik ben de schielijke oplichter
 
der liefde, zie onder haar de haat
 
en daarop een kaaklende daad.
 
 
 
lyriek is de moeder der politiek,
 
ik ben niets dan omroeper van oproer
 
en mijn mystiek is het bedorven voer
 
van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.
 
 
 
ik bericht, dat de dichters van fluweel
 
schuw en humanisties dood gaan.
 
voortaan zal de hete ijzeren keel
 
der ontroerde beulen muzikaal opengaan.
 
 
 
nog ik, die in deze bundel woon
 
als een rat in de val, snak naar het riool
 
van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
 
hoon nog deze veel te schone poëzieschool.

terug  begin  verder