[p. 20]
[anders anders bekend maar herkend toen]
anders anders bekend maar herkend toen,
zij mij lucebert noemde diotima mij.
mijn masker die, die geslagen met bliksemend licht,
nu reclame - betaald als gezichten der teutschen -
mij met smaad tot in wijsheid nog volgt;
dat het lot past een lach,
waanzinnig en weggedragen mijn hoofd
als een grimmige vrucht en vol van diotima was.
nu zwerf ik door naar het zuiden en vaak
verlicht in de druiven nar ik de roede,
de slagen der maan.
ik zing als een vogel, de oude, aan die alles bewezen:
de dichter verdrijft men met spot van de akkers der aarde.
zingende steeds, maar zinloos, wijl geen nest meer
en geen blijvend genoegen van node, want naakt,
want arm zijn is rijk in deze, de puilende tijd,
waar het markten gemis ons nog heftig betwist.