terug  begin  verder

[p. 25]

vaalt

 
hij zei mij veeg vrij
 
dit excrementenplein
 
en ik in de zonneschijn
 
nam vork en spade op
 
 
 
een meisje van de flikfabriek
 
in flarden nam ik op mijn riek
 
en wierp haar klappend in een kar
 
van het gemeente-energiebedrijf
 
 
 
een blauw en strakgespannen lijf
 
met blazen grauw op rug en buik
 
was te gewichtig in gebruik
 
en scheurde langs de tanden af
 
 
 
er waren er met geen gelaat
 
wat draden waar eens waren neus en oog
 
soms daarin draaiend als een rups
 
geel van het maal een smalle lach
 
 
 
een vlagje van papier stak int gebit
 
van een bij wenken steen geworden kind
 
ik ritste met nationale vingers
 
de natie uit de lippen van dit kind
 
 
 
want heel de natie is verblindend kwaad
 
dat van de kwaadsten maakt een bindend prooi
 
nu zijn wij allen aangeraakt
 
en met het allerkwaadste kwaad getooid

terug  begin  verder