[p. 36]
romance
de mist was warm neuriënd zand
oude muziekmensen liepen
langs nieuwe harpen langzaam
vonden aan breekbare heuvels
in de maan drie witte heren
blokfluit blazen en een dikke
engel aaide een glazen bas
de wereld is dicht en begoocheld
tussen sterkstaande stemmen
wandelend de mensen op kermende handen
maar uw gezicht is een haan
een haan gouden of duister
en met schellen graaft hij de avond
en uw hand uw hand een verheugde
oogopslag blinkend in de ochtend
toen kwamen wij in de weerspannige dorpen
als haren daar stonden de mannen de vrouwen de mannen
en luidend hun bronzen vlammen galmend
aan elkander galmend
want geen hield van ons daar
omdat wij raar waren
maar een pleisterplaats is uw stem
een ruggedraai als rook een damp
vaststaande naast de vorstinnen
en alleen met uw zingen
kan ik zingen van de rijkdom en van de
gezalfde hoeven die daarop sloegen
hoe? een boom ben ik verbrand in de wolken
of een stenen stroom in de grond
wie zal deze dan horen
en wie zal deze verstaan
de oude muziekmensen slapen
naast nieuwe harpen eenzaam