terug  begin  verder

[p. 38]

de ochtend

 
in galop gingen de donkere bloemen
 
de nacht op zijn aangezicht door
 
hij hoorde de wolken noemen
 
zag opbouwen de grote vogels
 
betastte de lont in de gangen
 
met een hand als een driftige monnik
 
en dan verdwenen de dingen
 
op witte zwevende ruggen
 
en terug zag hij arglistig de dieren rondom
 
mompelend trippelen
 
 
 
er is een schaduw groter dan de bergen
 
maar dwergen trekken hem
 
diep in de dalen in de diepte
 
lopen de smeltende mensen
 
en riep in hun vechtende haren
 
een 2 cm meisje
 
hurken kunnen zij en blaffend
 
woedende vlammen koelen
 
 
 
sochtends kochten zij gladde kranten
 
linten wringende snavels
 
tussen wreed stekende korrels alleen kraken de lippen
 
in de hemelregen lopend
 
in de springende wind biddende spieren
 
korrelen van de dode
 
maar van de dode woont de deur open
 
en op grote voeten schroeit hij
 
dwars door de karige enge
 
en zingt hij?
 
 
 
hij zwijgt als een gat in zijn weinige ogen

terug  begin  verder