[p. 42]
simbad de luchtman
nachtenlang bemediteerde hij (een schemermens)
het woord schampscheut
sinds het werd al langzamer laat
met de maan haar bittere adem
steeds blazend aan zijn slaap
en koel koel boog de ochtend
met haar zijden manieren
voor de oververmoeide eindeloos
muziek maakt vreesachtig
herinner je je liefde
alleen voor getekende gevechten
simbad een blauwkind gebracht had
hij bij de eenzame katten
het smeulde maar wat maar werd groter
en met klaterende pezen verscheen het
eens tussen tractors op een akker
boeren en paarden knielden evenwel
de grote grond wierp die om en
sissende bloemen gingen hen begroeien
overal werd hij een wanhopige koning
die torens en muren wegstromen hoorde
in brood vond de beringde vingers
van die die hij meesmuilend beminde
op trams trok hij de aandacht
omdat op zijn bevel men doorreed de stad uit
greppels en heggen door de nacht
in bellend in gefluister en scherven
door de kersverse gezonde wonden
worden de werkelijke wonden
daarom ging hij opgeblazen trillend
het laatste jaar in boven loodsen
lorrige huizen en paleizen zweven
en aan zijn zolen zagen
de vele late zomerse wandelaars verbaasd
hoe laat het was maar verward
maar a-symmetrisch
en men weet niet en men weet niet weet niet
wie werd geboren wie niet werd geboren
gegeten en niet gegeten
[p. 43]
men weet niet de
stoel staat thuis en de tafel
de haan kraait zijn doos vol de treurbes
wordt gewekt met hamerslagen taai water
wapperde aan de knuppel en klare taal
ojeenee
werd meegenomen de 7de dag simbad
zwom krachtig dwars door de zeebomen
dwars door de wijdvertakte wrakken
langs helderman en bruyvis
die zojuist zitten te nippen en overleggen
ver weg ver en ver weg en verder en verder verder weg
en weg