terug  begin  verder

[p. 44]

horror

voor z.h. gregorius VII
 
savonds gaat heer horror uit
 
(hij pienkt aan de ladies, hij pienkt aan de poem)
 
waarom geeft het witte kappersruit
 
heer horror niet de spiegels van een duit
 
aan de ene zij de zee de 1 de dier
 
aan de andre zij 1 kromme officier
 
 
 
heer horror weet niet wat hem overkamt
 
de bleke tanden van de ouwer maan, hij is gekaart
 
en daar tikt hij van de blanke schoppen
 
twee vergulde negerkroppen
 
en zijn keel is schroever van de aas
 
hij bezingt de boorbaan van de muis
 
 
 
op een hoek bedekt hij met de kinderdoeken
 
al de afgelapte bedelstoepen
 
iemand komt hem roepen: eet u kaas?
 
ja ik draag de korsten van een dwaas
 
ja ik draag te korten van een maar
 
koopbaar ben ik door mijn strooien haar
 
 
 
dan vliegt (foei) 1 negerschedel door het raam
 
de tondeuze doezelt aan zijn naam
 
horror rorror razer raar
 
ik ben zwaar belegen waar
 
in mijn zak de moederkoeken
 
dragen strakgetrokken broeken
 
1 en al is officier
 
en mijn huid staat op een kier
 
maar uit alles speelt een kruis
 
horror rosser racer ruis
 
horror jij komt niet meer thuis

terug  begin  verder