terug  begin  verder

[p. 52]

[ik tracht op poëtische wijze]

 
ik tracht op poëtische wijze
 
dat wil zeggen
 
eenvouds verlichte waters
 
de ruimte van het volledig leven
 
tot uitdrukking te brengen
 
 
 
ware ik geen mens geweest
 
gelijk aan menigte mensen
 
maar ware ik die ik was
 
de stenen of vloeibare engel
 
geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
 
de weg van verlatenheid naar gemeenschap
 
de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
 
zou niet zo bevuild zijn
 
als dat nu te zien is aan mijn gedichten
 
die momentopnamen zijn van die weg
 
 
 
in deze tijd heeft wat men altijd noemde
 
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
 
zij troost niet meer de mensen
 
zij troost de larven de reptielen de ratten
 
maar de mens verschrikt zij
 
en treft hem met het besef
 
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum
 
 
 
niet meer alleen het kwade
 
de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
 
maar ook het goede
 
de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
 
morrelen
 
 
 
ik heb daarom de taal
 
in haar schoonheid opgezocht
 
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
 
dan de spraakgebreken van de schaduw
 
dan die van het oorverdovend zonlicht

terug  begin  verder