terug  begin  verder

[p. 63]

[in de hitte]

 
in de hitte
 
er kwam een gescheurde officier
 
wat water halen voor zijn kleine maagre
 
doodvermoeide wonde
 
maar wij waren in een zaal
 
vol slechte remmen en rijpe
 
vlammen met een oorvol as
 
en ik zei
 
als het wintert wil ik je wonde wel bevriezen
 
met een mond spooksel
 
maar nu verdampen de stenen
 
en nu vervliegen de lippen
 
in een geervliet van hijgen
 
 
 
hij schudde het hoofd
 
als een roofdier in een kraag van zand
 
boven op onze ogen
 
stapelde hij zijn klauwen en
 
wegaan jezusmeters hoog
 
hij kraaide
 
een regiment van littekens lag op ons gezicht
 
in rode tenten in loopgraven
 
hoogwit op ons voorhoofd
 
nu is het winter zei hij
 
nu ben ik een ijzeren duif
 
nu kan ik vliegen met messen en krissen als veren
 
hoor maar ik rinkel en ik
 
kir ik kir ook
 
 
 
hij rinkelde en rimpelde als een mank vliegwiel
 
ik nam zijn aangeschoten wiek
 
luister zei ik wij willen weten waar de valse
 
voorwendselen vandaan komen
 
 
 
hij knikte
 
het is een ei eerst zei hij
 
dan is het een gaatje in het aangezicht
 
ik heb ze in mijn lange leven zien doodbloeden
 
leegstromen als vechtende veeverkopers
 
geen heeft een ster
 
wees gerust geen geeft een streep
[p. 64]
 
die avond kouder en kouder
 
wij mompelden in het donker
 
zagen op de plek waar eens een zaal
 
zijn brede borsten spiegelde
 
een doffe trommel vol bloed
 
vleugels sloegen daarop
 
kirrende marsmuziek

terug  begin  verder