terug  begin  verderprepost
[p. 6]origineel

De Maan

Niet als den Dag!




illustratie


En de Stad en behoeft de Zonne, noch de Maane niet, dat zy in dezelve zouden schynen: want de Heerlykheid Gods heeft ze verlicht, en het Lam is haare kaarse.
Openbaaringe Joan: XXI: 23.

[p. 7]origineel
Neemt noch in acht, Het licht der nacht.
 
Al schynt het Maantje noch zo klaar,
 
't Is evenwel zo bleek en naar,
 
Als wy 't by 't Zonnelicht gelyken:
 
Hoewel gedienstig, na haar maat,
 
Maar ziende op een hooger graat,
 
Zo moet het ver voor 't ander wyken.
 
Men ziet ook by de Maaneschyn,
 
Bescheid'lyk dat 'er dingen zyn,
 
Doch met een schaduw overtoogen:
 
Maar 't Zonne-licht, met volle kracht,
 
Ontkleed het al, van 't kleed der nacht,
 
En steld de dingen klaar voor oogen:
 
Zo achten wy deez' levens tyd,
 
By 't leven in der Eeuwigheid:
 
Wy zien ons zelven, en de dingen
 
In 't licht der oogen, en 't Verstand
 
Ter rechter en ter slinkerhand,
 
Die door Gods Wysheid stand ontfingen:
 
Maar doch wy zien het alles aan,
 
Als by het schemer-licht der Maan,
[p. 8]origineel
 
Zo dat wy licht in 't oordeel doolen:
 
Wy zien 't niet duid'lyk wat het is,
 
Maar boven op en by de gis,
 
Het recht perfect blyft ons verhoolen.
 
Maar als het licht van Zon en Maan,
 
En 't aardse oog zal ondergaan
 
In d'opgang van het Licht der Lichten,
 
Dan zal men zien, als by den dag,
 
Wat in des Scheppers wezen lag,
 
Dat ons nu schemerd voor 't gezichte.
 
Daar zal geen schemer-licht meer zyn,
 
Want God is zelfs den klaaren schyn.
 
En 't deksel gantslyk afgetoogen;
 
Zyn wond'ren zyn dan naakt en klaar,
 
En staan tot vreugde in 't openbaar,
 
Voor recht begryp en klaare oogen.

Psalm VIII: 4, 5.
Als ik uwen Hemel aanzie, het werk uwer vingeren, de Maane en de Sterren, die gybereid hebt.

Wat is de mensch, dat gy zyner gedenkt? en de zoone des menschen dat gy hem bezoekt?

[p. 9]origineel
Psalm CXII: 4.
Den oprechten gaat het licht op in de duisternisse: Hy is genadig en barmhertig, en rechtvaardig.

Jezaias LX: 20.
Uwe Zonne en zal niet meer ondergaan, en uwe Maane en zal haar [licht] niet intrekken, want de HEERE zal u tot een eeuwig Licht wezen, en de dagen uwer treuringe zullen een einde neemen.

Ephezen V: 8, 9, 10, 11.
Want gy waart eertyds duisternisse, maar nu zyt gy licht in den Heere: wandeld als kinderen des lichts:
Want de vrucht des Geests is in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid.
Beproevende wat den Heere welbehaagelyk zy.
En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbaare werken der duisternisse, maar bestraft ze ook veel eer.

prepostterug  begin  verder