Niet als den Dag!

En de Stad en behoeft de Zonne, noch de Maane niet, dat zy in dezelve zouden schynen: want de Heerlykheid Gods heeft ze verlicht, en het Lam is haare kaarse.
Openbaaringe Joan: XXI: 23.
Psalm VIII: 4, 5.
Als ik uwen Hemel aanzie, het werk uwer vingeren, de Maane en de Sterren, die gybereid hebt.
Wat is de mensch, dat gy zyner gedenkt? en de zoone des menschen dat gy hem bezoekt?
Psalm CXII: 4.
Den oprechten gaat het licht op in de duisternisse: Hy is genadig en barmhertig, en rechtvaardig.
Jezaias LX: 20.
Uwe Zonne en zal niet meer ondergaan, en uwe Maane en zal haar [licht] niet intrekken, want de HEERE zal u tot een eeuwig Licht wezen, en de dagen uwer treuringe zullen een einde neemen.
Ephezen V: 8, 9, 10, 11.
Want gy waart eertyds duisternisse, maar nu zyt gy licht in den Heere: wandeld als kinderen des lichts:
Want de vrucht des Geests is in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid.
Beproevende wat den Heere welbehaagelyk zy.
En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbaare werken der duisternisse, maar bestraft ze ook veel eer.