terug  begin  verderprepost
[p. 22]origineel

Het Vuur.

Wacht u.




illustratie


Dan zal hy zeggen ook tot de geene die ter slinker - [hand] zyn, gaat weg van my, gy vervloekte in het eeuwige vuur, 't welk den Duivel en zyne Engelen bereid is.
Matth: XXV: 41.

[p. 23]origineel
Men moet voorzichtig leeren,
Het quaad te zien van veren.
 
Hoe Ys-koud moet het herte weezen,
 
Dewyl 't zich zo veel niet ontlaat,
 
Om voor het Eeuwig Vuur te vreezen,
 
Na d'alderwyste en trouwste raad!
 
Nochtans zal elk bekennen moeten,
 
Indien hem maar een vonkje raakt
 
Hoe snel hy weg haald hand en voeten,
 
En hoe hy voor een meerder waakt.
 
ô Vuur! hoe scherp zyn uwe tanden,
 
Hoe byt gy 't wezen dat gy vat,
 
Hoe maakt gy alle ding te schanden,
 
En uwen honger word niet zat;
 
ô Mensch laat geen Fioolen zorgen!
 
Dewyl gy in dien Spiegel ziet,
 
Al schynd de straffe lang te borgen,
 
Den schuldigen vergeet zy niet.
 
Maar vind hem eindeling aan 't Ende,
 
Op dat hy dan betaal en boet
 
Met jammer, lyden en elende,
 
En smaak het bitter na het zoet.
[p. 24]origineel
 
Gelyk gy wacht uw teere handen,
 
Terwyl gy 't vuur tot nut bestierd,
 
Op dat men zich niet leelyk brande,
 
Wanneer men kookt of anders vierd,
 
Doet zo u voordeel met gedachten,
 
Door denken aan het eeuwig vuur,
 
Om uwe Ziel daar voor te wachten,
 
En zo t'ontgaan het hoogste zuur.
 
Maar dat het uwen zin doe kooke,
 
In levendige vreeze Gods,
 
En 't koude hert gestaag bestooke,
 
Tot keur van 't beste deel uw's lots.

Spreuken XXVII: 12.
De kloekzinnige ziet het quaad, [en] verbergd zich: de slechte gaan heenen door, [en] worden gestraft.

Jezaias XXXIV: 9.
En haare beeken zullen in pek verkeerd worden, en haar stof in zwevel: ja haare aarde zal tot brandende pek worden.

[p. 25]origineel
Matth: XXV: 46.
En deze zullen gaan in de eeuwige pyne: maar de rechtvaardige in dat eeuwige leven.

Lukas XII: 4, 5.
En ik zegge u mynen vrienden, en vreest u niet voor de geene die het lichaam doeden, en daar na niet meer en kunnen doen.
Maar ik zal u toonen wien gy vreezen zult: vreest dien, die na dat hy gedood heeft; [ook] macht heeft in de helle te werpen: Ja ik zegge u, vreest dien.

Hebreen X: 26, 27.
Want zo wy willens zondigen, na dat wy de kennisse der waarheid ontfangen hebben, zo en blyft daar geen slacht-offer meer over voor de zonden:
Maar een schrikkelyke verwachtinge des oordeels, en hitte des vuurs dat de tegenstaanders zal verslinden.

prepostterug  begin  verder