Om 't geen hy voort brengt.

De Aarde geeft haar gewas: God, onze God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen: en alle einden der Aarde zullen hem vreezen.
Psalm LXVII: 7, 8.
Genesis I: 11, 12.
En God zeide: dat de Aarde uitschiete grasscheutkens, kruid zaad zaajende, vruchtbaar geboomte, draagende vrucht na zynen aard, welkers zaad daar in zy op der aarde, en het was alzo.
En de Aarde bracht voort Gras-scheutkens, kruid zaad zaajende na zynen aard, en vrucht-draagende geboomte, welkers zaad daar in was, na zynen aard: en God zag dat het goed was.
Psalm CIV: 13, 14, 15, 16.
Hy drenkt de bergen uit zyne Opper-zaalen: de aarde word verzadigd van de vrucht uwer werken.
Hy doet het gras uitspruiten voor de beesten, en't kruid tot dienst des menschen, doende het brood uit de aarde voortkomen:
En den wyn, die het herte des menschen verheugd, doende het aangezichte blinken van olie: en het brood, dat het herte des menschen sterkt.
De boomen des HEEREN worden verzadigd, de cederboomen van Libanon, die hy geplant heeft.
Psalm CXLVII: 8, 9, 10, 11.
Die de Hemelen met wolken bedekt, die voor de Aarde regen bereid: die het gras, [op] de bergen doet uitspruiten.
Die het vee zyn voeder geeft: den jongen raaven als ze roepen.
Hy en heeft geenen lust aan de sterkte des paards: hy en heeft geen welgevallen aan de beenen des mans.
De HEERE heeft een welgevallen aan die, die hem vreezen, die op zyne goedertierenheid hoopen.
Mattheus XIII: 8.
En een ander [deel] viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het eene honderd, het ander zestig, en het ander dertig-[vond.]
Hebreen VI: 7, 8.
Want de aarde die den regen menigmaal op haar komende indrinkt, en bequaam kruid voortbrengd voor de geene, door welke zy ook gebouwt word, die ontfangt zegen van God.
Maar die doornen en distelen draagt, die is verworpelyk, en na by de vervloekinge, welker einde is tot verbrandingen.