terug  begin  verderprepost
[p. 30]origineel

De Aarde.

Om 't geen hy voort brengt.




illustratie


De Aarde geeft haar gewas: God, onze God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen: en alle einden der Aarde zullen hem vreezen.
Psalm LXVII: 7, 8.

[p. 31]origineel
Het Middel is wel goed,
Als 't zyne werking doet.
 
Het kind is edeler van aard,
 
Als zyne Moeder die hem baard;
 
Wie kan de rouwe Aarden eeten?
 
Maar haar gewenste schoone vrucht,
 
Daar 's levens lust na tracht en zucht,
 
Die word van elk met smaak gegeeten:
 
De eed'le vrucht van 't nieuw gemoed,
 
Uitwassende van vlees en bloed,
 
Die rouwe klomp van stof en aarde,
 
Is 't kind, dat in een hooge graad,
 
Zyn moeders stand te boven gaat,
 
Zeer kostelyk en ryk van waarde.
 
ô Aarde, die onwaardig zyt,
 
Zo u ontbreekt de vruchtbaarheid,
 
Maakt u een arbeid om te baaren,
 
Dat regen en de Zonneschyn,
 
Aan u niet vruchteloos en zyn,
 
Maar uw Gewas in 't licht verklaaren.
 
't Gewas dat d'Allerhoogste haagd,
 
Daar zyn begeerte en lust na vraagd,
[p. 32]origineel
 
Dat waardige Gewas der Deugde,
 
Waar toe gy zaad in u besluit,
 
Want d'Allerhoogste lokt het uit,
 
Tot eene vrucht ter eeuw'ge vreugde.

Genesis I: 11, 12.
En God zeide: dat de Aarde uitschiete grasscheutkens, kruid zaad zaajende, vruchtbaar geboomte, draagende vrucht na zynen aard, welkers zaad daar in zy op der aarde, en het was alzo.
En de Aarde bracht voort Gras-scheutkens, kruid zaad zaajende na zynen aard, en vrucht-draagende geboomte, welkers zaad daar in was, na zynen aard: en God zag dat het goed was.

Psalm CIV: 13, 14, 15, 16.
Hy drenkt de bergen uit zyne Opper-zaalen: de aarde word verzadigd van de vrucht uwer werken.
Hy doet het gras uitspruiten voor de beesten, en't kruid tot dienst des menschen, doende het brood uit de aarde voortkomen:
En den wyn, die het herte des menschen verheugd, doende het aangezichte blinken van olie: en het brood, dat het herte des menschen sterkt.

[p. 33]origineel
De boomen des HEEREN worden verzadigd, de cederboomen van Libanon, die hy geplant heeft.

Psalm CXLVII: 8, 9, 10, 11.
Die de Hemelen met wolken bedekt, die voor de Aarde regen bereid: die het gras, [op] de bergen doet uitspruiten.
Die het vee zyn voeder geeft: den jongen raaven als ze roepen.
Hy en heeft geenen lust aan de sterkte des paards: hy en heeft geen welgevallen aan de beenen des mans.
De HEERE heeft een welgevallen aan die, die hem vreezen, die op zyne goedertierenheid hoopen.

Mattheus XIII: 8.
En een ander [deel] viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het eene honderd, het ander zestig, en het ander dertig-[vond.]

Hebreen VI: 7, 8.
Want de aarde die den regen menigmaal op haar komende indrinkt, en bequaam kruid voortbrengd voor de geene, door welke zy ook gebouwt word, die ontfangt zegen van God.
Maar die doornen en distelen draagt, die is verworpelyk, en na by de vervloekinge, welker einde is tot verbrandingen.

prepostterug  begin  verder