terug  begin  verderprepost
[p. 34]origineel

De Wind.

Nochtans in wezen.




illustratie


De wind blaast waar heenen hy wil, en gy hoord zyn geluid, maar gy en weet niet van waar hy komt, en waar hy heenen gaat: alzo is een iegelyk die uit den Geest gebooren is.
Joan: III: 8.

[p. 35]origineel
't Onzien'lyk Goed,
Waaid op 't Gemoed.
 
Koel windje, dat men niet en ziet,
 
Maar echter door 't gevoel geniet,
 
Als ik u volg met myn gedachten,
 
Wat uw beginsel zy geweest
 
Dan denk ik aan den Heil'gen Geest,
 
Een vloejen uit des Vaders krachten.
 
Hoe wierd dien adem ook zo schoon
 
Door Jezus zyn beminde Zoon,
 
Geblaazen op zyn lievelingen.
 
Terwyl het aangenaame woord,
 
Van zyne lippen wierd gehoord,
 
Dat zy den Heil'gen Geest ontvingen.
 
Gelyk men ook 't gedenken vind,
 
Van eene sterk gedreeven wind,
 
In 't Apostolis Huis bevonden,
 
Daar d'ingetooge stille Schaar
 
Eendrachtig in 't verwachten waar,
 
Tot haar dien Trooster wierd gezonden.
 
Gy dan; Fonteine van de wind,
 
Wiens uitvloed zich op aarden vind,
[p. 36]origineel
 
Verkoeld gy 't Aangezicht der Zielen;
 
Die in het land van vlees en bloed,
 
Door zo veel heete dagen moet,
 
Daar Jacht haar navolgd op de hielen.

Genesis III: 8.
En zy hoorden de stemme des HEEREN Gods, wandelende in den hof, aan den wind des daags.

1 Koningen XIX: 11, 12.
En Hy zeide: Gaat uit, en staat op dezen berg, voor het aangezichte des HEEREN, en ziet, de HEERE ging voorby, en eenen grooten, en sterken wind scheurende de bergen, en breekende de steenrotzen voor den HEERE heenen; [Doch] de HEERE en was in den wind niet: en na dezen wind eene aardbevinge; de HEERE en was [ook] in de aardbevinge niet;
En na de aardbevinge, een vuur, de HEERE en was [ook] in het vuur niet: en na het vuur het suisen van een zachte stilte.

Job XXXVII: 9, 10.
Uit de binnen-kamer komt de wervel-wind, en van de verstrooijende [winden] de koude.
Door [zyn] geblaas geeft God de vorst; zo dat de breede wateren verstyft worden.

[p. 37]origineel
En Vers 21.
En nu en ziet men het licht niet, [als het] helder is in den Hemel, als de wind door gaat, en dien zuiverd.

En Kapittel XXXVIII: 24.
Waar is de weg, [daar] het licht verdeeld word; [en] de Oosten wind zich verstrooit op der aarde?

Psalm XVIII: 16.
En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van u schelden, O HEERE, van het geblaas des winds uwer neuze.

Psalm CIV: 3.
Die op de vleugelen des winds wandeld.

Psalm CXXXV: 7.
Hy brengt den wind uit zyne Schatkameren voort.

Psalm CXLVII: 18.
Hy zend zyn woord, en doet ze smelten: hy doet zynen wind waajen, de wateren vloeijen heenen.

Lukas XI: 13.
Indien dan gy, die boos zyt, weet uwe kinderen goede gaaven te geeven, hoe veel te meer zal de hemelse Vader den heiligen geest geeven den geenen die hem bidden?

prepostterug  begin  verder