terug  begin  verderprepost
[p. 38]origineel

De Regen.

Tot Vruchtbaarheid.




illustratie


Druipet gy hemelen van boven af, en dat de wolken vloeijen van gerechtigheid: en de aarde opene haar, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid t'zaamen uitspruite: Ik de HEERE heb ze geschaapen.
Jezaias XLV: 8.

[p. 39]origineel
ô Aarde geeft uw vrucht,
Op 't geeven van de lucht.
 
Wanneer den hemel lange wachten,
 
Met zegen van der wolken vloed,
 
Zo moest de aarde haast versmachten,
 
Met haar geslacht, van kruid en bloed.
 
O Aangenaame regen-straalen,
 
Die zo behaag'lyk uit de lucht,
 
Tot een verquikking nederdaalen,
 
Waar na het drooge aardryk zucht.
 
Uw lang vertoeven baard verlangen,
 
En trekt het uitgestrekte oog,
 
Wyl nood, u gaaren wil ontfangen,
 
Van hier beneden naar om hoog:
 
Want alle menschelyke krachten,
 
Met al haar wysheid en verstand,
 
Die moeten op u zegen wachten,
 
Die af komt van de hoogste hand.
 
Maar dat verheevener gedachten,
 
By 's waters heil en noodigheid,
 
Die groote droogte doch betrachten.
 
Daar iemant in der hellen leid,
 
En eist, in 't smertelyk gevoelen,
 
Maar zo veel laafenis van vocht,
 
(Om zyne tonge te verkoelen,)
 
Als aan een vinger hangen mogt.
 
Dat is een dorheid en een droogte,
 
Die elk wel mag ter herten gaan,
[p. 40]origineel
 
Op dat hy uitzie na de hoogte,
 
Om buiten dat gevaar te staan.
 
Nu is het noch een tyd van zegen,
 
Wyl God zyn vensters open doed,
 
Met stroomen van genade regen,
 
Tot vruchtbaarheid van eeuwig goed.
 
Hy wil een levend water geeven,
 
Dat ons voor dorst behoeden zal,
 
En springen tot in 't eeuwig leven,
 
In 't schoon doorwaterd roozendal.
 
O Water! dat zo waard genooten,
 
Zo dienstig zyt in dezen tyd;
 
De Bron waar uit gy zyt gevlooten
 
Is 't diep geheim der Eeuwigheid.
 
Tot die, moet u gebruik ons wenken,
 
Want wie by deze welbron woond,
 
Zyn straal zal hem oneindig drenken,
 
Voor droogten is zyn ziel verschoond.

Psalm LXV: 10, 11, 12, 13.
Gy bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrykt gy het grootelyks; de riviere Gods is vol waters: wanneer gy het alzo bereid hebt, maakt gy haar lieder koorn gereed.
Gy maakt zyne opgeploegde aarde dronken; gy doet ze daalen [in] zyne vooren: gy maakt het week door de droppelen, gy zegend zyn uitspruitsel.
Gy kroond het jaar uwer goedheid: en uwe voetstappen druipen van vettigheid.

[p. 41]origineel
Zy bedruipen de weiden der woestyne: en de heuvelen zyn aangegord met verheuginge.

Psalm LXVIII: 10.
Gy hebt zeer milden regen doen druipen, ô God; en gy hebt uwe erffenisse gesterkt, als ze mat was geworden.

Psalm LXXXIV: 7.
Als zy door het dal der moerbezie-boomen doorgaan, stellen zy hem tot een Fonteine, ook zal de regen haar gants rykelyk overdekken.

Jeremias V: 24, 25.
En zy en zeggen niet in haar herte: Laat ons nu den HEERE onzen God vreezen, die den regen geeft, zo vroegen regen als spaaden regen, in zynen tyd: [die] ons de weeken, de gezette tyden des oogsts, bewaard.
Uwe ongerechtigheden wenden die dingen af, en uwe zonden weeren dat goede van u-lieden.

Ezechiel XXXIV: 26.
Want ik zal dezelve, en de plaatsen rondom mynen heuvel, stellen [tot] eenen zegen: en ik zal den plas-regen doen nederdaalen in zynen tyd; plas-regens van zegen zullender zyn.

prepostterug  begin  verder