Tot Vruchtbaarheid.

Druipet gy hemelen van boven af, en dat de wolken vloeijen van gerechtigheid: en de aarde opene haar, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid t'zaamen uitspruite: Ik de HEERE heb ze geschaapen.
Jezaias XLV: 8.
Psalm LXV: 10, 11, 12, 13.
Gy bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrykt gy het grootelyks; de riviere Gods is vol waters: wanneer gy het alzo bereid hebt, maakt gy haar lieder koorn gereed.
Gy maakt zyne opgeploegde aarde dronken; gy doet ze daalen [in] zyne vooren: gy maakt het week door de droppelen, gy zegend zyn uitspruitsel.
Gy kroond het jaar uwer goedheid: en uwe voetstappen druipen van vettigheid.
Zy bedruipen de weiden der woestyne: en de heuvelen zyn aangegord met verheuginge.
Psalm LXVIII: 10.
Gy hebt zeer milden regen doen druipen, ô God; en gy hebt uwe erffenisse gesterkt, als ze mat was geworden.
Psalm LXXXIV: 7.
Als zy door het dal der moerbezie-boomen doorgaan, stellen zy hem tot een Fonteine, ook zal de regen haar gants rykelyk overdekken.
Jeremias V: 24, 25.
En zy en zeggen niet in haar herte: Laat ons nu den HEERE onzen God vreezen, die den regen geeft, zo vroegen regen als spaaden regen, in zynen tyd: [die] ons de weeken, de gezette tyden des oogsts, bewaard.
Uwe ongerechtigheden wenden die dingen af, en uwe zonden weeren dat goede van u-lieden.
Ezechiel XXXIV: 26.
Want ik zal dezelve, en de plaatsen rondom mynen heuvel, stellen [tot] eenen zegen: en ik zal den plas-regen doen nederdaalen in zynen tyd; plas-regens van zegen zullender zyn.