't Kan haast veranderen.

Daarom alzo zyt de Heere HEERE; Ja ik zal [hem] door eenen grooten storm-wind in myne grimmigheid splyten, en daar zal een overstelpende plas-regen zyn in mynen toorn, en groote hagel-steenen in [myne] grimmigheid, om [dien] te verdoen.
Ezechiel XIII: 13.
Job XXXVIII: 22, 23.
Zyt gy gekomen tot de Schatkameren der sneeuw? en hebt gy de Schat-kameren des hagels gezien?
Dien ik ophoude tot den tyd der benaauwtheid; tot de dag des stryds, en der oorlogen.
Psalm XVIII: 13, 14.
Van den glans die voor hem was, dreeven zyne wolken daar heenen; hagel en vuurige koolen.
En de HEERE donderde in den hemel, en de Alderhoogste gaf zyne stemme; hagel en vuurige koolen.
Psalm CV: 32.
Hy maakte haaren regen tot hagel, vlammig vuur in haaren lande.
Jezaias XXVIII: 2.
Ziet, de Heere heeft eenen sterken en machtigen, daar is gelyk een hagel-vloed een poorte des verderfs: gelyk een vloed der sterke wateren die overvloejen, zal hy ze ter aarde neder werpen met der hand.
En Kapittel XXX: 30.
En de HEERE zal zyne heerlyke stemme doen hooren, en de nederlaatinge zynes arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlamme des verteerenden vuurs, straalen, en eenen vloed, en hagelsteenen.
Haggai II: 18.
Ik sloeg u lieden met brand-koorn, wet honingdauw, en met hagel, al het werk uwer handen; en gy en [keerdet] u niet tot my, spreekt de HEERE.