terug  begin  verderprepost
[p. 50]origineel

De Hagel.

't Kan haast veranderen.




illustratie


Daarom alzo zyt de Heere HEERE; Ja ik zal [hem] door eenen grooten storm-wind in myne grimmigheid splyten, en daar zal een overstelpende plas-regen zyn in mynen toorn, en groote hagel-steenen in [myne] grimmigheid, om [dien] te verdoen.
Ezechiel XIII: 13.

[p. 51]origineel
De vrucht van 't aards behaagen,
Word deerelyk verslaagen.
 
De Boomgaard en de Landeryen
 
Na 't Ploegen, Zaaijen ende vlyen,
 
Na regen, dauw en zonneschyn,
 
Staan schoon en heug'lyk in 't belooven,
 
Zo dat van Akkers, en uit Hoven,
 
Een kostelyke Oogst zouw zyn.
 
Maar onverwacht is opgereezen
 
Een donk're wolk om voor te vreezen,
 
Die werpt, met vuur en dondervlaag
 
Veel honderd duizend hagel-steenen,
 
Met storm en wervel-wind daar heenen,
 
Van zyne hoogte naar om laag.
 
Dat slaat de draagende landsdouwen,
 
En laat haar weinig overhouwen,
 
Het kooren werd ter neêr gedrukt,
 
Of afgemaaid, als waard met handen
 
Verwoest, verstrooid, en heel te schanden,
 
De fruit werd onryp afgeplukt.
 
Daar leid de hoop, en 't welbehaagen,
 
Met eene vlaag ter neêr geslagen:
[p. 52]origineel
 
ô! Mens, ziet om, waar dat gy staat,
 
Of 't in des werelds bouweryen,
 
Daar elk zyn Heil wil toebereijen,
 
Door moeite en zorg, niet ook zo gaat.
 
Wat bloeid en groeid het menigmaalen,
 
Tot hoop van veele vrucht te haalen,
 
Der aardse voorspoed en geluk,
 
En buiten wachten of vermoeden,
 
Begind het Ongeluk te woeden,
 
En zet het alles in den druk.
 
Bezonder als de swaare buijen,
 
Die dreigende de Dood beduijen,
 
Het al, en alles snyden af,
 
Wat wereld en haar welbehaagen,
 
De zucht van 't vlees quam voor te draagen,
 
En aan de aardse zinnen gaf.
 
Dies bouwd uw Hoop op zulke dingen,
 
Die nooit door Toeval t'ondergingen.

Job XXXVIII: 22, 23.
Zyt gy gekomen tot de Schatkameren der sneeuw? en hebt gy de Schat-kameren des hagels gezien?
Dien ik ophoude tot den tyd der benaauwtheid; tot de dag des stryds, en der oorlogen.

[p. 53]origineel
Psalm XVIII: 13, 14.
Van den glans die voor hem was, dreeven zyne wolken daar heenen; hagel en vuurige koolen.
En de HEERE donderde in den hemel, en de Alderhoogste gaf zyne stemme; hagel en vuurige koolen.

Psalm CV: 32.
Hy maakte haaren regen tot hagel, vlammig vuur in haaren lande.

Jezaias XXVIII: 2.
Ziet, de Heere heeft eenen sterken en machtigen, daar is gelyk een hagel-vloed een poorte des verderfs: gelyk een vloed der sterke wateren die overvloejen, zal hy ze ter aarde neder werpen met der hand.

En Kapittel XXX: 30.
En de HEERE zal zyne heerlyke stemme doen hooren, en de nederlaatinge zynes arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlamme des verteerenden vuurs, straalen, en eenen vloed, en hagelsteenen.

Haggai II: 18.
Ik sloeg u lieden met brand-koorn, wet honingdauw, en met hagel, al het werk uwer handen; en gy en [keerdet] u niet tot my, spreekt de HEERE.

prepostterug  begin  verder