't Is maar een doorgang.

Ik ben een vreemdeling op der aarde, en verbergd uwe geboden voor my niet.
Psalm CXIX: 19.
Och dat ik in de woestyne een herberge der wandelaars hadde! zo zoude ik myn volk verlaaten, en van hen trekken: want zy zyn alle overspeelders, een trouwloozen hoop.
Jeremias IX: 2.
Psalm CXIX: 54.
Uwe inzettingen zyn my gezangen geweest, ter plaatse myner vreemdeling schappen.
Jezaias XXXIII: 17, 18, 19.
Uwe oogen zullen den Koning zien in zyne schoonheid: zy zullen een verre gelegen land zien.
Uw herte zal de verschrikkinge overdenken, [zeggende], Waar is de Schryver? waar is de betaalsheere? waar is hy die de torens telt?
Gy en zult niet [meer] dat stuure volk zien, het volk dat zo diep van spraake is, dat men't niet hooren kan, van belachelyke tonge, 't welk men niet verstaan en kan.
En Kapittel XLIII: 19.
Ziet ik zal wat nieuws maaken, nu zal 't uitspruiten, en zult gy lieden dat niet weeten? ja ik zal in de woestyne eenen weg leggen, [en] rivieren in de wildernisse.
Hebreen XIII: 13, 14.
Zo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de Legerplaatse, zyne smaatheid draagende.
Want wy en hebben hier geen blyvende Stad, maar wy zoeken de toekomende.