Tot verdooving.

De afgrond roept tot den afgrond, by 't gedruis uwer watergooten:
Psalm XLII: 8.
Immers is myne ziele stil tot God: van hem is myn heil.
Doch gy, ô myne ziele, zwygt Gode: want van hem is myne verwachtinge.
Psalm LXII: 2. en 6.
Job XIV: 19.
De wateren vermaalen de steenen.
Psalm LXV: 2.
De Lofzang is [in] stilheid tot u, ô God, in Zion: en u zal de gelofte betaalt worden.
Prediker IX: 17.
De woorden der wyzen moeten in stilligheid aangehoord worden, meer dan het geroep des geenen die over de zotten heerst.
Jezaias XVII: 12, 13.
Wee der veelheid der grooter volkeren, die daar bruisen gelyk de Zeen bruisen: en [wee] den geruise der Natien, die daar ruisen gelyk de geweldige wateren ruisen.
De Natien zullen [wel] ruisen gelyk groote wateren ruisen, doch hy zal hem schelden, zo zal hy verre weg vlieden, ja hy zal gejaagt worden, als het kaf der bergen van den wind, en gelyk een kloot van den wervel-wind.
Klaaglied: III: 26.
't Is goed dat men hoope, en stille zy op het heil des HEEREN.