Klaar en zuiver.

De vreeze des HEEREN is een spring-ader des levens, om af te wyken van de strikken des doods.
Spreuken XIV: 27.
En gy lieden zult water scheppen met vreugde uit de Fonteine des heils.
Jezaias XII: 3.
Psalm XXXVI: 8, 9, 10.
Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, ô God! dies de menschen kinderen onder de schaduwe uwer vleugelen toevlucht neemen.
Zy worden dronken van de vettigheid uwes huizes; en gy drenkt ze [uit] de beeke uwer wellusten.
Want by u is de Fonteine des levens: in u licht zien wy het licht.
Psalm XLII: 2, 3.
Gelyk een hart schreeuwt na de waterstroomen, alzo schreeuwt myne ziele tot u, ô God.
Myne ziele dorstet na God, na den levendigen God: wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezichte verschynen?
Psalm LXIII: 2.
O God, gy zyt myn God, ik zoeke u in den dageraad, myne ziele dorstet na u, myn vlees verlangt na u: in een land, dor, en mat, zonder water.
Jezaias XLIX: 10.
Zy en zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte, en de zonne en zal ze niet steeken, want haaren Ontfermer zal ze leiden, en hy zal ze aan de spring-aders der wateren zachtkens leiden.
Jeremias II: 13.
Want myn volk heeft twee boosheden gedaan: My, den spring-ader des levendigen waters, hebben zy verlaaten, om haar zelven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water en houden.
Zacharias XIII: 1.
Te dien dage zalder een fonteine geopent zyn voor het huis Davids, en voor de inwoonders van Jeruzalem, tegen de zonde, en tegen de onreinigheid.
Joannes IV: 13, 14.
Jezus antwoordde en zeide tot haar, Een ieder die van dit water drinkt zal wederom dorsten:
Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat ik hem geeven zal, dien en zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water dat ik hem zal geeven, zal in hem worden een fonteine van water springende tot in het eeuwige leven.
Openbaaring XXI: 6.
En hy sprak tot my, het is geschied: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin, en het einde. Ik zal den dorstigen geeven uit de fonteine van het water des levens voor niet.