terug  begin  verderprepost
[p. 122]origineel

De Dauw.

Tot onderhouding.




illustratie


Ik zal Israël zyn als de dauw, hy zal bloeijen als de Lelie; en hy zal zyne wortelen uitslaan als de Libanon. Zyne scheuten zullen zich uitspreiden, en zyne heerlykheid zal zyn als des Olyfbooms: en hy zal eenen reuk hebben als de Libanon.
Hozea XIV: 6, 7.

[p. 123]origineel
De Ziel verlangd na nat,
Gelyk het drooge blad.
 
Gelyk de koele Dauw op 't kruid,
 
Des droogen gronds, nu lang gelegen
 
In heete dagen, zonder regen
 
Terwyl 't begeerig opwaards spruit,
 
Belust om zynen dorst te laaven,
 
Met zegen dezer morgen-gaaven;
 
Zo is de Hoop op 't eeuwig goed,
 
In 't dagen des Geloofs gebooren
 
In Jezus naam, zo uitverkooren,
 
Op 't kruid van 't uitgestrekt gemoed,
 
't Geen zich verheft uit dorren gronde
 
Der swarte aarde,'t vlees der zonde.
 
Dat hemelzuchtig herten kruid!
 
ô Paarle drupjes, dezer hoope,
 
Die alle morgen komt gedrope,
 
Men ziet na uw verquikking uit,
 
Gy hoed de wasdom voor 't verdrooge,
 
Door uwe zegen uit den hooge.
 
Zo blyft het kruidje van de Ziel,
[p. 124]origineel
 
(Bestreên van hitten en van koude,)
 
Door deze zoeten Dauw behoude,
 
Op dat zyn leeven niet verviel.
 
Tot aan den tyd der volle zegen,
 
Van dien gewensten Zomer-regen,
 
Dien regen ter bequaamer tyd,
 
(Wanneer den Hemel werd ontsloten,)
 
Uit Gods genaden afgegooten,
 
Tot een volkomen Zaligheid:
 
Dan zal het kruid zich recht verzaaden,
 
En sierlyk staan met bloem en bladen.
 
ô Jezus! allerzoetste Douw,
 
Dat uwe Naam, beminde Heere,
 
Het Kruidje van het God begeeren,
 
Dan ondertussen zo behouw;
 
Dat zulks, door een gestaag besproejen,
 
Door alle droogten heen mag groejen.
 
Tot dat het, van uw waarde hand,
 
(Nu aan zyn rechte tyd gekomen,)
 
Uit dezer aarde werd genomen,
 
En in het Paradys geplant:
 
Om 't Bloempje van Gods Beeld te draagen,
 
Tot aller zaal'gen welbehaagen.

[p. 125]origineel
Genesis XXVII: 27, 28.
En hy quam by, en hy kuste hem: doe rook hy den reuk zyner kleederen, en zegende hem: en hy zeide; Ziet, de reuk mynes Zoons is als den reuk des velds, 't welk de HEERE gezegend heeft.
Zo geeve u dan God van den dauw des Hemels, en de vettigheid der aarde; en de menigte van tarwe, en most.

En Vers 39.
Doe antwoordde zyn Vader Izaak, en zeide tot hem; Ziet, de vettigheden der aarde zullen uwe wooningen zyn, en van den dauw des Hemels van boven af [zult gy gezegend zyn.]

Deuteron: XXXII: 1, 2, 3.
Neigd de ooren, gy hemel, en ik zal spreeken: en de aarde hoore de redenen mynes monds.
Myne Leere druipen als een regen, myne reden vloejen als een dauw: als een stof-regen op de gras-scheutkens, en als droppelen op het kruid.
Want ik zal de Naame des HEEREN uitroepen: geeft onzen God grootheid.

Psalm CX: 3.
U volk zal zeer gewillig zyn op den dag uwer heirkracht, in heilige cieragien: uit de Baar-moeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zyn.

prepostterug  begin  verder