Wie zouw dat zeggen.

Want wysheid is beter dan Robynen; en al wat men begeeren mag en is met haar niet te vergelyken.
Ik wysheid woone [hy] de kloekzinnigheid; en vinde de kennisse aller bedachtzaamheid.
Spreuken VIII: 11, 12.
Job XXVIII: 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18.
Maar de wysheid, van waar zal ze gevonden worden? en waar is de plaatse des verstands?
De menschen en weet haare waarde niet: en zy en word niet gevonden in het land der levendigen.
De afgrond zeid: Zy en is in my niet, en de zee zeid, Zy en is niet by my.
Het gesloten goud en kan voor haar niet gegeeven worden: en met zilver en kan haaren prys niet worden opgewogen.
Zy en kan niet geschat worden tegen fyn goud van Ophir, tegen den kostelyken Schoham, of den Saphyr.
Men kan het goud, of het kristal haar niet gelyk waardeeren: ook en is ze [niet] te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
De Ramoth en Gabisch en zal niet gedacht worden: want de trek der wysheid is meerder dan der Robynen.
Spreuken III: 13, 14, 15.
Welgelukzalig is de mensche [die] wysheid vind; en de mensche [die] verstandigheid voortbrengd.
Want haaren koophandel is beter dan den koophandel van zilver; en haare inkomste dan het uitgegraaven goud.
Zy is kostelyker dan robynen; en al wat u lusten mag en is met haar niet te vergelyken.
Jezaias LIV: 11, 12.
Gy verdrukte, door onweêr voortgedreevene, ongetrooste: ziet, ik zal uwe steenen gants sierlyk leggen, en ik zal u op Saphyren grond-vesten.
En uwe glasvensters zal ik kristalynen maaken, en uwe poorten van Robyn-steenen: en uwe gantse landpaale van aangenaame steenen.
2 Korinthen IV: 16, 17, 18.
Daarom en vertraagen wy niet: maar hoewel onze uitwendige mensche verdorven word, zo word nochtans de inwendige vernieuwt van dage tot dage.
Want onze lichte verdrukkinge die zeer haast voorby [gaat], werkt ons een gants zeer uitnemend eeuwig gewigte der heerlykheid:
Dewyle wy niet en aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet en ziet. Want de dingen die men ziet zyn tydelyk, maar de dingen die men niet en ziet zyn eeuwig.
Ephesen IV: 22, 23, 24.
Dat gy zoudet afleggen, aangaande de voorige wandelinge, den ouden mensche, die verdorven word door de begeerlykheden der verleidinge:
En dat gy zoudet vernieuwt worden in den Geest uwes gemoeds,
En den nieuwen mensche aandoen, die na God geschaapen is in waare gerechtigheid en heiligheid.