Wat zal hem staande houden?

Die de Fonteinen uitzend door de dalen, dat ze tussen de gebergten heenen wandelen. Zy drenken al 't gedierte des velds: de woud-ezels breekender haaren dorst [mede.] By dezelve woond het gevogelte des hemels, een stemme geevende van tussen de takken.
Psalm CIV: 10, 11, 12.
Deuteron: VIII: 7.
Want de HEERE uwe God brengd u in een goed land; een land van waterbeeken, fonteinen, en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten.
Job XXVIII: 4.
Breekt 'er een beeke door, by den geenen die daar woond; [de wateren] vergeeten zynde van den voet, worden van den mensche uitgeputtet, [en] gaan wech.
Psalm I: 3.
Want hy zal zyn als een boom, geplant aan waterbeeken, die zyne vrucht geeft in zynen tyd, en welkers blad niet af en valt: en al wat hy doet, zal welgelukken.
Psalm XXXVI: 9, 10.
Zy worden dronken van de vettigheid uwes huizes; en gy drenkt ze [uit] de beeke uwer wellusten.
Want by u is de fontein des levens: in u licht zien wy het licht.
Psalm XLVI: 5.
De beekskens der riviere, zullen verblyden de Stad Gods; het heiligdom der wooningen des Alderhoogsten.
Spreuken XVIII: 4.
De woorden van den mond eens mans zyn diepe wateren: en de spring-ader der wysheid is een uit stortende beeke.
Jezaias XXXV: 6, 7.
Als dan zal de kreupele springen als een hart, en de tonge des stommen zal juichen: want in de woestyne zullen wateren uitbersten, en beeken in de wildernissen.
En het dorre land zal tot staande water worden, en het dorstig land tot springaders der wateren: in de wooninge der Draaken, daar zy gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zyn.
En Kapittel XLIV: 3, 4.
Want ik zal water gieten op den dorstigen, en stroomen op het drooge: Ik zal mynen Geest op u zaad gieten, en mynen zegen op uwe Nakomelingen.
En zy zullen uitspruiten tussen in 't gras, als de wilgen aan de waterbeeken.
Openbaaring XXII: 1.
En hy toonde my een zuivere riviere van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den throon Gods, en des Lams.