terug  begin  verderprepost
[p. 150]origineel

De Beek.

Wat zal hem staande houden?




illustratie


Die de Fonteinen uitzend door de dalen, dat ze tussen de gebergten heenen wandelen. Zy drenken al 't gedierte des velds: de woud-ezels breekender haaren dorst [mede.] By dezelve woond het gevogelte des hemels, een stemme geevende van tussen de takken.
Psalm CIV: 10, 11, 12.

[p. 151]origineel
Door 't stadig geeven,
Word hy gedreeven.
 
De Beek, ter welbron uitgegooten,
 
En door het dal daar heen gevlooten,
 
Ontmoet zyn drift een brok of steen,
 
Hy laat daar van zyn gang niet stuiten,
 
Maar gaat veel eer zyn loop te buiten,
 
Daar over of ter zyden heen.
 
Zo ook den vloed der klaare zinnen,
 
Ontsprongen uit het God beminnen:
 
Wat die ontmoet tot een bedwang,
 
Om haare dryving af te steeken,
 
Zy maakt 'er driftig door te breeken,
 
En gaat gestadig haaren gang.
 
Gezegend zyn die waterbeeken,
 
Die door het Wereld-dal gestreeken,
 
Zich niet vermengen met de aard,
 
Gelyk de poelen en moerassen,
 
Daar 't ongediert komt op te wassen,
 
Maar over loopen met 'er vaard.
 
Zo zal haar klaarheid eeuwig vloeijen,
[p. 152]origineel
 
Door 't Lusthof van het Eeuwig bloeijen,
 
Ontfangende in haar kristal,
 
De spiegeling van 't heilig wezen,
 
En alle schoonheid nooit volpreezen,
 
Tot een vermaak, in 't Zalig Dal.

Deuteron: VIII: 7.
Want de HEERE uwe God brengd u in een goed land; een land van waterbeeken, fonteinen, en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten.

Job XXVIII: 4.
Breekt 'er een beeke door, by den geenen die daar woond; [de wateren] vergeeten zynde van den voet, worden van den mensche uitgeputtet, [en] gaan wech.

Psalm I: 3.
Want hy zal zyn als een boom, geplant aan waterbeeken, die zyne vrucht geeft in zynen tyd, en welkers blad niet af en valt: en al wat hy doet, zal welgelukken.

Psalm XXXVI: 9, 10.
Zy worden dronken van de vettigheid uwes huizes; en gy drenkt ze [uit] de beeke uwer wellusten.
Want by u is de fontein des levens: in u licht zien wy het licht.

[p. 153]origineel
Psalm XLVI: 5.
De beekskens der riviere, zullen verblyden de Stad Gods; het heiligdom der wooningen des Alderhoogsten.

Spreuken XVIII: 4.
De woorden van den mond eens mans zyn diepe wateren: en de spring-ader der wysheid is een uit stortende beeke.

Jezaias XXXV: 6, 7.
Als dan zal de kreupele springen als een hart, en de tonge des stommen zal juichen: want in de woestyne zullen wateren uitbersten, en beeken in de wildernissen.
En het dorre land zal tot staande water worden, en het dorstig land tot springaders der wateren: in de wooninge der Draaken, daar zy gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zyn.

En Kapittel XLIV: 3, 4.
Want ik zal water gieten op den dorstigen, en stroomen op het drooge: Ik zal mynen Geest op u zaad gieten, en mynen zegen op uwe Nakomelingen.
En zy zullen uitspruiten tussen in 't gras, als de wilgen aan de waterbeeken.

Openbaaring XXII: 1.
En hy toonde my een zuivere riviere van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den throon Gods, en des Lams.

prepostterug  begin  verder