Sta vast.

En zeide: Tot hier toe zult gy komen, en niet verder: en hier zal hy zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
Job XXXVIII: 11.
Gy hebt een paale gestelt, die zy niet overgaan en zullen: zy en zullen de aarde niet weder bedekken.
Psalm CIV: 9.
Psalm XXXIII: 7.
Hy vergaderd de wateren der Zee als op eenen hoop; hy steld de afgronden schat-kameren.
Spreuken III: 21, 22.
Myn Zoon, laat ze niet afwyken van uwen oogen: bewaard de bestendige wysheid, en bedachtzaamheid.
Want zy zullen het leven voor uwe ziele zyn; en een aangenaamheid voor uwen halze.
Jezaias LVII: 19, 20, 21.
Ik scheppe de vrucht der lippen, Vrede, Vrede den geenen die verre zyn, en den geenen die naby zyn, zeid de HEERE, en ik zal ze geneezen.
Doch de godlooze zyn als eene voortgedrevene zee, want die en kan niet rusten, en haare wateren werpen slyk en modder op.
De godlooze, zeid myn God, en hebben geenen Vrede.
Jeremias V: 21, 22, 23.
Hooret nu dit, gy dwaas, en hertenloos volk: die
oogen hebben, maar en zien niet, die ooren hebben, maar en hooren niet.
En zult gy-lieden my niet vreezen, spreekt de HEERE? zult gy voor myn aangezichte niet beeven? die ik der zee het zand tot eenen paal gestelt hebbe, met eene eeuwige inzettinge, dat ze daar over niet en zal gaan: of schoon haare golven zich bewegen, zo en zullen ze doch niet vermogen, of ze schoon bruisen, zo en zullen ze doch daar over niet gaan.
Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig herte: zy zyn afgevallen en heenen gegaan.
Mattheus XXIV: 12, 13.
En om dat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van veele verkouden.
Maar wie volherden zal tot den einde, die zal zalig worden.
Jakobus IV: 7.
Zo onderwerpt u dan Gode: wederstaat den Duivel, en hy zal van u vlieden.
2 Petrus III: 17.
Gy dan geliefde, [zulks] te voeren weetende, wacht u dat gy niet door de verleidinge der grouwelyke menschen mede afgerukt en word, en uitvalt van uwe vastigheid.
1 Joannes V: 4.
Want al dat uit God geboren is, overwind de wereld: en dit is de overwinninge die de wereld overwind, [namelyk] ons geloove.