terug  begin  verderprepost
[p. 154]origineel

Den Oever.

Sta vast.




illustratie


En zeide: Tot hier toe zult gy komen, en niet verder: en hier zal hy zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
Job XXXVIII: 11.

Gy hebt een paale gestelt, die zy niet overgaan en zullen: zy en zullen de aarde niet weder bedekken.
Psalm CIV: 9.

[p. 155]origineel
Die niet en keerd, Word overheerd.
 
Niet verder, zeid de hooge Kust;
 
En schut het woeden van de baaren,
 
Der wilde Zee, zoo ongerust,
 
Die vrees'lyk dreigd, met zyn gevaaren:
 
Zo keerd het hemelse gemoed,
 
De Wereld Zee, van diepe gronden,
 
Die Ebd en Vloeid in vlees en bloed,
 
En rust en bruist met schuim der zonden.
 
De ydelheid dringd op haar aan,
 
En zy door vreeze Gods verheven,
 
Doet hem voor haare Paalen staan,
 
Zo word het hert niet overdreeven.
 
Indien de Zoom van eenig Land
 
Door watervloed begint te wyken,
 
Hoe werkzaam is de wakk're hand,
 
Om zyn verblyving af te dyken:
 
Voorzichtige overweging meê;
 
Op dat het waardig land der Zielen,
 
Niet onder ging in zondens Zee,
 
Wiens golven daag'lyks op haar vielen.
 
Maar daar men sloft en laat het gaan,
[p. 156]origineel
 
Wat Onheil staat 'er niet te komen,
 
Dewyl den Eeuw'gen Oceaan,
 
Gemeenschap heeft met 's Werelds stroomen,
 
Om 't Land dat hoog verheven stond,
 
Te zetten tot een diepen grond.

Psalm XXXIII: 7.
Hy vergaderd de wateren der Zee als op eenen hoop; hy steld de afgronden schat-kameren.

Spreuken III: 21, 22.
Myn Zoon, laat ze niet afwyken van uwen oogen: bewaard de bestendige wysheid, en bedachtzaamheid.
Want zy zullen het leven voor uwe ziele zyn; en een aangenaamheid voor uwen halze.

Jezaias LVII: 19, 20, 21.
Ik scheppe de vrucht der lippen, Vrede, Vrede den geenen die verre zyn, en den geenen die naby zyn, zeid de HEERE, en ik zal ze geneezen.
Doch de godlooze zyn als eene voortgedrevene zee, want die en kan niet rusten, en haare wateren werpen slyk en modder op.
De godlooze, zeid myn God, en hebben geenen Vrede.

Jeremias V: 21, 22, 23.
Hooret nu dit, gy dwaas, en hertenloos volk: die
[p. 157]origineel
oogen hebben, maar en zien niet, die ooren hebben, maar en hooren niet.
En zult gy-lieden my niet vreezen, spreekt de HEERE? zult gy voor myn aangezichte niet beeven? die ik der zee het zand tot eenen paal gestelt hebbe, met eene eeuwige inzettinge, dat ze daar over niet en zal gaan: of schoon haare golven zich bewegen, zo en zullen ze doch niet vermogen, of ze schoon bruisen, zo en zullen ze doch daar over niet gaan.
Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig herte: zy zyn afgevallen en heenen gegaan.

Mattheus XXIV: 12, 13.
En om dat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van veele verkouden.
Maar wie volherden zal tot den einde, die zal zalig worden.

Jakobus IV: 7.
Zo onderwerpt u dan Gode: wederstaat den Duivel, en hy zal van u vlieden.

2 Petrus III: 17.
Gy dan geliefde, [zulks] te voeren weetende, wacht u dat gy niet door de verleidinge der grouwelyke menschen mede afgerukt en word, en uitvalt van uwe vastigheid.

1 Joannes V: 4.
Want al dat uit God geboren is, overwind de wereld: en dit is de overwinninge die de wereld overwind, [namelyk] ons geloove.

prepostterug  begin  verder