Om weinig, Groot bestaan.

En een iegelyk die [om prys] stryd, onthoud hem in alles. Deze dan [doen] wel [dit] op dat zy een verderflyke kroone zouden ontfangen, maar wy een onverderfelyke.
1 Korinthen IX: 25.
Psalm CVII: 23, 24, 25, 26, 27, 28 ,29, 30, 31, 32.
Die met scheepen ter Zee afvaaren, handel doende op groote wateren:
Die zien de werken des HEEREN, en zyne wonderwerken in de diepte.
Als hy spreekt, zo doet hy eenen storm-wind opstaan, die haare golven om hooge verheft.
Zy ryzen op na den Hemel, zy daalen neder tot in de afgronden: haare ziele versmelt van angst.
Zy danssen en waggelen als een dronken man, en al haare wysheid word verstonden.
Doch roepende tot den HEERE in de benaauwtheid die zy hadden: zo voerde hy ze uit haare angsten.
Hy doet den storm stille staan, zo dat haare golven stille swygen.
Dan zyn ze verblyd, om dat ze gestild zyn, en dat hy ze tot de haven haar begeerte geleid heeft.
Laat ze voor den HEERE zyne goedertierenheid looven, en zyne wonderwerken voor de kinderen der menschen;
En hem verhoogen, in de gemeente des volks, en in 't gestoelte der Oudsten hem roemen.
2 Korinthen IV: 16, 17, 18.
Daarom en vertraagen wy niet: maar hoewel onze uitwendige, mensche verdorven word, zo word nochtans de inwendige vernieuwd van dage tot dage.
Want onze lichte verdrukkinge, die zeer haast voorby [gaat], werkt ons een gants zeer uitneemend eeuwig gewigte der heerlykheid:
Dewyle wy niet en aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet en ziet. Want de dingen die men ziet zyn tydelyk, maar de dingen die men niet en ziet zyn eeuwig.