terug  begin  verderprepost
[p. 174]origineel

De Morgenstond.

Het scheeld aan hem niet.




illustratie


Want God die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternisse zoude schynen, is de geene die in onze herten gescheenen heeft, om [te geeven] verlichtinge der kennisse der heerlykheid Gods, in het aangezichte van Jezus Christus.
2 Korinthen IV: 6.

[p. 175]origineel
Wat zich besluit, Dat houd hem uit.
 
ô Welkom, schoone Dageraad,
 
Die uit een gulde kamer gaat,
 
Met glans van held're straalen;
 
'k Ontsluit myn venster voor uw licht,
 
Om met een vrolyk aangezicht
 
U minnelyk in te haalen.
 
Gy wacht niet als ik open doe,
 
Maar dringd ten eersten mild'lyk toe;
 
Ja, eer ik kom t'ontsluiten,
 
En noch in 't naare duister zy,
 
Zo staat en wacht gy al na my,
 
Voor toe gelooke ruiten.
 
Zo ook de Meester die u riep,
 
En tot een Licht der wereld schiep,
 
Die groote Zon, der Zonnen;
 
Schynd met een glans van eeuwig goed,
 
Voor 't venster van het toe gemoed,
 
Met opdoen was 't gewonnen.
 
Stofwormpje, onder 't dak van stroo,
 
In 't leeme huis hoe zyt gy zo?
[p. 176]origineel
 
Het is een Heer der Heeren,
 
Die voor uw arme hutje staat,
 
En uwe kleinheid niet versmaad,
 
Om zich tot u te keeren.
 
Laat in, laat in, de waarde Gast,
 
Op dat uw Heil voorspoedig wast,
 
Hy komt met groote zegen,
 
En brengd een blyde boodschap mee,
 
Een eeuwig wel, voor eeuwig wee,
 
Daar leid u aan gelegen.

Psalm XCVII: 11.
Het licht is voor de rechtvaardigen gezaaid, en vrolykheid voor de oprechte van herten.

Psalm CXLIII: 8.
Doet my uwe goedertierenheid in den Morgenstond hooren, want ik betrouwe op u: maakt my bekend den weg dien ik te gaan hebbe, want ik heffe myne ziele tot u op.

Jezaias L: 4, 5.
De Heere HEERE heeft my een tonge der geleerden gegeeven, op dat ik weete met den moeden een woord ter rechter tyd te spreeken: Hy wekt alle morgen, hy wekt my de oore, dat ik hoore, gelyk die geleerd worden.

[p. 177]origineel
De Heere HEERE heeft my de oore geopent, en ik en ben niet wederspannig, ik en wyke niet achterwaarts.

Klaaglied: III: 22, 23, 24.
Het zyn de goedertierenheden des HEEREN, dat wy niet vernield en zyn, dat zyne barmhertigheden geen einde en hebben.
Zy zyn alle morgen nieuwe, uwe trouwe is groot.
De HEERE is myn deel, zeid myne ziele, daarom zal ik op hem hoopen.

Zephania III: 5.
De Rechtvaardige HEERE is in het midden van haar, hy en doet geen onrecht: alle morgen geeft hy zyn recht in het licht, daar en ontbreekt niet, doch de verkeerde en weet van geen schaamte.

Joannes VIII: 12.
Jezus dan sprak wederom tot haar-lieden, zeggende, Ik ben het licht der wereld: die my volgd en zal in de duisternisse niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

Openbaaring III: 20.
Ziet, ik sta aan de deure, en ik kloppe: indien iemant myne stemme zal hooren, en de deure open doen, ik zal tot hem inkomen, en ik zal met hem Avondmaal houden, en hy met my.

prepostterug  begin  verder