terug  begin  verderprepost
[p. 182]origineel

De Avond-Stond.

De tyd verloopt.




illustratie


Geevet eere den HEERE, uwen God, eer dan hy bet duister maake, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen: dat gy na licht wachtet, en hy dat zelve tot eene schaduwe des doods stelle, en tot eene donkerheid zette.
Jeremias XIII: 16.

[p. 183]origineel
Het word vast laat, Met ieders staat,
 
Des Werelds aangenaame wonder,
 
Met al zyn heerelyk sieraad,
 
Gaat met de Zon des avonds onder,
 
En word bekleed met rouw-gewaad:
 
De rust en lust van 't werelds leeven,
 
Bezeten van het werelds hart,
 
Moet in de dood zyn luister geeven,
 
En word bedekt met droevig swart.
 
Een nacht die niet weêr op zal klaaren:
 
Wie dan het naare duister haat
 
En liever eeuwig niet ging waaren,
 
Zie dat hy zulk gevaar ontgaat;
 
Door 't zuiv'ren van het oog der zielen,
 
(Dat met de dingen is bedekt,
 
Die 't rechte zien verborgen hielen,)
 
En zo een schoonder staat verwekt;
 
Op dat aan d'Avond van het leven,
 
Als 't licht des Werelds onder gaat,
 
Den Geest 't aanschouwen werd gegeeven,
 
Van 't geen in 't Licht des levens staat.
[p. 184]origineel
 
Een Wereld waardig uit te kiezen,
 
Dat dan des levens avond val,
 
Zo zal het oog geen licht verliezen,
 
Wanneer het God aanschouwen zal.

Job XVIII: 5, 6, 7.
Ja het licht der Godloozen zal uitgeblust worden, en de vonken zynes vuurs en zal niet glinsteren.
Het licht zal verduisteren in zyne tente, en zyne lampe zal over hem uitgeblust worden.
De treden zyner macht zullen benaauwt worden: en zynen raad zal hem neder werpen.

En Kapittel XXI: 17.
Hoe dikwils geschied het dat de lampe der godloozen uitgeblust word, en haar verderf haar over komt? dat [God hen] smerten uitdeeld in zynen toorn?

Psalm XVII: 29.
Want gy doet myne lampe lichten, de HEERE, myn God, doet myne duisternisse opklaaren.

Psalm CXIX: 105.
U woord is een lampe voor mynen voet, en een licht voor mynen pad.

[p. 185]origineel
Spreuken XIII: 9.
Het licht der rechtvaardigen zal zich verblyden: maar de lampe der godloozen zal uitgeblust worden.

Jezaias XXIX: 15.
Wee den geenen die haar diepe versteeken willen voor den HEERE, [haaren] raad verbergende: en welker werken in duisterheid geschieden, en zy zeegen, Wie ziet ons? en wie kend ons?

Joannes VIII: 12.
Jezus dan sprak wederom tot haar lieden, zeggende, Ik ben 't licht der wereld: die my volgd en zal in de duisternisse niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

En Kapittel XII: 35, 36.
Jezus dan zeide tot haar, Noch eenen kleinen tyd is het licht by u lieden: wandeld terwyl gy het licht hebt, op dat de duisternisse u niet en bevange. En die in de duisternisse wandeld, en weet niet waar hy heenen gaat.
Terwyle gy het licht hebt, gelooft in het licht, op dat gy kinderen des lichts meugd zyn. Deze dingen sprak Jezus: en weg gaande verbergde hy hem van haar.

prepostterug  begin  verder