De tyd verloopt.

Geevet eere den HEERE, uwen God, eer dan hy bet duister maake, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen: dat gy na licht wachtet, en hy dat zelve tot eene schaduwe des doods stelle, en tot eene donkerheid zette.
Jeremias XIII: 16.
Job XVIII: 5, 6, 7.
Ja het licht der Godloozen zal uitgeblust worden, en de vonken zynes vuurs en zal niet glinsteren.
Het licht zal verduisteren in zyne tente, en zyne lampe zal over hem uitgeblust worden.
De treden zyner macht zullen benaauwt worden: en zynen raad zal hem neder werpen.
En Kapittel XXI: 17.
Hoe dikwils geschied het dat de lampe der godloozen uitgeblust word, en haar verderf haar over komt? dat [God hen] smerten uitdeeld in zynen toorn?
Psalm XVII: 29.
Want gy doet myne lampe lichten, de HEERE, myn God, doet myne duisternisse opklaaren.
Psalm CXIX: 105.
U woord is een lampe voor mynen voet, en een licht voor mynen pad.
Spreuken XIII: 9.
Het licht der rechtvaardigen zal zich verblyden: maar de lampe der godloozen zal uitgeblust worden.
Jezaias XXIX: 15.
Wee den geenen die haar diepe versteeken willen voor den HEERE, [haaren] raad verbergende: en welker werken in duisterheid geschieden, en zy zeegen, Wie ziet ons? en wie kend ons?
Joannes VIII: 12.
Jezus dan sprak wederom tot haar lieden, zeggende, Ik ben 't licht der wereld: die my volgd en zal in de duisternisse niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.
En Kapittel XII: 35, 36.
Jezus dan zeide tot haar, Noch eenen kleinen tyd is het licht by u lieden: wandeld terwyl gy het licht hebt, op dat de duisternisse u niet en bevange. En die in de duisternisse wandeld, en weet niet waar hy heenen gaat.
Terwyle gy het licht hebt, gelooft in het licht, op dat gy kinderen des lichts meugd zyn. Deze dingen sprak Jezus: en weg gaande verbergde hy hem van haar.