Levendig dood.

Ik zal in vrede t'zaamen nederliggen en slaapen; want gy, ô HEERE, alleen, zult my doen zeker woonen.
Psalm IV: 9.
Daarom zegd hy, Ontwaakt gy die slaapt, en staat op uit den dooden, en Christus zal over u lichten.
Eph: V: 14.
Psalm III: 6.
Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde my.
Psalm XCI: 1, 2, 3, 4, 5, 6.
Die in de schuil-plaatse des Alderhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen.
Ik zal tot den HEERE zeggen; Myne toevlucht, en myne burgt: myn God op welken ik vertrouwe.
Want hy zal u redden van den strik des vogelvangers: van de zeer verderslyke pestilentie.
Hy zal u dekken met zyne vlerken, en onder zyne vleugelen zult gy betrouwen: zyne waarheid is een rondasse en beukelaar.
Gy en zult niet vreezen voor den schrik des nachts: voor den pyl die 's daags vliegd.
Voor de pestilentie die in de donkerheid wandeld: voor't verderf dat op den middag verwoestet.
Psalm CXXI: 4.
Ziet, de bewaarder Israëls en zal niet sluimeren noch slaapen.
1 Thessalon: V: 4, 5, 6.
Maar gy, Broeders, gy en zyt niet in duisternisse, dat u die dag als een dief zoude bevangen.
Gy zyt alle kinderen des lichts, en alle kinderen des daags: wy en zyn niet des nachts, noch der duisternisse.
Zo en laat ons dan niet slaapen, gelyk als de andere, maar laat ons waaken en nuchteren zyn.